Mijn man wil pas verhuizen als het niet meer anders kan, maar ik ben bang dat ik dan niet meer kan kiezen
Ik heb vorige week drie dagen gewacht voordat ik de brochure van dat appartementencomplex op tafel durfde te leggen. Hij lag in mijn tas, tussen een oude kassabon van de Plus en mijn fysiotherapie-afspraakkaart. Alsof het iets stiekems was.
Het ging om De Lindehoek in Amersfoort. Nieuwbouw, luxe huurappartementen voor ouderen, met een lift, brede gangen, een huismeester en beneden een koffieruimte waar blijkbaar ook yogalessen en kaartmiddagen zijn. Ik weet dat zoiets voor sommige mensen klinkt als een soort wachtkamer. Voor mij klonk het vooral als: geen trap meer, geen tochtige bijkeuken, geen nacht wakker liggen omdat ik hoor dat het hard waait en er misschien een dakpan loszit.
Henk keek er nog geen minuut naar.
“Daar ga ik toch niet zitten?” zei hij. “Tussen mensen die de hele dag over hun medicijnen praten.”
Hij schoof de brochure van zich af alsof ik hem een folder van een uitvaartondernemer had gegeven.
We wonen nu ruim vijfendertig jaar in een vrijstaand huis aan de rand van ons dorp, in de buurt van Nijkerk. Toen we het kochten, was het eigenlijk veel te groot voor ons. De kinderen waren klein, ik werkte drie dagen in de administratie bij een installatiebedrijf en Henk reed nog overal heen voor zijn werk. We hadden plannen genoeg. De serre, de schuur, de tuin. Het meeste daarvan is er ook gekomen, alleen niet altijd zoals we hadden bedacht.
Onze zoon woont in Zwolle, onze dochter in Utrecht. Ze komen geregeld, echt wel, maar ze hebben hun eigen leven. Ik wil ook helemaal niet zo’n moeder worden die doet alsof haar kinderen tekortschieten omdat ze niet elke zondag aan tafel zitten.
Alleen: een groot huis wordt niet kleiner omdat je kinderen uitvliegen. Het wordt groter.
Henk is negenenzestig en nog zo fit als een hoentje, zoals hij zelf zegt. Hij staat om half acht buiten, zomer én winter. Hij heeft achter het huis een moestuin waar hij veel te veel tijd in stopt en waar vervolgens ook veel te veel courgettes uit komen. Sinds zijn pensioen doet hij bovendien vrijwilligerswerk bij het dorpshuis. Hij regelt daar de zaalindeling, opent en sluit af en repareert tussendoor van alles wat eigenlijk door iemand anders gedaan zou moeten worden.
Iedereen kent Henk. Als we door het dorp fietsen, duurt een boodschap bij de bakker soms drie kwartier omdat hij met vijf mensen moet praten.
Ik gun hem dat. Ik meen het. Maar ik ben niet meer degene die zonder nadenken achter op de fiets springt of even naar boven loopt om iets te pakken. Sinds twee jaar heb ik artrose in mijn heupen en onderrug. Niet dramatisch, zei de huisarts. En dat is ook zo, ik kan nog veel. Alleen kost alles me meer tijd. En energie. De trap doe ik met één hand aan de leuning, soms twee. De badkamer is boven. De wasmachine staat in de bijkeuken, met twee lage treden ertussen die vroeger nergens op sloegen en nu ineens een obstakel zijn.
Henk zegt dan: “Dan maken we toch iets beneden?”
Alsof je met een extra toilet ineens weer vrolijk wordt van een huis waarin je op elk moment kunt struikelen.
Het ergste vind ik niet eens mijn lijf. Het is de stilte. Henk is vaak weg of in de tuin, en ik zit dan in de kamer met het uitzicht op die enorme conifeer van de buren. Vroeger vond ik die rust heerlijk. Nu kan een middag soms zo lang duren dat ik blij ben wanneer de bezorger aanbelt, ook al heb ik niets interessants besteld.
Ik heb in het begin niet goed uitgelegd wat ik bedoelde. Dat zie ik nu wel in. Ik begon meteen over verkopen, over overwaarde, over hoe huizenprijzen niet eeuwig blijven stijgen en wat goede particuliere zorg later kost. Dat zijn dingen waar ik ’s nachts over pieker. Niet omdat ik dood wil praten, zoals Henk zegt, maar omdat ik bang ben dat we pas gaan nadenken wanneer er al iets gebeurd is.
