Na een jaar in ons huis zei ik tegen mijn zoon dat hij weg moest, en mijn vrouw kijkt me sindsdien anders aan
De tuinkabouter stond afgelopen zondag voor het eerst in maanden weer rechtop. Dat klinkt misschien belachelijk als begin van dit verhaal, maar ik weet nog dat ik hem overeind zette terwijl binnen mijn vrouw huilde en mijn zoon boven met deuren sloeg.
Die kabouter was omgevallen toen Bas hier net woonde. Een jaar geleden inmiddels. Hij was toen 38, net gescheiden van Lotte en hij moest zijn huurwoning uit omdat hij die alleen niet kon betalen. Er was gedoe met de borg, met een achterstand, met spullen die verdeeld moesten worden. Je kent het wel: ineens is een volwassen leven geen stevig ding meer, maar een stapel verhuisdozen bij elkaar gehouden met tape.
Mijn vrouw Anja zei meteen dat hij bij ons kon komen. Ik ook, eigenlijk. Zo wil je toch zijn als ouders. We wonen ruim, vrijstaand aan de rand van een dorp in Overijssel. Boven hebben we twee kamers die sinds Bas en zijn zus Marije uit huis zijn eigenlijk vooral opslag waren geworden. Een oude hometrainer, kerstspullen, administratie waarvan ik niet weet waarom we die nog bewaren.
We spraken wel regels af. Bas zou driehonderd euro per maand bijdragen zolang hij werk had. Hij werkt als planner bij een transportbedrijf, dus dat was geen probleem. Hij zou zelf koken op twee avonden in de week, zijn eigen was doen, meehelpen in de tuin en actief zoeken naar een plek voor zichzelf. Niet per se meteen een huis met een tuin, zoals hij met Lotte had gehad. Gewoon een appartement, een studio, desnoods tijdelijk iets via anti-kraak. Hij schreef het allemaal zelfs op in zijn telefoon.
De eerste maanden ging het redelijk. Bas maaide het gras, haalde soms boodschappen en kookte verrassend goed. Hij maakte een grote pan chili waar we drie dagen van aten. Anja fleurde op van hem in huis, denk ik. Na haar pensionering had ze moeite met lege dagen, al zou ze dat zelf nooit zo noemen. Ze ging ineens weer uitgebreid koken en kocht speciaal zijn favoriete yoghurt.
Maar ongemerkt veranderde het.
Bas ging later eten. Wij eten meestal rond half zes, al jaren. Hij kwam om kwart voor zes binnen, gooide zijn tas op de bank en vroeg dan: ‘Is er nog wat?’ Alsof hij zestien was en terugkwam van voetbaltraining. Als hij thuiswerkte, zat hij tot laat in de ochtend in zijn kamer. Zijn was hing dagenlang op het rek in de bijkeuken. Niet omdat hij geen tijd had, maar omdat hij er gewoon langs liep.
De driehonderd euro kwam soms op de vijfde, soms op de achttiende. Een keer helemaal niet, omdat hij ‘een tegenvaller met de auto’ had. Die auto stond vervolgens wel iedere zaterdag gewassen op de oprit. Hij bestelde eten via een app en liet lege bakjes op zijn bureau staan. Anja ruimde die uiteindelijk op. Ik zag haar dat doen en zei niks, wat achteraf misschien ook laf was.
Ik ben 69. Anja is 67. We hadden plannen. Niet groots. Met de caravan in september naar Drenthe, doordeweeks fietsen als het rustig is, een paar dagen naar mijn broer in Zeeland. Vooral gewoon niet meer hoeven leven volgens andermans schema. Maar ineens hielden we rekening met Bas. Of hij mee-at. Of hij de auto nodig had. Of we zacht konden zijn omdat hij uitsliep na een vrijdagavond met collega’s.
Het ergste vond ik niet eens het geld of de rommel. Het was dat ik me in mijn eigen huis begon af te vragen of ik iets wel kon zeggen.
Als ik vroeg of hij die middag de heg wilde snoeien, zei hij: ‘Ja, doe ik straks.’ Straks betekende meestal niet die dag. Als ik daar iets van zei, werd hij kortaf. Dan keek Anja naar mij met die blik van: laat hem nou, hij heeft al genoeg aan zijn hoofd.
