Ik schaamde me ineens voor onze vakantieplannen, terwijl mijn man alleen maar aan de kleinkinderen dacht

Afgelopen dinsdag stond ik in de Albert Heijn met mijn telefoon tegen een pak koffie aan gedrukt, omdat ik het berichtje in onze groepsapp nog een keer wilde lezen zonder dat iemand mij aansprak.

‘Le Clos du Cèdre is bevestigd als iedereen akkoord is. Zes suites, privézwembad, ontbijtservice. Ik heb een optie tot vrijdag. Komt neer op 3.850 per stel voor de week, exclusief reis en diners.’

Daaronder stonden meteen hartjes van Marjan en Theo, een duimpje van Els, en een foto van Karel met een glas rosé op een terras van vorig jaar. Ik had niets gestuurd. Mijn karretje stond half in de weg met wc-papier, kattenbrokjes en een bos tulpen die ik opeens onzin vond.

We gaan al ruim dertig jaar met dezelfde groep weg. Niet ieder jaar vanaf het begin, want vroeger hadden we kleine kinderen en zaten we in een stacaravan bij Lac de Vassivière. Maar sinds iedereen wat meer ruimte kreeg, werd het een vaste week in Frankrijk. Meestal in juni. Zes stellen, altijd ongeveer dezelfde verdeling van kamers, altijd iemand die de wijn regelt en iemand die bijhoudt wie de tol heeft betaald.

Het klinkt misschien overdreven, maar die vakantie is een soort bewijs geworden dat we elkaar nog hebben. Onze kinderen wonen verspreid, sommigen zijn gescheiden, Theo heeft een bypass gehad, Els zorgt steeds meer voor haar moeder. Maar één week per jaar zijn we weer gewoon wij: ontbijten op een terras, naar een marktje, veel te lang tafelen, ruzie maken over welke route mooier is en daarna toch allemaal dezelfde weg rijden.

Mijn man Bas was altijd degene die als eerste zei: ‘Doe maar, één keer per jaar moet je niet moeilijk doen.’ Hij werkte bij een installatiebedrijf, eerst in de buitendienst en later als planner. Geen topbaan, wel altijd hard gewerkt. Ik heb jarenlang op een middelbare school de administratie gedaan. We hebben het niet slecht. Ons huis is afbetaald, we hebben pensioen, we hoeven niet op een houtje te bijten.

Maar sinds onze oudste dochter, Sanne, vorig najaar vertelde dat zij en haar vriendin misschien uit elkaar zouden gaan, is Bas veranderd in hoe hij naar geld kijkt. Niet helemaal ineens, maar toch merkbaar. Sanne woont met onze twee kleinkinderen in een huurwoning in Utrecht. Ze redt zich, zegt ze altijd. Alleen Bas hoort in dat ‘ik red me wel’ blijkbaar iets anders dan ik.

Hij heeft een spaarrekening geopend waar elke maand geld naartoe gaat. ‘Voor later,’ zei hij. ‘Voor als die meiden willen studeren. Of als Sanne een keer echt klem zit. Niet om haar afhankelijk te maken, maar zodat we iets kunnen doen zonder zelf in paniek te raken.’

Ik vond dat eigenlijk mooi. Onze kleindochter Noor is negen en roept nu al dat ze dierenarts wil worden, terwijl ze flauwvalt als de kat een dode muis meebrengt. Feline is zes en spaart alles wat glimt. Natuurlijk wil je iets voor ze achterlaten.

Alleen is Bas daarin de laatste maanden erg streng geworden. Hij vergelijkt energierekeningen, neemt koffie mee in een thermos als we een dag weggaan en heeft voorgesteld onze tweede auto weg te doen. Daar was ik niet blij mee. Ik vind het fijn om gewoon zelf naar mijn zus in Amersfoort te kunnen rijden zonder eerst te vragen waar hij is.

Toen het vakantiebericht kwam, zei hij vrijwel meteen dat hij niet mee wilde naar dat resort.

‘Vierduizend euro voor een week, Anja. En dan zijn we nog niet eens onderweg geweest.’

Ik zei dat het zes jaar geleden ook niet goedkoop was geweest.

‘Nee, maar toen kostte het niet bijna een halve kleine auto.’

Dat is typisch Bas. Als hij iets wil afkeuren, maakt hij er een vergelijking van waar ik niets tegenin kan brengen, terwijl ik hem eigenlijk vooral irritant vind.

