Ik wilde ons huis verkopen voordat er iets gebeurde, maar mijn vrouw zag daarin vooral dat ik haar kwijt wilde

De geur van gas verdwijnt niet meteen, ook niet als je alle ramen tegen elkaar openzet. Dat is iets waar ik vroeger nooit bij stilstond. Je draait een knop dicht, zet de afzuigkap aan, klaar.

Maar die ochtend stond ik in mijn sokken in de keuken, met de achterdeur open terwijl het februari was, en ik keek naar Ria. Zij zat gewoon aan tafel met haar agenda voor de wijkvereniging. Ze zocht een pen die naast haar koffiekopje lag.

„Heb je het gas gebruikt?” vroeg ik.

Ze keek op alsof ik vroeg of het regende. „Voor mijn eitje. Waarom?”

De knop van de wokbrander stond nog half open. Geen vlam. Alleen dat sissende geluidje, dat ik pas hoorde toen ik heel dichtbij kwam.

Ria is 62. Ik ben 64. We wonen al 31 jaar in dit huis, vrijstaand aan de rand van een dorp in Drenthe. We hebben het gekocht toen het eigenlijk te groot was voor ons salaris. Ik werkte bij een installatiebedrijf, eerst buiten en later op kantoor. Ria deed de administratie bij een fysiopraktijk en zat daarnaast overal bij: de dorpsraad, het bloemencorso, de collecte voor het KWF, noem maar op.

Dit huis was haar bewijs dat we het gered hadden, denk ik. De serre heeft ze zelf ontworpen op ruitjespapier. De tuin is anderhalve keer te groot voor twee mensen, maar zij kent van elke struik de naam. Zelfs nu nog. Ze weet alleen soms niet meer dat ze die naam al drie keer tegen mij heeft gezegd.

In het begin stelde het weinig voor. Een dubbele afspraak. Een pan die te lang op stond. De afstandsbediening in de broodtrommel. Daar maakten we grapjes over. Ik vergeet ook weleens wat. Ik loop soms naar boven en weet halverwege niet meer waarom.

Alleen werden de dingen minder grappig.

Ze liet een keer de buitenkraan lopen, midden in november. De vorst kwam die nacht en ik heb de volgende ochtend onder het huis staan vloeken omdat een leiding gescheurd was. Een andere keer vond ik haar met de auto op de oprit, motor nog aan, terwijl ze binnen haar jas aan het ophangen was. Ze schrok daar zelf van. Ik zag het aan haar gezicht. Maar vijf minuten later zei ze dat ik er niet zo zwaar aan moest tillen.

En ik deed dat wel. Misschien te zichtbaar.

Ik begon lijstjes op te hangen. Gas uit. Deuren dicht. Telefoon mee. Ria haatte die lijstjes. Ze trok ze van de koelkast en propte ze in de papierbak.

„Ik ben toch geen kleuter, Henk.”

„Dat zeg ik niet.”

„Nee, je doet alleen alsof ik er een ben.”

Daar had ze ergens gelijk in. Ik ging dingen overnemen zonder het te vragen. Ik controleerde ’s avonds of ze de medicatie had genomen. Ik vroeg waar ze heen ging als ze haar fiets pakte. Niet op een vriendelijke, losse manier, maar met die gespannen stem die ik zelf ook hoorde.

De huisarts had ons doorverwezen naar de geheugenpoli in Assen. Ria ging mee omdat ik bleef aandringen. De testen waren voor haar vernederend, dat snap ik nu beter dan toen. Woorden onthouden, blokjes natekenen, vragen over de datum. Na afloop zei de arts dat er sprake was van lichte cognitieve klachten en dat er vervolgonderzoek nodig was. Geen harde diagnose, geen etiket waar je houvast aan had. Alleen: opletten, terugkomen, niet alles alleen dragen.

In de auto zei Ria niets. Bij de rotonde bij de Praxis begon ze ineens te huilen. Niet hard. Ze keek gewoon uit het raam en er liepen tranen over haar gezicht.

„Ze willen me kleiner maken,” zei ze.

Ik zei dat niemand dat wilde. Dat klonk meteen goedkoop, want ik had die ochtend nog haar bankpas uit haar tas gehaald om de afschriften te bekijken. Ze had twee keer dezelfde energierekening betaald. Geen ramp, gelukkig, maar ik was al bezig geweest zonder haar erbij te betrekken.

Een paar weken later kwam ik met het idee van een seniorenwoning. Niet meteen verkopen, zei ik. Alleen gaan kijken. Gelijkvloers, nieuw, een tuin die je nog wel kon bijhouden, zorg in de buurt als dat later nodig was. Er was een project in Emmen, vlak bij winkels en de huisarts.

