Na dertig zomers in Frankrijk durfde ik eindelijk te zeggen dat ik niet meer mee wilde
De aanbetaling moest uiterlijk die vrijdag overgemaakt zijn. Ik weet dat nog omdat ik die ochtend bij de keukentafel zat met een kop thee die koud was geworden, terwijl Ruud op zijn telefoon naar foto’s van een zwembad keek.
Het was een villa in de Dordogne, volgens Frank. Geen huisje dit keer, geen oude boerderij met een lekkende douche en een keuken waar je met acht mensen tegelijk tegen elkaar aan stond te botsen. Dit was iets bijzonders. Zes slaapkamers, een buitenkeuken, airco, een pooltafel in de kelder. En twee weken, niet tien dagen zoals we de laatste jaren deden.
“Kijk dan, Els,” zei Ruud. “Iedereen kan daar gewoon een beetje zijn eigen gang gaan. Dat is toch juist fijn?”
Ik zei niets. Op die foto’s zag ik vooral twaalf stoelen rond een lange tafel.
We gaan al sinds 1993 met dezelfde groep weg. Eerst waren we met z’n achten: Ruud en ik, Frank en Marja, Pieter en José, en Henk en Lia. De kinderen waren klein, dus toen huurden we simpele gîtes met een zandbak of een gammel opzetzwembad. We reden in colonne, met walkietalkies die het meestal niet deden. Iedereen had een koelbox op schoot en bij elke péage raakte wel iemand de rest kwijt.
Ik vond het toen echt leuk. Of in elk geval: ik denk dat ik het leuk vond. Er was altijd gedoe, maar op een lichte manier. Wie de rosé was vergeten, wie de route verkeerd had gelezen. De kinderen speelden tot laat buiten en wij zaten met plastic bekers onder een lamp waar wespen omheen bleven vliegen.
Later werden de kinderen groot en gingen ze niet meer mee. De vakanties bleven. De spelletjes ook. De boodschappenploeg op zaterdag. De vaste avond waarop Frank voor iedereen entrecote bakte en vervolgens drie kwartier vertelde hoeveel beter vlees in Frankrijk was. De ochtendwandeling waar ik nooit aan meedeed, maar waar altijd over werd gepraat alsof er iets belangrijks besloten was.
Ruud is sinds drie jaar met pensioen. Hij heeft het goed naar zijn zin, echt wel. Hij golft op dinsdag, helpt af en toe zijn oude collega met administratie en past op onze kleindochter als onze dochter late dienst heeft. Maar die vriendengroep is voor hem iets stevigs. Iets dat niet veranderd is nu werk weggevallen is, kinderen hun eigen leven hebben en je agenda ineens niet meer vanzelf volloopt.
Bij mij is het anders gegaan. Ik ben vorig jaar gestopt bij de bibliotheek. Niet helemaal uit eigen keuze; de vestiging fuseerde en ik had geen zin meer om nog naar de andere kant van de stad te fietsen voor minder uren. Sindsdien merk ik hoeveel behoefte ik heb aan stilte. Niet de stilte van verdriet of leegte, al is die er soms ook. Gewoon een dag waarop ik niet hoef uit te leggen waarom ik geen wijn wil, geen kaartspel wil doen en niet mee wil naar een marktje waar we al vier keer geweest zijn.
In Frankrijk word ik om half negen wakker van stemmen op het terras. Als ik later kom ontbijten, is er altijd wel iemand die zegt: “Zo, ook weer wakker?” Als ik een boek pak, vraagt Marja na tien minuten wat ik lees. Als ik een middag alleen naar een dorpje wil, vraagt Ruud of ik niet gewoon met de rest mee wil. Niet boos. Meer alsof hij oprecht niet begrijpt waarom ik vrijwillig apart zou willen zijn.
En ik doe dan meestal gewoon mee. Omdat het makkelijker is. Omdat Lia dan zegt dat we toch maar twee weken per jaar allemaal samen zijn. Omdat ik weet dat Ruud zichtbaar opleeft als iedereen lacht om een flauw verhaal van Pieter.
Maar vorig jaar, in de Ardèche, kreeg ik op de negende dag een soort kortsluiting. We zaten aan het meer. Iedereen wilde waterfietsen, behalve ik. Ik zei dat ik graag even onder een boom wilde zitten. José keek me aan en vroeg of ik soms niet lekker was. Ik zei nee, maar ik voelde tranen opkomen om iets wat zo onbenullig was dat ik me ervoor schaamde.
