Ik verkocht de auto van mijn vrouw omdat ik bang was dat ze iemand zou raken, en nu wil ze niet meer met me praten
De autosleutel lag altijd in het blauwe schaaltje bij de achterdeur. Al zeker twintig jaar. Ria legde hem daar neer als ze thuiskwam van de supermarkt, van yoga, van haar zus in Vianen. Soms vergat ze haar portemonnee in de auto, soms haar boodschappen op het aanrecht, maar die sleutel lag daar bijna altijd.
Sinds vorige week ligt er alleen nog een oude batterij en een los muntje van vijf cent in dat schaaltje.
Ik ben 74, Ria is 72. We wonen in een vrijstaand huis aan de rand van Woerden, veel te groot eigenlijk sinds de kinderen het huis uit zijn. Maar we hebben er alles aan gedaan. De serre, de tuin waar Ria ieder voorjaar veel te vroeg dahlia’s inzet, de schuur die ik eindelijk heb opgeruimd toen ik met pensioen ging. We hadden het goed. Niet rijk-rijk, maar geen zorgen. Ik werkte bij een installatiebedrijf, Ria op de administratie van een tandartspraktijk. Zij regelde thuis alles. Verzekeringen, verjaardagen, de belastingmap, zelfs wanneer de cv-ketel onderhoud nodig had.
Daarom merkte ik het misschien ook zo snel.
Eerst waren het kleine dingen. Ze zette de waterkoker aan zonder water erin. Ze betaalde een rekening twee keer. Een afspraak bij de mondhygiënist schreef ze op een papiertje en dat verdween dan tussen de reclamefolders. Een keer had ze een pan aardappelen op het vuur gezet en was ze in de tuin gaan werken. Toen ik thuiskwam rook het huis naar aangebrande aardappels en stond ze met modder aan haar handen naar die zwarte pan te kijken alsof iemand anders het gedaan had.
Ze lachte het weg. Ik ook, in het begin.
Maar daarna kwam er een aanmaning van de energieleverancier terwijl ik wist dat er genoeg geld op onze gezamenlijke rekening stond. Ria had het bedrag overgemaakt naar een oud rekeningnummer dat ze nog in een schrift had staan. Niet rampzalig, maar het gaf gedoe. Ik heb toen de betalingen maar op mijn laptop gezet. Automatische incasso’s, een overzichtje in Excel. Ik vertelde haar dat het makkelijker was, zeker nu we vaker weg wilden met de caravan.
Ze zei: “Handig, dan hoef ik daar niet meer naar te kijken.”
Maar een paar weken later vroeg ze waar de map met papieren was. Ik zei dat ik die in mijn werkkamer had gelegd.
“Waarom staat die daar?”
“Omdat ik er even mee bezig ben.”
Ze keek me aan alsof ik iets heel vreemds zei. “Dat is mijn map, Kees.”
Ik antwoordde iets stoms. Dat het ónze map was. Alsof dat hetzelfde is.
Langzaam ging ik meer overnemen. Niet bewust met een plan, meer omdat het sneller ging. Ik maakte de boodschappenlijst. Ik belde de huisarts voor de herhaalrecepten. Ik zette een alarm op haar telefoon voor haar vrijwilligersmiddag in het buurthuis, waar ze koffie schenkt. Soms ging dat goed. Soms zei ze dat ze al gebeld had terwijl dat niet zo was. Dan belde ik alsnog, zonder er iets over te zeggen.
Het ergste is misschien dat ik daar ook rustiger van werd. Als ik het deed, wist ik tenminste dat het geregeld was.
Onze zoon Mark vond dat logisch. Hij woont in Amersfoort, heeft twee jongens en werkt veel. Toen ik hem voorzichtig vertelde dat ik me zorgen maakte, zei hij: “Pap, je moet er bovenop zitten. Mam zou nooit willen dat er iets gebeurt omdat jullie te trots zijn om hulp te regelen.”
Onze dochter Ellen reageerde anders. Zij woont in Rotterdam en komt minder vaak, maar als ze er is, ziet ze alles. Volgens haar ook dingen die ik niet zie.
“Je praat over mam alsof ze er niet bij zit,” zei ze een keer toen Ria in de keuken koffie stond in te schenken.
Dat vond ik onredelijk. We hadden het over een afspraak bij de geheugenpoli, niet over haar favoriete kleur gordijnen.
Ellen zei: “Juist dan. Ze hoort ineens alleen nog wat er allemaal niet meer mag of niet meer lukt.”
De huisarts had ons doorgestuurd na een paar gesprekken en een test. Bij de geheugenpoli zeiden ze niet meteen dat het Alzheimer was. Ze gebruikten woorden als ‘milde cognitieve stoornis’ en ‘we houden het in de gaten’. Ria zat er naast me en knikte heel rustig. In de auto terug zei ze dat die artsen tegenwoordig van alles een ziekte maakten.
