Na 34 jaar vriendschap wilde mijn beste vriend alleen nog bevriend blijven als wij anders gingen leven

Ik heb de eettafel van Koos en Marijke nog steeds scherp voor me. Een zware, donkere tafel waar wij elke donderdag aten, al zeker twintig jaar. Eerst met kleine kinderen die onder die tafel hutten bouwden, later met pubers die alleen voor het toetje kwamen opdagen, en de laatste jaren gewoon met z’n vieren. Soms soep en brood, soms veel te uitgebreide pasta, altijd wijn. Koos kookte alsof er een restaurantinspecteur in de straat woonde.

Mijn vrouw Els en ik waren niet van die mensen die honderd kennissen hebben. Koos en Marijke waren onze vaste mensen. De mensen die je belt als je moeder in het ziekenhuis ligt. Die zonder vragen een sleutel hebben, niet omdat dat praktisch is maar omdat het zo gegroeid is. Toen ik op mijn 54ste mijn baan bij de drukkerij verloor, kwam Koos de volgende ochtend met twee saucijzenbroodjes en een lijstje vacatures dat hij al had uitgeprint. Daar hoefden we verder ook geen grote woorden aan vuil te maken.

Dus toen Marijke vorig voorjaar zei dat ze “radicaal anders” wilden gaan leven, lachten Els en ik eerst een beetje. Niet gemeen. We dachten aan een moestuin, minder vliegen, misschien een elektrische auto. Koos had de laatste jaren al vaker filmpjes doorgestuurd over klimaatverandering, grondstoffen en hoe mensen in het Westen leefden alsof er geen morgen was. Ik was het vaak met de kern wel eens. We hebben zonnepanelen, eten minder vlees dan vroeger, ik fiets naar mijn werk bij de gemeente als het niet stortregent. Maar ik ga ook graag een week naar Frankrijk met de caravan. En ja, we hebben een vaatwasser en een droger. Ik schaam me daar niet dagelijks voor.

Het bleek geen fase. Ze hadden een plek gevonden in Portugal, in de buurt van Castelo Branco. Een soort gemeenschap op een stuk land, met twaalf volwassenen en een paar kinderen. Ze zouden in een lemen huisje wonen, grotendeels eigen groente verbouwen, geen auto meer hebben en bijna geen geld gebruiken. Ze verkochten hun rijtjeshuis in Amersfoort, de tweede auto, de meeste meubels. Koos ging vervroegd stoppen als installateur. Marijke zou online Nederlands geven, zei ze, “maar alleen als het echt nodig is”.

Ik vond het heftig, maar ook dapper. Els ook, denk ik. Zij zei: “Als zij daar gelukkig van worden, wie zijn wij dan?” We hielpen zelfs dozen naar de kringloop brengen. Koos gaf mij zijn boormachine. Een goede Makita. Ik weet nog dat ik daar onhandig blij mee was, terwijl hij vertelde dat bezit je bezit.

De sfeer veranderde pas echt in de weken voor hun vertrek.

Op een donderdag had Els zalm gehaald omdat Marijke daar altijd gek op was. Marijke keek ernaar en zei: “Ach, ja. We zijn allemaal nog onderweg.” Ze glimlachte erbij, maar ik voelde meteen hoe Els stiller werd. Alsof ze een kind was dat een onvoldoende terugkreeg.

Koos vertelde daarna dat ze hadden uitgerekend hoeveel CO2 hun oude leven kostte. Onze gezamenlijke vakanties naar Italië kwamen ook ter sprake. Hij noemde het geen verwijt, zei hij, maar een feit. “We kunnen niet blijven doen alsof gezelligheid buiten de werkelijkheid staat.”

Ik zei dat niemand dat deed. Dat we heus niet ontkenden wat er aan de hand was. Maar hij ging door. Over Schiphol, vlees, fast fashion, cruiseschepen. Dingen waar ik het grotendeels niet eens oneens mee was, maar aan tafel voelde het alsof ik verhoord werd. Els zei nauwelijks iets. Zij heeft een hekel aan ruzie, vooral met mensen van wie ze houdt.

Na die avond zei ze in de auto: “Ik wil niet meer eten alsof ik iets verkeerd doe.”

Dat vond ik een rotzin, juist omdat ik wist dat ze gelijk had.

Toen ze eenmaal in Portugal zaten, hielden we eerst goed contact. Videobellen op zondag. Foto’s van tomaten, een waterpomp die het niet deed, Koos met een veel te grote strohoed. Ze zagen er magerder uit, zongebruind, en eerlijk gezegd ook een beetje vermoeid. Marijke vertelde dat ze voor zonsopgang opstonden omdat het werk dan nog te doen was. Ik vroeg of ze gelukkig waren. Ze zei: “Geluk is niet meer zo relevant voor ons.” Daar wist ik niet goed op te reageren.

