Mijn man wil ons spaargeld in het huis steken, maar ik durf onze buffer niet los te laten
De eerste offerte lag tussen de reclamefolders en mijn rooster van het ziekenhuis in. Alsof hij daar per ongeluk terecht was gekomen. Bovenaan stond in grote letters: hybride warmtepomp, zonnepanelen, isolatieglas. Onderaan een bedrag waar ik even van moest slikken.
Ik heb de papieren teruggelegd zonder er iets van te zeggen. Paul zat tegenover me met zijn laptop open, waarschijnlijk alweer filmpjes te kijken over omvormers of inductiekookplaten. Sinds hij in maart bij zijn werkgever weg is, doet hij dat veel. Niet omdat hij meteen weg móést, trouwens. Hij had dertig jaar bij hetzelfde installatiebedrijf gewerkt en er kwam een reorganisatie. Hij kon blijven, maar met een andere functie en minder zekerheid, of hij kon gebruikmaken van een vertrekregeling. Hij is gegaan met een behoorlijk pakket. We waren er allebei eerst opgelucht over.
Hij is 56. Ik ben 54. De hypotheek is bijna af, onze dochter woont al jaren op zichzelf in Amersfoort en onze zoon zit voor zijn werk veel in Duitsland. We wonen in een vrijstaand huis aan de rand van een dorp in Overijssel. Geen villa, maar wel een fijn huis met een grote tuin, een oude bijkeuken en een keuken uit 2003 die het nog gewoon doet.
Ik werk drie dagen per week als verpleegkundige op de afdeling interne geneeskunde. Ik vind mijn werk nog steeds mooi, hoe moe ik soms ook thuiskom. Paul snapte niet dat ik na zijn vertrek niet ook meteen begon over minder werken.
“Jij kunt toch ook gewoon een dag laten vallen?” zei hij in het begin.
“Waarom zou ik? Ik heb het naar mijn zin.”
Dat was blijkbaar moeilijker voor hem te begrijpen dan ik dacht. Hij had zo lang gewerkt met het idee dat we later tijd zouden hebben. En nu die tijd er was, wilde hij er iets van maken. Dat begrijp ik echt wel. Hij schilderde de schuur, ruimde de zolder op en legde ineens keurige randjes langs de moestuin waar nooit iemand om had gevraagd. Het was zelfs wel gezellig, de eerste weken.
Maar al snel ging het niet meer over een paar planken vervangen. Hij wilde zonnepanelen, een warmtepomp, vloerisolatie, nieuwe kozijnen aan de achterkant en een complete keuken. Onze huidige keuken zou “versleten” zijn. Ik zie vooral kastjes die nog dichtgaan en een oven die prima werkt, behalve dat je de knop een beetje naar rechts moet drukken.
Zijn argument is steeds dat we ermee besparen. Dat zal deels ook wel zo zijn. Maar besparen door tachtigduizend euro uit te geven voelt voor mij niet als besparen. Zeker niet nu alles duurder wordt en ik op mijn werk genoeg mensen zie die dachten dat ze financieel veilig zaten, tot er iets gebeurde. Een scheiding. Langdurige ziekte. Een kind dat weer thuis moet wonen. Je weet het gewoon niet.
Wij hebben altijd een gezamenlijke rekening gehad. Paul verdiende jarenlang meer dan ik, vooral toen de kinderen klein waren en ik minder uren werkte. Maar ik regelde ook alles daaromheen. De opvang, mijn moeder toen die ziek werd, de administratie, de was die zich nooit uit zichzelf opvouwde. Ik wil daar geen rekensom van maken. Zo hebben wij ons huwelijk nooit gezien.
Juist daarom deed het me zo veel toen hij op een dinsdagmiddag zei: “Die ontslagvergoeding is van mij. Als jij niet mee wilt, betaal ik het daar wel van.”
Ik stond aardappels te schillen en ik weet nog dat ik gewoon doorging, veel te hard, zodat er bijna niets van die aardappels overbleef.
“Van jou?” vroeg ik.
Hij zuchtte meteen, alsof ik lastig deed. “Nou ja, ik heb daar dertig jaar voor gewerkt.”
