Ik dacht dat ik alles zelf moest oplossen, tot ik met mijn laatste tientje bij de gemeente zat

De wekker ging die ochtend om kwart over zes, maar ik was al wakker. Niet omdat mijn zoon Daan van negen me riep of omdat de buren weer vroeg met hun auto stonden te rommelen. Ik lag naar het plafond te kijken en rekende in mijn hoofd opnieuw uit hoeveel er nog op mijn rekening stond.

€ 47,36.

Daar moest ik nog vijf dagen van doen. En op donderdag had Daan zwemles. Daar kwam dan weer benzine bij, want met de bus ben ik anderhalf uur onderweg vanaf hier. Ik weet dat zwemmen geen eerste levensbehoefte is. Dat weet ik echt wel. Maar hij is eindelijk niet meer bang om onder water te gaan. Hij kijkt de hele week uit naar die les. Het voelde gemeen om juist dat van hem af te pakken omdat ik mijn boodschappen niet goed genoeg had gepland.

Ik werk drie dagen per week in een verpleeghuis in Amersfoort, in de huishoudelijke ondersteuning. Daarnaast pak ik soms een avonddienst als iemand ziek is. Het is geen baan waar je rijk van wordt, maar ik was er altijd trots op dat ik werkte. Na mijn scheiding zei ik tegen iedereen, en vooral tegen mezelf, dat ik mijn hand niet hoefde op te houden.

‘Ik red me wel,’ zei ik dan.

Dat was twee jaar geleden. Toen woonde ik nog in een iets goedkoper appartement en kostte een zak boodschappen niet meteen veertig euro. Daan was toen ook nog kleiner. Nu heeft hij ineens maat 140, voetbalschoenen waar hij na drie maanden uit groeit en een broodtrommel die hij steevast in de klas laat liggen.

Zijn vader, Kevin, woont ongeveer twintig minuten verderop. Hij ziet Daan om het weekend, al gaat dat ook niet altijd door. Soms heeft hij een klus, soms is hij moe, soms reageert hij gewoon pas op zondagavond op mijn berichten. De afspraak over kinderalimentatie was destijds netjes vastgelegd. Geen enorm bedrag, maar wel iets waar ik op rekende: 235 euro per maand.

De eerste maanden betaalde hij nog. Daarna kwam er steeds een reden. Zijn auto moest door de apk. Hij had minder uren. Zijn nieuwe vriendin was tijdelijk zonder werk. Hij zou het ‘volgende maand dubbel doen’.

Dat dubbele is nooit gekomen.

In het begin maakte ik er geen groot punt van. Ik wilde niet dat elk contact over geld zou gaan. Daan hoorde al genoeg spanning in mijn stem als ik Kevin belde. Ik stuurde appjes, eerst vriendelijk, daarna zakelijker. Ik maakte zelfs een overzichtje van wat er openstond, alsof ik een factuur stuurde naar iemand die ik niet kende.

Kevin reageerde een keer: ‘Je doet alsof ik een pinautomaat ben.’

Daar heb ik een hele middag van lopen trillen. Niet omdat het zo’n briljante opmerking was, maar omdat ik ineens dacht: hij ziet niet wat er allemaal betaald moet worden. Hij ziet Daan met een nieuwe jas en denkt misschien dat ik het wel voor elkaar heb. Hij ziet niet dat die jas van Vinted komt, dat ik zelf al een jaar dezelfde winterjas draag en dat ik soms pas eet als Daan in bed ligt, omdat ik dan minder trek heb van de stress.

In januari ging mijn energierekening omhoog. Niet gigantisch, zei iedereen, want ik had nog een redelijk contract. Maar bij mij was alles al op het randje. De huur, zorgverzekering, telefoon, schoolbijdrage, boodschappen. Ik had geen ruimte meer waarin iets omhoog kon zonder dat er ergens anders iets af moest.

Ik heb toen de kinderbijslag apart gezet voor Daan zijn kleding en schoenen. Dat was mijn plan. Twee weken later moest ik er toch een deel van gebruiken voor de tandartsrekening die ik zelf niet helemaal vergoed kreeg. Ik weet nog dat ik in de supermarkt bij de kassa stond met een pak wasmiddel, brood, melk en mandarijnen. De cassière zei het bedrag en ik vroeg haar, veel te hard, of ze het wasmiddel eraf wilde halen.

Daan keek naar mijn mandje en zei: ‘Mam, we hebben toch nog van die pods?’

Ik zei ja, terwijl ik wist dat er thuis nog precies drie waren.

Mijn zus Marije wist wel dat het niet lekker liep, maar ik vertelde haar nooit de echte cijfers. Als zij vroeg hoe het ging, zei ik: ‘Druk, maar prima.’ Zij heeft een koopwoning met haar man en twee salarissen. Ze is lief, echt, maar ik wilde niet dat ze me ging aankijken met die bezorgde blik. Of erger: dat ze zou zeggen dat ik eerder had moeten aankloppen.