Ria keek me aan alsof ik haar had verteld dat ik bij haar weg wilde.

„Dus jij hebt al besloten dat ik afgeschreven ben.”

„Nee. Ik wil voorkomen dat we pas iets moeten als het misgaat.”

„Jij wil van dit huis af omdat het jou te veel wordt.”

Dat was oneerlijk, maar ook niet helemaal. Het werd mij te veel. Niet de tuin of het schoonmaken. Het steeds luisteren. Is de cv uit? Ruik ik iets? Waar is ze? Waarom neemt ze niet op? Ik sliep lichter dan vroeger. Als zij ’s nachts naar beneden ging om water te pakken, lag ik wakker tot ik de trap weer hoorde.

Toch wilde ik niet weg uit dit huis. Mijn werkbank staat in de schuur. In de woonkamer zit een plek op de bank waar de zon precies goed valt. Maar ik kon niet meer doen alsof de trap, het gas en die enorme tuin alleen maar gezellige ouderdomsdingen waren.

Onze kinderen, Niels en Marije, wonen allebei niet om de hoek. Niels in Zwolle, Marije in Groningen. Ik vertelde hun eerst niets. Ria wilde dat niet, en ik wilde haar niet passeren.

Na die gaskraan deed ik het toch. Ik appte in onze gezinsgroep dat ik graag wilde dat ze zondag kwamen eten. Geen uitleg erbij. Laf misschien.

Ria zag het bericht toen ze naast me op de bank zat. Ze werd heel stil. Dat vond ik erger dan wanneer ze boos werd.

„Heb je ze al verteld dat ik gek word?” vroeg ze.

„Dat heb ik niet gezegd.”

„Maar je hebt wél iets gezegd.”

Ik zei dat ik bang was. Dat ik niet wist wat verstandig was. Ze knikte alleen en ging naar boven. Die avond at ze een boterham in de slaapkamer.

Zondag werd verschrikkelijk, juist omdat iedereen zijn best deed normaal te doen. Marije had een citroentaart meegenomen. Niels vroeg hoe het met de tomatenkas ging. Ria praatte veel, sneller dan anders, over de plannen voor de rommelmarkt. Alsof ze ons wilde bewijzen dat ze alles nog kon.

Na het eten begon ik over het huis. Ik had het niet zo moeten doen, aan tafel, met de lege schalen er nog bij. Maar ik deed het wel.

Niels zei voorzichtig dat het misschien goed was om alvast naar mogelijkheden te kijken. Marije zei dat thuiszorg of een personenalarmering ook kon, en dat verhuizen niet de enige stap hoefde te zijn.

Ria stond op. Ze had haar handen plat op de tafel gelegd.

„Jullie hebben het dus met elkaar over mij gehad.”

Niemand zei iets. Ik hoorde de koelkast aanslaan.

Ze keek niet naar de kinderen, maar naar mij. „Jij hebt hen erbij gehaald om mij hier weg te krijgen.”

„Nee, Ria. Omdat ik het niet alleen weet.”

„Nee. Omdat je wilt dat drie mensen tegen één zeggen dat ik niet meer mag beslissen.”

Ze ging naar de serre. Marije liep na een tijdje achter haar aan, maar Ria zei dat ze alleen wilde zijn. Niels hielp me later de vaatwasser inruimen. Alsof dat iets oploste.

Sindsdien zijn we niet verhuisd. We hebben wel een kookbeveiliging laten plaatsen en de huisarts heeft een casemanager geregeld, al noemt Ria haar meestal „die aardige vrouw die te veel vragen stelt”. Ria rijdt voorlopig niet meer alleen naar Groningen. Dat besluit kwam na veel gedoe en eigenlijk vooral omdat ze zelf een keer de verkeerde afslag nam en pas bij Drachten doorhad dat ze verkeerd zat.

Over de seniorenwoning praten we niet meer. Niet echt. De folder ligt in mijn bureaula, onder de garantiebewijzen van de cv-ketel.

Vanmorgen was Ria vroeg op pad voor een vergadering van de dorpsraad. Ze had haar nette jas aan en haar map tegen zich aan geklemd. Bij de voordeur draaide ze zich om en zei: „Ik heb mijn telefoon mee, hoor.”

Ik zei alleen: „Mooi.”

Toen ze wegfietste, bleef ik nog even in de deuropening staan. Daarna liep ik naar de keuken om te kijken of het gas uit was. Dat was het. Toch keek ik twee keer.