Afgelopen november kwamen ze een week terug voor familiebezoek. We hadden voorgesteld om bij ons te eten. Ik had expres vegetarisch gekookt. Linzencurry, naan uit de oven, salade. Ik dacht echt dat ik daarmee liet merken dat we hen serieus namen.

Na het eten zette Koos zijn glas water neer en zei dat ze iets wilden bespreken voordat de avond voorbij was. Ik kreeg direct dat nare gevoel in mijn buik dat je ook krijgt als de huisarts je opbelt en zegt dat je even langs moet komen.

Marijke zei dat ze onze vriendschap niet kwijt wilden. Maar dat het voor hen onmogelijk werd om nog heel hecht te zijn met mensen die “bewust doorgaan met een leefstijl die anderen de rekening laat betalen”. Ze zei het rustig, bijna zacht. Dat maakte het erger.

Ik vroeg wat ze dan concreet bedoelde.

Geen vliegvakanties meer. Geen vlees of vis meer. De caravan verkopen, want ook dat was volgens Koos een vorm van luxe die niet meer te verdedigen viel. Minder nieuw kopen. Onze bank, die we net hadden besteld omdat de oude letterlijk doorzakte, was ook ineens een onderwerp. En ze vonden dat we ons moesten aansluiten bij een actiegroep in onze woonplaats, niet alleen doneren of een petitie tekenen.

Els keek naar haar bord. Ik voelde dat ik rood werd.

“Dus als wij dat niet doen, zijn we geen goede vrienden meer?” vroeg ik.

Koos zei: “Niet op dezelfde manier. We kunnen niet doen alsof onze keuzes los van elkaar staan.”

Ik werd boos. Veel bozer dan ik vooraf had gedacht. Ik zei dat zij hun huis hadden verkocht op een overspannen woningmarkt en nu financieel ruim zaten, dat zij de vrijheid hadden om op een lap grond in Portugal bonen te verbouwen omdat hun kinderen volwassen waren en hun pensioen later toch wel kwam. Ik zei ook dat Marijke online lesgaf via internet en een laptop die blijkbaar niet uit de lucht was komen vallen. Flauw misschien, maar ik wilde dat ze ook even voelden hoe het was om beoordeeld te worden.

Marijke begon te huilen. Niet hard, niet dramatisch. Gewoon tranen die ze steeds met haar mouw wegveegde. Ze zei dat ik precies deed wat iedereen deed: één onvolkomenheid zoeken zodat je niets hoefde te veranderen.

Daar had ze misschien ook een punt. Dat is het vervelende.

Maar Els zei toen, heel helder: “Jullie mogen vinden dat wij te weinig doen. Maar jullie mogen niet van onze vriendschap een toelatingsexamen maken.”

Daarna werd het stil. Koos keek naar buiten, naar onze straat met de geparkeerde auto’s en de decemberverlichting die iemand te vroeg had opgehangen. Het was een gewone Nederlandse straat. Natte tegels, kliko’s, een bezorgscooter die langsreed. Ineens schaamde ik me er niet voor, maar ik voelde me er ook niet helemaal prettig meer in.

Ze zijn de volgende ochtend vertrokken. We hebben elkaar omhelsd, maar het was zo’n omhelzing waarbij je allebei al half naar de deur staat.

Sindsdien sturen we af en toe berichten. Een foto van hun oogst. Els die reageert met een hartje. Koos die vraagt hoe het met mijn knie is. Geen ruzie meer, maar ook geen gewone gesprekken. De donderdagavond bestaat niet meer. Soms eten Els en ik met de buren, soms kijken we gewoon televisie met een bord op schoot.

We eten inmiddels bijna geen vlees meer. Niet omdat Koos en Marijke dat geëist hebben, al speelt dat misschien mee. De caravan hebben we niet verkocht. Volgende zomer willen we ermee naar de Achterhoek, als mijn knie het toelaat.

Vorige week stuurde Koos dat ze in april weer in Nederland zijn en of we koffie willen drinken. Ik heb nog niet gereageerd. Els zegt dat ik niet moet wachten tot ik het perfecte antwoord heb. Maar ik merk dat ik bang ben dat één kop koffie weer verandert in een gesprek waarin ik moet uitleggen waarom ik leef zoals ik leef.

En tegelijk mis ik hem. Vooral dat is het stomme eraan.