Mijn moeder viel op haar eenentachtigste in de badkamer. Daarvoor zei ze ook altijd dat ze nooit uit haar huis weg zou gaan. Na die val ging het snel. Eerst thuiszorg, toen revalidatie, daarna een plek zoeken waar eigenlijk geen plek was. Mijn broer en ik hebben toen alles moeten beslissen: wat er mee mocht, wat weg kon, welke kast naar de kringloop ging. Mijn moeder zat erbij en zei bijna niets. Daar ben ik nog steeds niet goed van.
Henk kent dat verhaal natuurlijk. Hij was er toen ook bij. Maar hij zegt dat wij niet mijn moeder zijn.
“Jij doet alsof ik morgen omval,” zei hij vorige maand, toen het weer hoog opliep.
Ik zei: “Nee, jij doet alsof we altijd kunnen wachten.”
Dat was hard, en meteen daarna werd het zo stil dat ik liever had gehad dat we ruzie maakten. Hij stond bij het aanrecht, met zijn hand op de rand. Ik zag aan zijn gezicht dat hij boos was, maar ook gekwetst. Henk is niet goed met gevoelens. Hij gaat dan de schuur in of hij begint ergens aan te klussen. Die middag heeft hij een scharnier van het tuinhek vervangen dat volgens mij nog prima was.
Later zei hij dat ik alles wat hij mooi vindt als een probleem behandel. De tuin. Het huis. De ruimte. Zijn vrijwilligerswerk. Hij zei dat hij niet in een appartement wil zitten waar hij alleen nog maar naar beneden kan kijken op mensen met rollators.
Ik moest toen bijna lachen, maar het was geen grappige opmerking. Want ik snap het wel. Dit huis is voor hem niet alleen stenen en een hypotheek die allang is afgelost. Hij heeft eigenhandig de overkapping gebouwd. Hij heeft de appelboom geplant toen onze kleindochter Noor werd geboren. Hij weet precies welke plek in de tuin in april het eerst droog is.
En eerlijk is eerlijk: ik wil ook niet per se weg omdat ik De Lindehoek zo prachtig vind. Die appartementen zijn mooi, maar ze zijn ook strak en duur. Een parkeerplaats huur je apart. Een berging ook. Voor een appartement van nog geen honderd vierkante meter betaal je straks meer dan we nu per maand uitgeven, inclusief energie. Ik voel me soms schuldig dat ik ons huis, waar we zo lang voor gewerkt hebben, wil inruilen voor een lift en een koffiehoek.
Onze dochter Marloes vindt dat we tenminste moeten gaan kijken. Onze zoon Bas zegt dat we niet moeten doen alsof er al een ramp is. Precies tussen ons in dus. Dat helpt ook niet echt.
Vorige zondag liep ik met Henk naar de moestuin. Nou ja, hij liep. Ik deed mijn best hem bij te houden. Het had geregend en mijn schoenen zakten een beetje weg in het pad. Hij vertelde enthousiast dat de bonen dit jaar toch nog aansloegen. Ik keek naar zijn handen, zwart van de aarde, en dacht: hoe moet ik hem uitleggen dat ik niet wil dat hij dit opgeeft? Ik wil alleen niet dat hij later alles alleen moet dragen, inclusief mij.
Ik heb inmiddels een afspraak gemaakt bij een financieel adviseur in het dorp. Niet om ons huis morgen te koop te zetten. Gewoon om te horen wat verstandig zou kunnen zijn als we hier blijven, als we verbouwen, of als we over een paar jaar huren in de stad. Henk weet van die afspraak. Hij gaat mee, zei hij uiteindelijk, maar met de toevoeging dat luisteren iets anders is dan akkoord gaan.
Dat is ongeveer waar we nu zijn.
De brochure ligt nog steeds op de eettafel, onder een schaal met appels uit onze eigen tuin. Henk zegt er niets over. Vanmorgen vroeg hij wel of ik vanmiddag mee wilde naar het dorpshuis, omdat er een koffiemiddag is en hij daar toch moest openen.
Ik zei dat ik wel zou kijken hoe mijn heup was.
Hij knikte alleen, zette zijn laarzen bij de achterdeur en ging naar buiten. Daarna hoorde ik hem in de tuin rommelen, alsof er niets aan de hand was.