Mijn man gaat met pensioen, maar ik wil eindelijk beginnen — en over ons spaargeld worden we het niet eens

Voor het afscheid van mijn man mocht ik kiezen tussen twee restaurants. Voor mijn eigen ondernemingsplan moest ik eerst een begroting maken. Dat vond ik een flauwe gedachte van mezelf, want dat etentje betaalt zijn werkgever en een begroting is gewoon nodig. Toch dacht ik het, terwijl ik de menu’s naast elkaar legde.

Ik ben 62. Henk is 65 en stopt over vijf maanden als directeur van een technisch bedrijf. Hij heeft er ruim twintig jaar gewerkt. Op bijeenkomsten komen mensen mij vertellen hoeveel ze aan hem hebben gehad. Jonge medewerkers vooral. Hij heeft geduld met mensen die iets willen leren. Dat is ook echt zo.

Ik was verpleegkundige. Na onze tweede verhuizing ben ik minder gaan werken, later ben ik helemaal gestopt. Dat was toen praktisch. Onze jongste had problemen op school, mijn moeder werd ziek en Henk was vaak weg. Er is nooit één gesprek geweest waarin we besloten dat zijn werk belangrijker was. Het ging steeds om dat ene jaar waarin het beter uitkwam.

Daarna kwam er weer een jaar.

Ik heb tussendoor van alles gedaan. Invalwerk, de administratie van een fysiotherapiepraktijk, vrijwilligerswerk bij een ontmoetingscentrum. Ik zat niet dertig jaar thuis naar de klok te kijken. Maar een loopbaan, met een salaris dat ergens naartoe groeide en een fatsoenlijk pensioen, heb ik niet opgebouwd.

Mijn plan ontstond ook niet ineens. Bij het ontmoetingscentrum sprak ik vaak mantelzorgers die nergens meer aan toekwamen. Een dochter die haar vader niet alleen durfde te laten. Een man die al maanden niet naar zijn biljartclub was geweest omdat zijn vrouw steeds onrustiger werd.

Ik wil betaalde ondersteuning aan huis aanbieden. Gezelschap, samen wandelen, een eenvoudige maaltijd maken, een paar uur blijven zodat familie weg kan. Geen verpleegkundige handelingen. Daarvoor ben ik al te lang uit het vak. Klein beginnen, uiteindelijk met twee vaste krachten naast mij.

Ik heb met een boekhouder gesproken en met iemand die iets vergelijkbaars doet, buiten onze regio. Ik heb verzekeringen uitgezocht en tarieven vergeleken. Over afspraken met klanten en de precieze regels moet ik nog advies krijgen. Dat weet ik zelf ook.

Voor mijn eerste opzet vroeg ik 38.000 euro uit ons spaargeld. Website, verzekeringen, administratie, werving, een gebruikte auto en vooral een buffer voor de eerste maanden. Er staat iets meer dan een ton op onze spaarrekening. We hebben nog een hypotheek. Het is dus niet alsof dat geld nergens voor nodig is.

Henk keek naar het bedrag en schoof mijn map terug.

‘Dat gaan we niet doen.’

Niet: laten we kijken. Niet: hoe kom je hierop.

Ik vroeg waarom.

‘Omdat ik straks geen salaris meer heb. Omdat die pot bedoeld is voor later. En omdat jij niet op je tweeënzestigste nog personeel moet willen aannemen.’

Dat laatste deed het meeste pijn. Ik had hem de avond ervoor nog geholpen met een presentatie voor een nieuw project. Hij mag kennelijk tot zijn laatste werkdag plannen maken die over jaren gaan. Bij mij klinkt tweeënzestig ineens alsof ik elk moment kan omvallen.

Hij vindt dat ik zijn reactie oneerlijk navertel. Volgens hem zei hij vooral dat personeel verantwoordelijkheid betekent. Dat zal best. Ik hoorde vooral mijn leeftijd.

Een week later zijn we er opnieuw voor gaan zitten. Henk had onze vaste lasten uitgeprint. Zijn pensioen wordt goed, maar lager dan zijn huidige inkomen. Tot zijn AOW ingaat, moeten we bovendien een periode overbruggen. De badkamer moet ooit worden aangepakt en onze auto is twaalf jaar oud.

‘En als een van ons zorg nodig heeft?’ vroeg hij.

Ik zei dat je met die redenering nooit meer iets kunt doen.

Hij zei dat je met mijn redenering alles ondernemen kunt noemen.

Daarna hebben we gewoon aardappels gegeten. Dat vind ik misschien nog het vreemdste. Je kunt zo kwaad zijn op iemand en toch vragen of hij de jus wil aangeven.

Er zitten fouten in mijn begroting. Dat moet ik erbij zeggen. De boekhouder wees me erop dat ik veel te optimistisch was over hoeveel uren ik meteen kon verkopen. Ook had ik de reistijd onderschat. Henk zag die aangepaste cijfers en zei: ‘Zie je nou wel.’

Daar werd ik zo boos van dat ik zei dat hij zonder mij nooit directeur was geworden.

Dat is niet eerlijk. Hij heeft er hard voor gewerkt. Maar ik heb ook hard gewerkt, alleen werd er bij mij geen afscheid voor georganiseerd als een taak erop zat.

Wat ik hem nog niet had verteld: ik had al bijna 1.600 euro uitgegeven aan advies, een korte training en een domeinnaam met een eenvoudige website. Van onze rekening. Ik noemde dat voorbereidingskosten. Hij noemde het achter zijn rug om geld uitgeven. Daar had hij een punt, al kon ik dat die avond niet zeggen.

Mijn broer Arjan weet inmiddels van het plan. Hij vroeg ernaar toen we bij hem waren en ik heb later met hem gebeld. Hij wilde eventueel 15.000 euro lenen, met afspraken op papier en rente. Hij heeft geen kinderen en verkoopt binnenkort zijn garagebedrijf. Voor hem is het geen klein bedrag, maar ook geen geld dat hij volgende maand nodig heeft.

Ik heb nog niets toegezegd.

Henk werd stil toen ik het vertelde.

‘Dus nu weet jouw broer dat ik jou zogenaamd niks gun.’

‘Hij weet dat jij het risico niet wilt nemen.’

‘En dan ga jij bij familie aankloppen. Terwijl wij gewoon geld hebben.’

Daar bleven we in hangen. We hebben geld, maar zodra ik het wil gebruiken, is het blijkbaar geen geld dat beschikbaar is. Tegelijk snap ik dat een lening niet alleen mijn probleem wordt als het misgaat. We wonen nog steeds samen. We betalen nog steeds dezelfde boodschappen.

Gisteren stelde Henk voor om volgend voorjaar zes weken met de camper weg te gaan. Dat hadden we vroeger weleens genoemd. Ik zei dat ik niet wist of ik dan weg kon.

Hij keek oprecht teleurgesteld. Voor het eerst begreep ik dat hij al een heel pensioen voor ons had bedacht. Niet uit kwaadheid. Hij dacht dat ik daarop zat te wachten.

Vrijdag heb ik weer een afspraak met de boekhouder. Ik laat een kleinere start doorrekenen, zonder personeel en voorlopig met onze eigen auto. Henk heeft gevraagd of hij mee mag.

Ik heb ja gezegd. Daarna heb ik de boekhouder gemaild dat ik het gesprek wel zelf wil voeren. Dat mailtje heb ik drie keer herschreven voordat ik het verstuurde.