Ik stond maandenlang klaar voor onze beste vrienden, tot mijn man én mijn vriendin vroegen of ik minder wilde komen
Op woensdag wist ik beter wat er bij Marjan in de koelkast lag dan wat we zelf nog in huis hadden. Ik stond bij de Albert Heijn met twee boodschappenlijstjes en belde Henk om te vragen of wij nog eieren hadden.
‘Geen idee, Els. Ik eet de laatste tijd meestal brood.’
Ik vond dat flauw. Nu denk ik dat hij het niet eens verwijtend bedoelde. Misschien een beetje.
Wij zijn allebei begin zestig. Henk werkt nog drie dagen bij een installatiebedrijf, ik twee ochtenden in een boekhandel. Met Marjan en Kees zijn we bevriend sinds onze kinderen bij elkaar op zwemles zaten. Dat is ruim dertig jaar.
Bijna ieder weekend zagen we elkaar. Fietsen, kaarten, ergens koffie drinken waar Kees dan altijd de appeltaart te duur vond. We zijn samen naar de Dordogne geweest, hebben elkaars ouders begraven en kennen de minder gezellige kanten van elkaars kinderen. Ik hoefde bij Marjan nooit eerst te zeggen dat ze niet moest schrikken als ik zonder make-up kwam.
Vorig najaar viel Kees uit op zijn werk. Hij was werkvoorbereider en had al maanden slecht geslapen. Eerst dachten we: een paar weken thuis, dan komt er lucht. Maar hij werd steeds stiller. Op een dag stond hij aangekleed in de gang en lukte het hem niet om naar buiten te gaan.
De huisarts was betrokken, later ook een praktijkondersteuner. Er was sprake van een zware burn-out. Meer wil ik daar niet over zeggen, want niet alles wat hij ons heeft verteld is van mij om door te vertellen.
Marjan belde die eerste weken vaak huilend. Niet waar Kees bij was. Vanuit de schuur, of onderweg naar haar werk bij de gemeente.
‘Ik weet niet meer wat normaal is,’ zei ze. ‘Moet ik hem nou laten liggen of juist meenemen?’
Ik wist het ook niet. Maar ik kon wel langskomen.
Eerst bracht ik soep. Daarna bleef ik wanneer Marjan werkte, omdat Kees het akelig vond om alleen te zijn. Ik zette een was aan, deed boodschappen en ging soms een klein rondje met hem lopen. Op slechte dagen dronken we alleen thee, zonder televisie.
Het was niet zo dat hij niets meer kon. Soms kon hij ineens zelf koken en dacht ik opgelucht dat het beter ging. De volgende dag nam hij zijn telefoon niet op en stond Marjan op haar werk te piekeren. Dan ging ik toch maar even kijken.
Na een maand had ik een sleutel en kende ik hun wasprogramma’s.
Henk hielp ook. Hij bracht groenafval weg, repareerde een lekkende kraan en reed Kees een keer naar een afspraak. Maar na verloop van tijd vroeg hij steeds vaker hoe laat ik thuiskwam.
‘Dat weet ik toch niet van tevoren.’
‘Je kunt wel zeggen dat je om vijf uur weggaat.’
Dat vond ik zo makkelijk gezegd. Alsof je midden in iemands ellende op de klok gaat wijzen.
Ondertussen ging ik ook op dagen dat Marjan niet werkte. Dan konden we samen dingen doen, zei ik. De badkamer schoonmaken. Een pan eten voor twee dagen maken. Ze bedankte me altijd. Soms al voordat ik iets gedaan had.
Ik vond het fijn om daar nodig te zijn. Dat zag ik toen niet als iets wat meespeelde.
Thuis raakte ik geïrriteerd als Henk vroeg wat we gingen eten. Bij Marjan maakte ik zonder problemen drie verschillende boterhammen omdat Kees nergens trek in had. Als ik dat zo opschrijf, schaam ik me.
In februari zei Henk dat we nauwelijks nog samen waren.
‘We zitten nu toch samen?’ zei ik.
We keken televisie. Ik zat ondertussen met Marjan te appen.
Hij vroeg me om vaste dagen af te spreken. Twee dagdelen, eventueel iets extra’s als het echt nodig was. Ik hoorde vooral dat hij mij wilde laten kiezen.
‘Als jij zo thuiszat, hoopte ik dat er ook iemand kwam.’
‘Dat hoop ik ook. Maar niet dat iemand daarvoor zijn hele eigen leven stilzet.’
Daar hebben we een paar dagen nauwelijks normaal over kunnen praten.
Het werd pas echt vervelend rond een weekend in Limburg dat Henk al in december had geboekt. Met zijn zus en zwager, voor haar vijfenzestigste verjaardag. Ik wilde mee. Daar had ik me op verheugd.
Marjan vroeg voorzichtig of we misschien alleen de zaterdag konden gaan. Ze zag op tegen twee hele dagen met Kees, die toen weer slecht sliep.
Ik zei nee. Vrij kort ook.
Daarna probeerde ik alles eromheen dicht te regelen. Vrijdag boodschappen brengen, zondagavond meteen langs, Henk vragen of we vroeger terug konden rijden. Hij wilde niet.
‘Je zegt dat je meegaat, maar eigenlijk ben je er nog steeds niet.’
Ik werd boos. Ik had toch juist geweigerd om af te zeggen? Wat wilde hij dan nog meer?
Dat weekend was niet fijn. Ook niet verschrikkelijk. We aten asperges, zijn zwager vertelde drie keer hetzelfde verhaal en ik keek op de wc naar mijn telefoon.
De dinsdag erna stond ik bij Marjan de vaatwasser uit te ruimen toen ze vroeg of ik even wilde gaan zitten.
Ik dacht dat er iets met Kees was.
‘Ik wil dat je wat minder komt,’ zei ze.
Ze keek naar mijn handen. Ik had nog twee lepeltjes vast.
Ze zei dat ze dankbaar was. Dat ze zonder mij die eerste maanden niet was doorgekomen. Maar ze merkte dat ze voor alles op mij wachtte. Zelfs voor boodschappen die ze prima zelf kon doen.
‘En soms wil ik gewoon een rotdag hebben zonder dat jij meteen iets probeert op te lossen.’
Dat kwam hard aan.
Ik zei dat ze me zelf iedere dag had gebeld. Dat was waar, maar ik zei het alsof ik bewijs op tafel legde.
Ze begon te huilen. Ik niet. Ik trok mijn jas aan en nam de lege ovenschaal mee die al weken op hun aanrecht stond.
Thuis zei Henk: ‘Misschien is dit uiteindelijk wel goed.’
Toen huilde ik alsnog. Ik had niet nodig dat het ergens goed voor was. Ik wilde gewoon dat iemand begreep dat ik me weggestuurd voelde.
Dat is nu drie weken geleden. Ik ga op donderdagmiddag. Marjan heeft dat voorgesteld, niet Henk. Soms appt ze tussendoor een vraag en moet ik mezelf tegenhouden om meteen mijn fiets te pakken.
Kees heeft me laatst gebeld om te vragen hoe het in de winkel ging. Ik vertelde over een klant die een boek zocht met een blauwe kaft. We hebben zowaar even gelachen.
Met Marjan is het nog onwennig. Gisteren vroeg ze of ik donderdag wilde blijven eten. Ik heb ja gezegd en daarna Henk gebeld. Niet om toestemming te vragen, maar omdat we nog moesten bedenken wat hij dan zou eten. Hij had nog iets in de vriezer, zei hij.