Ruud kwam later naast me zitten en zei: “Je hoeft niet zo moeilijk te doen, Els. Ze bedoelen het goed.”
Dat zinnetje bleef hangen. Niet omdat hij gemeen wilde zijn. Ruud kan juist heel zorgzaam zijn. Maar ik dacht: als ik alleen wil zitten en dat wordt moeilijk doen, wanneer mag ik dan wel gewoon mezelf zijn?
Toen die villa in de groepsapp kwam, reageerde iedereen binnen een uur met duimpjes en enthousiaste berichten. Marja had al gezien dat er een broodbezorgservice in de buurt zat. Frank stelde voor om één gezamenlijke pot te maken voor boodschappen. Ruud stuurde een foto van een fles crémant met: ‘Dit wordt genieten.’
Ik heb drie dagen gewacht voordat ik tegen hem zei dat ik niet mee wilde.
Hij stond aardappels te schillen. Hij schilt altijd veel te dik, maar ik heb daar nooit iets van gezegd.
“Niet mee?” vroeg hij.
“Niet twee weken. Eigenlijk helemaal niet, Ruud. Ik zie het gewoon niet meer zitten.”
Hij legde het mes neer. “Maar we hebben het er toch over gehad?”
“Jij hebt erover gepraat. Ik heb meestal ja gezegd. Dat is iets anders.”
Dat was niet eerlijk geformuleerd. We hadden het er wel over gehad. Ik had alleen nooit duidelijk genoeg gezegd hoe erg ik ertegenop zag. Ik had gemopperd over de hitte, over te weinig privacy, over Frank die om zes uur ’s ochtends al stoelen reserveerde bij het zwembad. Kleine dingen. Ruud kon onmogelijk raden dat het bij mij inmiddels zo hoog zat.
Hij werd stil en zei uiteindelijk: “Wat moet ik dan zeggen? Iedereen rekent op ons. Op mij ook. Als ik alleen ga, vinden ze daar wat van.”
Daar zat het dus. Niet alleen dat hij mij zou missen. Hij was bang voor het verhaal dat er over ons zou ontstaan.
Een paar dagen later belde Lia. Ze zei dat ze het raar vond dat ik nog niet in de app had gereageerd. Ik had net de was opgehangen en stond met een natte sok in mijn hand.
“Is er iets aan de hand?” vroeg ze. “Tussen jou en Ruud, bedoel ik? Want hij doet ook een beetje vaag.”
Ik voelde meteen irritatie, terwijl zij waarschijnlijk bezorgd was. Ik zei dat er niets dramatisch was, dat ik gewoon niet mee wilde. Aan de andere kant bleef het even stil.
“Maar waarom niet?” zei ze toen. “We kunnen toch rekening met je houden? Je hoeft echt niet overal aan mee te doen.”
Dat klonk lief. Toch moest ik ervan huilen nadat ik had opgehangen. Niet omdat Lia iets verschrikkelijks had gezegd, maar omdat ik niet wilde dat twaalf mensen rekening met mij moesten houden in een villa waarvoor ze duizenden euro’s hadden neergelegd. Ik wilde niet de vrouw worden voor wie het programma aangepast moest worden. Ik wilde gewoon thuis zijn. Een paar dagen naar de Waddeneilanden misschien, met een klein huisje en mijn eigen ontbijt om elf uur.
Ruud gaat nu waarschijnlijk alleen. De aanbetaling is gedaan; hij heeft uiteindelijk gezegd dat ik dit jaar oversla en dat hij later aansluit als mijn dochter met haar gezin een week komt. Of dat echt zo gaat, weet ik nog niet. Frank heeft voorgesteld dat een van zijn zoons mijn plek overneemt. Praktisch opgelost, zou je zeggen.
Maar sinds dat besluit is het thuis soms stroef. Ruud kijkt nog steeds naar filmpjes van die villa. Ik zie hem soms een bericht typen in de groepsapp en weer wissen. Gisteren vroeg hij of ik het erg zou vinden als hij volgend jaar ook alweer wilde boeken.
Ik zei: “Daar hoef je nu toch nog niet over na te denken.”
Dat was ontwijken, dat weet ik. Maar ik kon op dat moment niet opnieuw de enige zijn die iets kapotmaakte. Buiten begon het te regenen, zo’n dunne regen die het terras vies maakt zonder dat de planten er echt van opknappen. Ik ben naar buiten gegaan om de was alsnog van de lijn te halen. Ruud kwam niet helpen. Misschien had hij het niet gezien. Misschien ook wel.