Onze vriend kwam eerst één nacht per week logeren, en nu durf ik bijna geen vakantie meer te boeken

Ik heb vorige week de logeerkamer verschoond terwijl ik wist dat Kees pas over drie dagen zou komen. Niet omdat het nodig was, maar omdat ik de hele tijd bezig ben met vooruitdenken: heeft hij schone handdoeken, is er genoeg brood, wat eten we woensdag, wil hij na het eten weer een borrel terwijl ik eigenlijk om half tien naar bed wil?

En toen ik dat bed opmaakte, werd ik ineens zó boos. Niet alleen op hem. Ook op mezelf.

Kees en zijn ex, Marjan, waren ruim dertig jaar onze vrienden. Wij gingen vroeger met z’n vieren kamperen in Frankrijk, eerst met een vouwwagen en later met een caravan. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren. We zaten bij elkaars verjaardagen, jubilea, begrafenissen. Niet ieder weekend hoor, we waren ook geen van die stellen die alles samen doen, maar het was vertrouwd. Kees was altijd degene die als eerste de barbecue aanstak en daarna vergat dat hij hem zelf had aangestoken.

Toen hij en Marjan uit elkaar gingen, kwam het voor mij eerlijk gezegd nogal onverwacht. Achteraf waren er blijkbaar al jaren dingen. Geldgedoe, verwijten, hij te veel in de schuur of bij de voetbal, zij die zich alleen voelde. Ik weet niet wat er precies gebeurd is en ik heb daar ook niet naar gevraagd. Marjan wilde nauwelijks contact met ons. Ze zei alleen aan de telefoon: ‘Ik hoop dat jullie er voor hem zijn, maar ik kan dat niet meer.’

Kees bleef achter in een kleine sociale huurwoning aan de rand van het dorp. Een flatje op de derde verdieping, zonder lift. Hij had zijn auto moeten verkopen en hij kreeg via de scheiding veel minder mee dan hij had gedacht. Mijn man Henk ging de eerste weken vaak even langs. Een lamp ophangen, een kastje in elkaar zetten, dat soort dingen.

Op een zondagavond belde Kees huilend op. Ik had hem nog nooit echt horen huilen. Hij zei dat hij de hele dag niemand had gesproken en dat hij niet wist wat hij met zichzelf aan moest. Henk zei meteen: ‘Kom woensdag bij ons eten. En blijf lekker slapen, dan hoef je niet in je eentje terug.’

Dat leek me toen het normaalste van de wereld.

Woensdag werd donderdagmorgen koffie, en de week erna was hij er weer. Daarna spraken we af dat hij elke woensdag zou komen. ‘Dan heb je tenminste iets vasts,’ zei Henk. Kees knikte daar heel dankbaar bij.

De eerste maanden vond ik het zelfs prettig dat we iets concreets konden doen. Ik kookte wat extra. Kees fleurde op als ik zijn favoriete draadjesvlees maakte. Hij vertelde weer iets meer, maakte grappen. Ik zag Henk ook ontspannen; die was bezorgd om hem geweest.

Maar een vaste woensdag werd langzaam iets anders. Als er op zaterdag voetbal was, kwam Kees na afloop ‘even langs’. Als we zondag bij onze dochter Eva gingen lunchen, appte hij aan Henk of hij mee kon, omdat hij anders alleen een boterham zou eten. Henk zei dan meestal: ‘Ach ja, waarom niet?’

Eva zei daar in het begin niets van. Zij woont met haar vrouw en onze twee kleinkinderen in Amersfoort en heeft het al druk genoeg. Maar op een zondag trok ze me in de keuken zachtjes aan mijn mouw.

‘Mam, komt Kees nu altijd mee?’ vroeg ze.

Ik zei meteen dat hij een moeilijke tijd had. Alsof ik hem moest verdedigen.

Ze keek naar de woonkamer, waar Kees op de grond met onze kleinzoon Finn zat te bouwen. ‘Dat snap ik. Maar ik wil soms ook gewoon jullie. Zonder dat ik rekening hoef te houden met of hij zich buitengesloten voelt.’

