Mijn man zei al ja tegen onze zoon, terwijl ik nog niet eens wist of ik het aankon
De eerste doos stond op een dinsdagmiddag naast onze bijkeuken. Er zat met dikke zwarte stift ‘KEUKEN’ op geschreven, terwijl ik helemaal geen idee had dat er die dag spullen zouden komen.
Ik kwam terug van aquagym in het zwembad in het dorp, met nat haar en mijn tas nog over mijn schouder. Henk stond in de garage met onze zoon Daan. Ze hadden allebei van die rode hoofden van het sjouwen. Daan keek me aan alsof hij betrapt was, maar ook alsof hij geen andere keus had.
‘Mam, dit zijn maar wat dingen,’ zei hij. ‘De rest komt later wel.’
Ik weet nog dat ik naar die doos keek en dacht: later wel? Alsof het al besloten was.
Daan is 34. Hij is niet iemand die altijd bij ons aan de deur hangt. Juist niet. Hij werkte jarenlang als projectleider bij een installatiebedrijf in Utrecht, had een huurappartement waar hij veel te veel voor betaalde, maar hij redde het altijd. Of dat dachten wij tenminste. Hij en Marije waren negen jaar samen. Geen kinderen, wel een hond die uiteindelijk bij haar is gebleven. Vorig najaar is het misgelopen tussen hen. Niet met vreemdgaan of grote ruzies, voor zover ik weet. Meer dat ze allebei langs elkaar heen leefden en op een gegeven moment bleek dat niemand nog echt wilde vechten.
Daarna ging het op zijn werk ook fout. Hij meldde zich ziek. Eerst dacht hij dat hij na een paar weken wel weer zou opkrabbelen. Toen werd het een bedrijfsarts, gesprekken, slecht slapen, paniekaanvallen in de supermarkt. Hij zei steeds: ‘Het gaat wel, hoor.’ Maar zijn gezicht werd dunner en zijn stem vlakker.
Toen hij ons drie weken geleden belde, zat hij volgens mij in zijn auto op een parkeerplaats. Ik hoorde verkeer op de achtergrond. Hij zei dat hij zijn huur niet meer kon trekken als zijn contract niet verlengd werd en dat hij misschien tijdelijk bij ons kon wonen.
Henk zei vrijwel meteen: ‘Natuurlijk jongen. Kom maar hier.’
Ik zat tegenover hem aan de eettafel en ik voelde dat ik iets moest zeggen, maar er kwam niks. Daan begon te huilen. Heel stil, op een manier die ik nog erger vond dan hard huilen. Dus ik zei uiteindelijk ook dat hij rust moest nemen en dat we er voor hem waren.
Maar daarna bleef het aan me knagen.
Ik ben 63 en sinds januari gestopt met werken in de thuiszorg. Niet helemaal uit vrije wil, ik had nog best een paar jaar door kunnen gaan, maar mijn knieën werden slechter en ik was moe van altijd rekening houden met roosters, cliënten en invallers. Henk ging vorig jaar met pensioen bij de gemeente. We hebben ons hele leven gewerkt. Eerst in een rijtjeshuis in Nieuwegein, met twee banen en een tweedehands auto die elke winter wel iets mankeerde. Twaalf jaar geleden konden we dit huis kopen, net buiten Vianen. Vrijstaand is misschien overdreven chic, maar het is ruim, met een tuin waar Henk veel te veel tijd in stopt en een logeerkamer boven.
Die logeerkamer hadden we net opgeknapt. Lichtgroene muur, nieuw bed, gordijnen die ik zelf had uitgezocht. We wilden er vrienden laten slapen als we eens naar een concert in Utrecht gingen, of mijn zus met haar man. Misschien zouden we in het voorjaar eindelijk een paar weken met de camper weg, die we tweedehands op het oog hadden.
Het klinkt kleinzielig als ik het opschrijf. Een kamer. Een camper. Een beetje stilte.
Maar ik heb jarenlang in een huis gewoond waar er altijd iemand iets nodig had. Daan en zijn zus Lotte natuurlijk, later mijn moeder die ziek werd, toen de kleinkinderen van Lotte die op woensdagmiddag kwamen omdat zij en haar vriend allebei werkten. Ik deed het vaak graag. Echt. Alleen had ik me erop verheugd dat Henk en ik nu soms gewoon om half vijf een wijntje konden drinken zonder dat er een probleem opgelost moest worden.
Die avond, na de doos, vroeg ik Henk waarom hij Daan zijn spullen al liet brengen.