Maar wat had hij dan precies aan zijn hoofd? Hij werkte, hij had vrienden, hij ging naar de sportschool. Zijn scheiding was rot geweest, daar twijfel ik niet aan. Lotte was degene die wilde stoppen, en Bas heeft dat veel harder gevoeld dan hij ooit toegaf. Maar na een jaar kun je niet meer alles onder die scheiding schuiven. Dat zei ik op een avond tegen Anja aan de keukentafel.
Ze zat aardappels te schillen voor de volgende dag. Alsof we nog in een groot gezin leefden.
‘Hij krabbelt toch weer op?’ zei ze.
‘Hij hoeft niet op te krabbelen, Anja. Wij vangen alles op.’
‘Hij heeft geen plek.’
‘Hij zoekt ook niet echt.’
Ze legde het mes neer en keek me aan. ‘Jij weet niet hoe het is om als man van bijna veertig weer bij je ouders te wonen.’
Dat vond ik een vreemde opmerking. Ik ben ook ooit veertig geweest, maar goed. Ik zei dat ik juist daarom wilde dat hij weer zelfstandig werd. Niet omdat ik hem weg wilde hebben. Omdat ik niet wilde dat dit zijn leven werd.
Zij hoorde alleen dat ik hem weg wilde hebben.
Begin vorige maand heb ik Bas na het eten gevraagd even te blijven zitten. Ik had er de hele dag buikpijn van gehad. Ik zei dat hij vóór 1 juli iets anders moest regelen. We zouden helpen zoeken, eventueel borg voorschieten als dat nodig was, maar hij moest weg uit ons huis.
Hij keek eerst alsof ik een grap maakte.
Toen zei hij: ‘Dus jullie zetten me eruit?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik zeg dat deze tijdelijke oplossing stopt.’
Hij lachte heel kort, zonder humor. ‘Makkelijk praten als je een huis hebt dat bijna afbetaald is.’
Daar zat iets in, dat weet ik. De woningmarkt is krankzinnig. Voor wat hij kan betalen krijg je hooguit een kleine huurwoning als je überhaupt aan de beurt komt. Maar hij verwachtte ondertussen wel dat wij onbeperkt beschikbaar bleven omdat wij ruimte hadden.
Anja zei die avond bijna niets. Pas in bed zei ze: ‘Je had het met mij moeten bespreken voordat je een datum noemde.’
Ik zei dat we het al een halfjaar bespraken, alleen nooit tot een besluit kwamen. Dat was niet het juiste antwoord.
Afgelopen zondag kwamen Marije en haar man met de kinderen koffie drinken. Bas zat erbij, nors al vanaf de ochtend. De kleinkinderen renden door de tuin. Anja had appeltaart gebakken, veel te veel zoals altijd.
Marije vroeg luchtig hoe het met het zoeken ging. Bas zei: ‘Pap heeft besloten dat ik per juli op straat moet.’
Dat is natuurlijk niet wat ik gezegd had, maar iedereen keek meteen naar mij.
Anja werd wit. Marije zei dat het misschien verstandig was als Bas tijdelijk iets kleiner accepteerde. Haar man zei niks, heel verstandig waarschijnlijk. Bas begon over dat ik nooit begreep hoe moeilijk zijn scheiding was geweest. Over dat ik hem altijd al lui had gevonden. Dat laatste raakte me meer dan ik wilde laten merken.
Ik zei dat hij geen jongen meer was. Dat ik van hem hield, maar dat liefde niet betekende dat wij zijn koelkast vulden, zijn kamer schoonhielden en ons hele leven stilzetten.
Toen zei Anja, met tranen in haar ogen: ‘Hij is wel onze zoon.’
Alsof ik dat vergeten was.
Bas is daarna vertrokken. Niet voorgoed, denk ik. Hij kwam die avond laat terug en we hebben elkaar maandag alleen goedemorgen gezegd. Anja praat tegen mij, maar anders. Voorzichtiger misschien. Of ik beeld me dat in.
Gisteren stuurde Bas een link naar een appartement in Hengelo. Twee kamers, derde verdieping, geen balkon, huur waar hij van schrok. Hij vroeg of ik mee wilde kijken naar de cijfers. Ik heb teruggestuurd dat ik vanavond na het eten tijd heb.
Anja las het bericht over mijn schouder en zei alleen: ‘Dat is wel erg klein.’
Ik zei niets. Daarna heb ik buiten de tuinkabouter weer rechtop gezet en ben ik de heg gaan snoeien die Bas vorige zomer nog zou doen.