Mijn vrouw wil haar moeder thuis blijven verzorgen. Ik heb een appartement bezichtigd, en daar schaam ik me voor
Bij de bezichtiging van het appartement heb ik gevraagd of de slaapkamer aan de straatkant lag. Niet naar de huur, niet naar de servicekosten. Ik wilde weten of het er ’s nachts stil was.
De makelaar keek even op zijn papier. Ik voelde me een oude zeur. Daarna ben ik in mijn auto gaan zitten zonder te starten. Mijn vrouw wist niet dat ik daar was.
Ik ben 66. Anja is 64. We zijn bijna veertig jaar getrouwd en tot een jaar geleden had ik zonder aarzelen gezegd dat we het goed hadden. Niet spannend misschien, maar goed.
Ik werkte in het onderhoud bij een voedingsmiddelenbedrijf, zij jarenlang in een drogisterij. We hadden een caravan gekocht. Tweedehands, met een wat muffe zithoek, maar van ons. We wilden buiten het hoogseizoen naar Frankrijk. Gewoon eens niet na twaalf dagen alweer naar huis moeten.
Haar moeder woont inmiddels in onze voormalige eetkamer.
Dat klinkt harder dan ik het bedoel. Mijn schoonmoeder heet Riet, is 89 en heeft mij altijd goed behandeld. Toen ik jaren geleden aan mijn knie werd geopereerd, stond zij met een pan eten voor de deur. Ze vergeet nu vaak wie ik ben, maar vraagt nog steeds of ik genoeg gegeten heb.
Anja hielp haar al lang. Eerst boodschappen, later douchen, medicijnen klaarzetten, mee naar afspraken. Ik reed, hing een beugel op, deed haar tuin. Daar was nooit discussie over.
Na een val en een ziekenhuisopname ging het niet meer thuis. Ze kwam tijdelijk bij ons om aan te sterken. Er kwam thuiszorg. We zetten een bed beneden, vlak bij het toilet.
Dat tijdelijke is inmiddels bijna zes maanden.
Ze kan nauwelijks zelfstandig opstaan. Ze raakt in paniek als ze alleen is en is ’s nachts vaak wakker. Soms denkt ze dat ze naar haar werk moet. Soms roept ze alleen maar om Anja, steeds opnieuw. Er zijn ook rustige middagen waarop ze tv kijkt en commentaar heeft op iemands kapsel. Dan denk ik zelf: het valt toch nog mee.
Maar de zorg komt meerdere keren per dag, niet ieder moment dat er iets gebeurt. Tussen die bezoeken zijn wij er. Vooral Anja, dat moet ik eerlijk zeggen.
Ik hoor haar om drie uur beneden praten. Dan blijf ik eerst liggen. Daar schaam ik me ook voor. Ik wacht een paar minuten, in de hoop dat het zonder mij lukt.
Uiteindelijk ga ik meestal toch.
Anja heeft last van haar rug. Haar moeder wil soms niet geholpen worden en duwt haar weg. Laatst stonden we samen naast het bed, allebei in ons ondergoed, terwijl Riet huilde omdat ze dacht dat wij vreemde mensen waren.
De volgende ochtend zat Anja met haar hoofd op tafel. Ik zette koffie. We zeiden niets tegen elkaar.
De caravanvakantie hadden we toen al afgezegd. Dat vond ik rot, maar niet het ergste. Het ergste is dat ik nergens meer onbevangen aan begin. Een fietstocht wordt rekenen: hoe lang ben ik weg, wie is er dan, heeft Anja geslapen? Zelfs boven een boek lezen voelt alsof ik me onttrek aan werk dat zij beneden doet.
Over de badkamer kregen we voor het eerst echt ruzie.
Anja had iemand laten komen om te kijken of er beneden een douche kon worden gemaakt. Een deel van de bijkeuken kon erbij, zei ze. Er lagen al schetsen op tafel.
‘Maar dan blijft ze hier dus,’ zei ik.
‘Ze ís hier toch?’
Dat was precies het probleem. Voor Anja was de verbouwing een oplossing voor iets praktisch. Voor mij betekende het dat ons leven voortaan zo zou zijn. Zonder dat we daar samen ja op hadden gezegd.
Ik heb toen gezegd dat we een verpleeghuis moesten gaan bekijken.
Ze schoof de papieren op elkaar.
‘Jij wilt haar weg hebben.’
Ik zei dat ik professionele zorg wilde. Dat daar mensen werkten die na hun dienst naar huis mochten. Dat wij geen nachtdienst konden blijven draaien.
‘Het is mijn moeder, Henk. Geen dienst.’
Ik begrijp dat. Echt. Haar vader is jong overleden. Haar moeder heeft jarenlang extra schoongemaakt om Anja en haar broer groot te brengen. Die broer woont in Groningen en komt ongeveer eens per maand. Hij zegt dat wij moeten aangeven wat nodig is. Anja vraagt hem vervolgens niets.
Ik heb daar weleens iets lelijks over gezegd. Dat haar moeder blijkbaar maar één kind had. Dat hielp natuurlijk niet.
Er is inmiddels een aanvraag voor langdurige zorg gedaan. De wijkverpleegkundige heeft ook met ons gesproken over een plek waar dag en nacht zorg is. Anja luisterde beleefd en zei later dat zulke mensen makkelijk praten.
Toch hoorde ik haar een week daarna vragen hoe wachtlijsten werken.
Ik had daar opgelucht over moeten zijn. In plaats daarvan begon ik meteen over locaties. Te snel, te gretig. Ze klapte weer dicht.
Vorige week heb ik gezegd dat ik overweeg ergens anders te gaan wonen.
Niet scheiden, zei ik erbij. Alsof dat het minder erg maakte.
‘Dus ik mag kiezen tussen jou en mijn moeder?’
Ik zei nee. Maar ik snap dat ze het zo hoort. Als ik vertrek, blijft zij met nog meer zorg zitten. Ik kan mezelf wel vertellen dat ik alleen rust zoek, maar de gevolgen zijn niet alleen voor mij.
Zij zei dat we elkaar trouw hadden beloofd. Ik vroeg of dat ook betekende dat zij dit voor ons allebei mocht besluiten.
Daarna heb ik buiten de vuilnisbak schoongemaakt. Het regende een beetje. Ik wilde gewoon even niet naar binnen.
Het appartement is klein en duur. Ik kan het betalen, maar dan gaat er flink wat van ons spaargeld op. Geld dat ook voor Anja is. Ik heb nog niets getekend.
Gisteren heb ik haar verteld dat ik was wezen kijken. Ze vroeg of er al meubels stonden. Dat vond ik een verschrikkelijke vraag, al stelde ze hem heel gewoon.
‘Nee,’ zei ik. ‘Het staat leeg.’
Ze knikte en ging verder met het invullen van de medicatielijst.
Donderdag komt de mantelzorgondersteuner van de gemeente. Anja wil erbij zijn, maar heeft gevraagd of ik niet meteen weer over verhuizen begin. Ik heb gezegd dat ik zal luisteren. Meer durfde ik niet te beloven.
Voor vannacht hebben we afgesproken dat ik tot twee uur beneden blijf en zij daarna. Ze ligt nu boven. Ik hoor haar nog af en toe lopen, dus slapen doet ze waarschijnlijk niet.
De verhuurder heeft gevraagd of ik uiterlijk vrijdag wil laten weten of ik het appartement neem. Die mail heb ik nog niet beantwoord.