De dag dat ik de envelop van de gemeente opendeed, stond ik in de keuken met mijn jas nog aan. Het was een brief over de gemeentelijke belastingen. Ik had die aanslag wel verwacht, maar niet dat bedrag. Ik heb hem op het aanrecht gelegd, water opgezet en vervolgens vergeten het gas uit te doen. De pan stond droog te koken. Daan kwam beneden en zei: ‘Mam, het stinkt hier raar.’

Toen ben ik naar de badkamer gegaan, heb ik de deur op slot gedaan en heel stil gehuild. Niet netjes, niet filmachtig. Gewoon met mijn hand tegen mijn mond omdat ik niet wilde dat hij het hoorde.

Die middag heb ik mijn leidinggevende gevraagd of ik extra uren kon krijgen. Ze keek in het rooster en zei dat ze het zou proberen, maar er waren op dat moment weinig open diensten. Bovendien kon ik niet ineens iedere avond werken. Daan kan niet alleen thuisblijven en oppas kost ook geld. Mijn moeder woont in Drenthe en heeft zelf slechte knieën. Kevin vroeg ik niet eens meer. Ik wist al wat hij zou zeggen: dat hij ook moest werken.

Een collega, Fatima, zag dat ik de hele pauze naar mijn telefoon zat te staren. Ik vertelde haar uiteindelijk meer dan ik van plan was. Niet alles, maar genoeg.

Ze zei: ‘Heb je al gekeken waar je recht op hebt? Bij de gemeente? Misschien kwijtschelding of een regeling.’

Ik zei meteen dat ik gewoon werk.

‘Dat kan,’ zei ze. ‘Juist dan soms. Je hoeft niet eerst helemaal kopje-onder te gaan.’

Die zin bleef irritant lang in mijn hoofd hangen.

Thuis heb ik, nadat Daan sliep, op de website van de gemeente gekeken. Ik snapte er eerst bijna niets van. Aanvullende bijstand, bijzondere bijstand, minimaregelingen, inkomenstoets. Ik voelde me dom, terwijl ik helemaal niet dom ben. Ik kan zorgplannen lezen, roosters uitpluizen en een lekkage melden bij de woningbouw zonder dat ze me afschepen. Maar formulieren over mijn eigen geld maakten me misselijk.

De volgende ochtend heb ik toch gebeld. Mijn stem klonk vreemd toen ik zei dat ik wilde weten of ik misschien in aanmerking kwam voor hulp. De vrouw aan de telefoon bleef rustig. Ze zei niet dat ik had gefaald. Ze zei alleen dat ik een afspraak kon maken met iemand van het sociaal wijkteam en dat ik mijn loonstroken, huurcontract, bankafschriften en toeslagenoverzicht mee moest nemen.

Ik schaamde me nog steeds toen ik daar zat, met een mapje dat ik de avond ervoor had gemaakt. Alsof ik voor een examen kwam waarvoor ik te laat was begonnen. De consulent heette Sanne. Ze vroeg waar de kinderalimentatie bleef en ik voelde meteen de neiging om Kevin te verdedigen.

‘Hij heeft het ook niet makkelijk,’ hoorde ik mezelf zeggen.

Sanne knikte alleen. Daarna zei ze: ‘Dat kan allebei waar zijn. Maar de kosten voor Daan verdwijnen niet omdat zijn vader tijdelijk niet betaalt.’

Ze hielp me met een aanvraag voor kwijtschelding van een deel van de gemeentelijke belastingen en keek mee naar mijn toeslagen. Blijkbaar kon ik mogelijk huurtoeslag en zorgtoeslag opnieuw laten berekenen, omdat mijn inkomen was veranderd door minder uren. Ze vertelde ook dat ik bij het LBIO informatie kon opvragen over het innen van achterstallige alimentatie. Alleen al dat woord, innen, maakte mijn buik strak. Het voelde alsof ik de vader van mijn kind officieel als tegenstander neerzette.

Ik heb die stap nog niet gezet. Daar ben ik eerlijk in. Kevin en ik moeten zondag samen bij Daan zijn voetbalwedstrijd staan. Ik zie hem dan langs de lijn, met zijn koffie en zijn veel te harde aanwijzingen. Een deel van mij wil zeggen dat ik alles ga regelen. Een ander deel hoopt nog steeds dat hij uit zichzelf zegt: ‘Ik maak het vandaag over.’

De aanvraag ligt nu bij de gemeente. Ik weet niet wat er precies uitkomt en wanneer. De energierekening ligt nog steeds op tafel, met een geel plakbriefje erop. Maar ik heb gisteren wel boodschappen gedaan zonder bij de kassa iets terug te hoeven leggen. Niet veel bijzonders: pasta, gehakt, komkommer, yoghurt en een pak van die pods.

Daan zag ze in het tasje en zei: ‘Zie je wel, we hadden er bijna geen meer.’

Ik heb gelachen alsof dat het enige was waar ik me zorgen om maakte.