‘Omdat hij binnenkort uit zijn woning moet, Els. Waar moeten die spullen anders heen?’
‘Opslag huren. Of bij Marije, ik weet het niet. Maar we zouden eerst praten.’
Hij legde zijn vork neer. We aten stamppot andijvie, die ineens droog en koud werd.
‘Praten waarover? Hij heeft het moeilijk. Hij is onze zoon.’
‘Dat weet ik ook wel.’
‘Nou, het klinkt niet zo.’
Daar werd ik boos van. Niet eens alleen om wat hij zei, maar omdat het zo makkelijk voor hem was. Henk kan zich terugtrekken in de schuur, in de tuin, op zijn fiets. Hij staat vroeg op en is na het Journaal meestal al half aan het slapen op de bank. Ik ben degene die merkt dat er geen melk meer is, die gaat koken omdat Daan om zeven uur nog niet gegeten heeft, die voelt dat er iets in huis hangt en probeert het luchtig te houden.
Dat heb ik hem ook gezegd, veel te fel waarschijnlijk.
Henk zei toen: ‘Dus we laten hem vallen omdat jij eindelijk rustig wilt puzzelen?’
Ik heb die avond in de logeerkamer geslapen. Ironisch genoeg tussen de verhuisdozen van mijn eigen kind.
Daan woont nu bijna zes weken bij ons. Zijn huurcontract liep af en hij kon niet terecht bij vrienden, zei hij. Ik geloof dat ook. De meeste mensen van zijn leeftijd wonen kleiner dan wij, met kinderen of een partner. Hij betaalt ons iets van zijn spaargeld, honderdvijftig euro per maand. Ik wilde eerst niets aannemen, maar uiteindelijk voelde het voor hem blijkbaar beter om niet helemaal afhankelijk te zijn.
Het gaat niet verschrikkelijk. Dat is misschien nog het lastigste om uit te leggen. Hij is niet agressief, hij drinkt niet, hij maakt geen rotzooi. Hij zet de vaatwasser aan en maait soms het gras. Maar hij is overal en tegelijk nergens. Hij slaapt tot laat, loopt dan in joggingbroek naar beneden en kijkt alsof hij door glas naar ons kijkt. Soms zit hij de hele middag aan de keukentafel met zijn laptop dicht voor zich.
Vorige week wilde ik met Henk bespreken of we in mei een midweek weg zouden kunnen. Gewoon naar Drenthe, niet eens met die camper. Daan zat erbij en zei meteen: ‘Ja hoor, ga gerust.’ Maar daarna werd hij stil. Ik zag hem naar zijn telefoon kijken zonder echt iets te lezen.
En ik dacht: als wij weggaan en het gaat slecht met hem, wat dan? Als we niet weggaan, wanneer begint ons leven dan wel?
Lotte vindt dat ik moeilijk doe. Zij zei aan de telefoon: ‘Mam, hij vraagt toch niet om voor altijd bij jullie te wonen?’ Dat weet ik niet. Daan zegt dat hij over een paar maanden weer wil werken, misschien minder uren, misschien ergens anders. Maar een woning vinden is niet ineens geregeld. Hij staat niet lang genoeg ingeschreven en particuliere huur is belachelijk duur. Dat weet iedereen inmiddels.
Gisteren zat ik met hem in de tuin. Het was eindelijk zacht weer. Henk was naar de bouwmarkt. Daan vroeg of ik wilde dat hij weg ging. Zo zei hij het ook echt, zonder omwegen.
Ik zei niet meteen nee. Dat was het ergste moment tot nu toe. Ik keek naar mijn handen en zei dat ik wilde dat we afspraken maakten. Dat hij hulp blijft zoeken, dat we een termijn bespreken, dat ik niet weer de rol van moeder van een zestienjarige krijg terwijl hij een volwassen man is.
Hij knikte, maar zijn ogen werden nat.
‘Ik wil ook niet hier zijn, mam,’ zei hij. ‘Ik weet alleen even niet hoe ik ergens anders moet zijn.’
Daarna hebben we samen koffie gedronken. Gewoon uit dezelfde oude mokken als altijd. Ik heb niets opgelost. Vanavond gaan Henk en ik met Daan aan tafel zitten en het over die afspraken hebben. Henk vindt een termijn hard klinken. Misschien is dat ook zo.
Maar ik wil niet dat de volgende doos die hier binnenkomt weer betekent dat ik pas achteraf mag voelen wat het met mij doet.