Daar had ik geen antwoord op. Ik voelde me vooral schuldig, want het klonk alsof mijn eigen dochter zich bij haar eigen lunch moest inhouden.

Kees bedoelt het niet verkeerd. Dat maakt het juist lastig. Hij is niet veeleisend op een nare manier. Hij vraagt niet om geld. Hij ruimt zijn bord af. Soms neemt hij een bos tulpen mee van de markt, hoewel ik weet dat hij daar eigenlijk geen geld voor heeft. Maar hij zit hier alsof hij bang is dat hij verdwijnt zodra hij naar huis gaat.

Hij zegt dingen als: ‘Woensdag is mijn ankerpunt.’ Of: ‘Als ik weet dat ik bij jullie terechtkan, kom ik de week wel door.’

En Henk smelt daar iedere keer van. Henk is zelf niet iemand die makkelijk over gevoelens praat. Voor hem is helpen iets doen, een deur openzetten, een bord opscheppen. Als ik zeg dat het me te veel wordt, kijkt hij alsof ik voorstel om Kees bij de bushalte af te zetten met een broodje kaas.

‘Hij heeft bijna niemand meer, Ria.’

‘Dat is niet helemaal waar,’ zei ik laatst. ‘Hij heeft een broer in Drenthe en een oude collega die hem ophaalt voor kaarten.’

‘Ja, maar dat is niet hetzelfde.’

Nee, dat is niet hetzelfde. Maar wij zijn ook niet hetzelfde als een hulpverlener, of een dagbesteding, of wat hij verder nodig heeft. Ik heb dat niet zo uitgesproken, want dan klinkt het hard. Misschien ís het ook hard.

Het echte gedoe begon met onze vakantie. We willen in september twee weken naar Texel. Gewoon een huisje, fietsen mee, een paar boeken. We hebben het al maanden geleden geboekt. Toen Henk het aan Kees vertelde, werd hij stil. Echt stil, niet het gewone wat sombere stil.

Later die avond, toen ik de vaatwasser inruimde, kwam hij naast me staan.

‘Ik weet niet hoe ik die twee weken door moet komen,’ zei hij.

Ik zei iets flauws als dat hij vast naar zijn broer kon of dat wij van tevoren wat afspraken konden bedenken. Hij keek me aan en zei: ‘Jullie snappen niet hoe leeg dat flatje is als het donker wordt.’

Daarna voelde ik me een monster. Ik ben 64, ik weet heus dat eenzaamheid mensen kapot kan maken. Mijn eigen moeder zat na het overlijden van mijn vader ook dagenlang naar buiten te kijken zonder ergens zin in te hebben.

Maar ik wil ook niet dat onze vakantie voelt als een soort ontsnapping waar ik me voor moet verantwoorden.

Gisteren zei Henk dat we misschien een week later konden gaan, zodat Kees eerst kon wennen aan het idee. Ik zei toen, veel feller dan ik van plan was: ‘Hij hoeft niet te wennen aan ónze vakantie. Wij moeten wennen aan het feit dat hij overal tussen zit.’

Henk werd kwaad. Hij zei dat ik Kees als last ben gaan zien.

Dat is misschien deels waar. En daar schaam ik me voor. Tegelijkertijd ben ik ook degene die de boodschappen doet, bedenkt wat er gegeten wordt, de logeerkamer verschoont en op woensdag niet zomaar na het eten op de bank kan gaan liggen in mijn oude joggingbroek.

Vanmorgen heeft Kees geappt of hij deze zondag mee kan naar Eva, want ‘de kleintjes zijn altijd zo gezellig’. Ik heb nog niet gereageerd. Henk weet het ook nog niet, hij is boodschappen doen.

Ik zit aan de keukentafel met mijn telefoon naast mijn thee. Ik wil typen dat zondag al vol zit. Dat is niet eens een leugen. Alleen voelt het inmiddels alsof ik toestemming moet vragen om mijn eigen leven weer een beetje terug te krijgen.