Ik stelde voor dat we iets goedkoper konden kiezen in dezelfde streek. Of minder lang gaan. Maar Karel had al laten doorschemeren dat dit nu juist zo’n ‘mooie laatste kans’ was. Hij wordt 65, stopt volgend voorjaar met zijn bedrijf en wilde het graag groots doen. Marjan schreef: ‘Jongens, we hebben hier toch ons hele leven voor gewerkt?’

Daar zat precies mijn ongemak. Ik begreep haar ook. We hebben allemaal jaren opgepast, gewerkt, verbouwd, kinderen geholpen met rijlessen en studies. Je kijkt uit naar een fase waarin je niet meer steeds hoeft te rekenen. Bovendien: als wij afhaken, verandert de groep. Dan zijn we geen zes stellen meer. Dan moeten zij misschien ook opnieuw zoeken of duurdere kamers verdelen. Dat werd niet letterlijk gezegd, maar ik voelde het wel.

Bas stuurde uiteindelijk in de app: ‘Wij slaan Le Clos over. Prachtige plek, maar voor ons past dit bedrag niet. Misschien kunnen we later in de zomer iets eenvoudigers met wie daar zin in heeft.’

Het bleef bijna drie uur stil.

Daarna reageerde Theo met: ‘Jammer. Maar ieder zijn prioriteiten natuurlijk.’

Ik weet nog steeds niet waarom die zin me zo raakte. Misschien omdat hij netjes klonk en toch voelde alsof Bas kinderachtig werd gevonden. Alsof sparen voor kleinkinderen hetzelfde is als geen zin hebben om mee te doen.

Die avond aten we aardappels, sperziebonen en een slavink. Bas had de sperziebonen te lang gekookt, maar ik zei er niets van. Hij zat met zijn tablet op tafel en keek naar huisjes in de Dordogne die de helft kostten.

‘Kijk, dit is ook gewoon leuk,’ zei hij. ‘Zwembad, dorpje op tien minuten. We kunnen zelfs twee weken als we willen.’

Ik keek naar de foto’s. Het huisje was prima. Een beetje donker misschien. Bruine tegels, zo’n rieten lamp boven een houten tafel. Ik wist alleen meteen dat Marjan zou zeggen dat ze daar niet aan moest denken, met z’n twaalven in twee badkamers en zonder airco.

‘Je hoeft niet alles voor die kinderen opzij te zetten,’ zei ik. Harder dan ik bedoeld had.

Bas keek op. Niet boos, eerder moe.

‘Dat doe ik ook niet. Ik wil alleen niet doen alsof we onbeperkt geld hebben omdat anderen dat graag zo zien.’

Ik zei toen iets lelijks. Dat hij vroeger ook nooit naar bedragen keek als Karel iets voorstelde. Dat dit misschien meer over Sanne ging dan over de kleinkinderen. Hij knikte alleen maar en zei: ‘Dat zal best.’

Daar had ik nog meer moeite mee dan wanneer hij was gaan schreeuwen.

De volgende ochtend belde Els mij apart. Ze zei dat ze het snapte, echt waar, maar dat Karel dit belangrijk vond en dat het zo jammer was als ‘geld ineens tussen ons in kwam te staan’. Ik hoorde mezelf zeggen dat Bas gewoon voorzichtig was geworden. Zij zei: ‘Maar jullie kunnen het toch betalen?’

Ja, dat kunnen we. Dat is het lastige. We kunnen het betalen, alleen Bas wil het niet meer vanzelfsprekend betalen. En ik wist niet hoe ik moest uitleggen dat dat verschil thuis inmiddels groter voelde dan die hele vakantie.

Vrijdag loopt de optie af. Ik heb in de groepsapp nog steeds niets gezet. Bas heeft vanavond een huisje gevonden bij Sarlat en wil het boeken, voor ons tweeën, in september. Hij zegt dat we dan eindelijk eens niet hoeven te overleggen over restaurantkeuzes, wie er rijdt en hoe laat iedereen weg wil.

Ik heb gezegd dat ik erover nadenk.

De tulpen van dinsdag staan nu slap in de vaas. Vanmorgen stuurde Marjan een herinnering met drie champagne-emoji’s. Bas was in de schuur bezig met een oude kinderfiets die hij via Marktplaats had gekocht voor Feline. Ik hoorde hem het belletje testen, steeds opnieuw, alsof dat het enige was waar hij zich op dat moment druk over hoefde te maken.