“Je vergeet ook wel eens wat,” zei ze.
Dat klopte. Ik vergeet namen, waar ik mijn leesbril laat, waarom ik naar boven loop. Maar ik wist ook dat het niet hetzelfde was. Dat zei ik niet.
De auto werd het grote punt. Ria reed al jaren een kleine rode Toyota. Ze reed niet hard, niet roekeloos. Maar ze raakte wel een paaltje bij de Albert Heijn-parkeerplaats. Alleen een kras, niemand gewond. Daarna vertelde een buurvrouw dat Ria een paar straten verderop aan de verkeerde kant van een rotonde had gezeten. Ria ontkende dat. Misschien had die buurvrouw zich vergist, dat kan ook.
Toen kwam er een brief van het CBR over het rijbewijs dat verlengd moest worden. Ria liet hem ongeopend op de eettafel liggen, onder een tijdschrift. Ik vond hem pas toen de termijn bijna voorbij was.
Ik had met haar moeten gaan zitten. Dat weet ik nu. Of tenminste: ik denk dat ik dat had moeten doen. Maar ik zag haar gezicht al voor me, die gekwetste blik, en ik was bang voor een ruzie waar ik geen antwoord op had.
Dus belde ik een autobedrijf waar mijn zwager vroeger kwam. De Toyota was nog netjes, weinig kilometers. Die man kwam op een dinsdagmiddag kijken. Ria was met Ellen naar de stad, een jas terugbrengen. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik het later wel uit zou leggen, wanneer alles rustig was.
Alsof zoiets rustig uit te leggen is.
De man bood minder dan ik had gehoopt. Ik zei toch ja. Hij nam de auto diezelfde middag mee.
Ria merkte het pas de volgende ochtend. Ze stond bij de achterdeur met haar tas om, klaar om naar het buurthuis te gaan. Ze keek naar het lege schaaltje en toen door het raam naar de oprit.
“Kees, waar is mijn auto?”
Ik zei dat ik hem verkocht had.
Ze zei eerst niks. Ze ging gewoon aan de keukentafel zitten. Heel rechtop. Daarna vroeg ze of er iets kapot was.
“Nee,” zei ik. “Maar ik maak me zorgen om je, Ria.”
“Dus je verkoopt mijn auto?”
Ik begon over dat paaltje, de brief, die rotonde. Terwijl ik praatte werd mijn verhaal steeds lelijker. Niet omdat het niet waar was, maar omdat ik ineens hoorde hoe ik alle losse dingen aan elkaar knoopte tot een bewijs dat zij niet meer mocht beslissen.
Ze werd niet boos op de manier die ik verwachtte. Ze schreeuwde niet. Ze zei alleen: “Je hebt me niet eens gevraagd.”
Daarna pakte ze haar tas weer en liep naar buiten. Ze is te voet naar het buurthuis gegaan. Bijna drie kwartier lopen. Die middag belde Ellen mij. Ria had haar gebeld vanaf daar, huilend in het magazijntje waar de plastic bekertjes staan.
Ellen was woedend. Mark zei dat ik misschien te snel was geweest, maar dat hij mijn angst snapte. Dat helpt natuurlijk enorm, twee volwassen kinderen die allebei iets anders zeggen terwijl je vrouw niet tegen je praat.
Nu is het twaalf dagen later. Ria slaapt in de logeerkamer. Niet iedere nacht, maar vaak genoeg. Ze zegt dat ze bij de gemeente wil informeren naar een deeltaxi of iets dergelijks, maar vervolgens vergeet ze waar ze het nummer heeft opgeschreven. Ik bied aan om mee te zoeken en dan zegt ze: “Nee, laat maar. Jij regelt het toch liever zelf.”
Dat komt hard aan, ook al heeft ze gelijk.
Gisteren heb ik de papieren van de verkoop op tafel gelegd. Ik zei dat het geld op onze rekening staat en dat ik, als zij dat wil, kan kijken naar een andere oplossing. Een elektrische fiets met een goede verzekering, een rijvaardigheidstest, wat dan ook. Ze vouwde de papieren op zonder te kijken.
“Het gaat niet om die Toyota,” zei ze.
Ik weet dat. Alleen weet ik nog steeds niet hoe ik haar veilig kan houden zonder dat ik haar iedere dag het gevoel geef dat ze kleiner wordt. Vanmiddag heeft ze zelf een ov-chipkaart gevonden die al jaren verlopen was. Ze legde hem demonstratief naast mijn bord.
Ik heb hem opgeladen. Zonder iets te zeggen.