Dat is natuurlijk waar. Hij heeft lange dagen gemaakt, storingsdiensten gehad, met kerst wel eens weg gemoeten omdat ergens een installatie uitviel. Ik heb hem dat nooit kwalijk genomen. Maar die vergoeding is ook niet los te zien van ons leven samen. Van alles wat we hebben afgesproken en opgevangen. En bovendien: hij had zelf gezegd dat we het verstandig zouden wegzetten, naast onze buffer.
Hij zei dat ik hem niets gunde. Ik zei dat hij deed alsof hij alleen woonde. Daarna hebben we de rest van de avond nauwelijks gepraat. Hij heeft zijn eten opgewarmd in de magnetron en ik ben vroeg naar bed gegaan, terwijl ik helemaal niet sliep.
Twee dagen later belde er een aannemer aan terwijl ik vrij was. Een aardige man, jonge kerel nog, met van die schone werkschoenen die hij uitdeed bij de deur. Hij wilde “even de mogelijkheden opnemen”. Paul had blijkbaar al een afspraak gemaakt. Niet alleen informatie aanvragen, maar iemand in huis laten meten.
Ik voelde me zo overdreven boos dat ik er bijna van moest huilen. Die man kon er niets aan doen. Ik heb koffie gezet en hem netjes rond laten kijken, terwijl Paul enthousiast vertelde over een kookeiland. Een kookeiland. Wij eten meestal met z’n tweeën aan de keukentafel en als de kinderen komen, schuiven we er een klaptafel bij. Het idee alleen al dat we een muur zouden uitbreken voor een eiland waar vervolgens post en lege glazen op staan, maakte me misselijk.
Toen de aannemer weg was, zei ik dat ik niet mijn handtekening zou zetten onder welke opdracht dan ook.
Paul werd stil. Niet boos op een harde manier. Eerder gekwetst, en dat vond ik misschien nog vervelender.
“Dus ik mag nu zelfs niet met mijn eigen geld iets doen?” vroeg hij.
Ik zei dat het huis van ons samen is. Dat je niet zomaar tienduizenden euro’s in een gezamenlijk huis stopt en vervolgens zegt dat het een persoonlijk project is. Hij antwoordde dat we de financiën dan misschien maar moesten splitsen. Een eigen rekening voor hem, een eigen rekening voor mij. Duidelijke afspraken. Dan wist iedereen waar hij aan toe was.
Dat klonk zo zakelijk. Alsof we ineens huisgenoten waren die de energierekening moesten verdelen.
Sindsdien is het ongemakkelijk. Niet de hele tijd, want we zijn geen mensen die dagenlang staan te schreeuwen. Vanmorgen heeft hij nog mijn fietsband opgepompt omdat die zacht stond. Ik heb zijn favoriete yoghurt meegenomen uit de supermarkt. We kijken ’s avonds soms gewoon een serie. Maar onder alles zit dit onderwerp. Hij krijgt berichten van bedrijven en draait zijn scherm weg. Ik kijk op onze spaarrekening en voel meteen spanning in mijn borst.
Misschien ben ik te voorzichtig. Dat denk ik echt wel eens. We hebben geen schulden, we hebben geld achter de hand en een deel van die maatregelen is waarschijnlijk verstandig voor de toekomst. Maar ik wil niet dat angst voor een hoge energierekening of trots op een mooi huis ons ertoe brengt om onze hele veilige basis open te breken.
En ik wil al helemaal niet dat Paul zijn ontslagvergoeding gaat gebruiken als een soort bewijs dat hij eindelijk zonder mij mag beslissen. Alsof ik hem dertig jaar heb tegengehouden, terwijl ik juist altijd dacht dat we samen aan iets bouwden.
Volgende week wil hij met een financieel adviseur praten, niet eens per se om de verbouwing rond te krijgen, zegt hij, maar om uit te zoeken wat redelijk is als we onze rekeningen deels apart gaan houden. Ik heb gezegd dat ik meega. Niet omdat ik nu ineens voor die keuken ben, maar omdat ik niet wil dat er opnieuw dingen worden besloten terwijl ik aan het werk ben.
De offerte ligt nog steeds op tafel. Paul heeft er met een pen een paar bedragen omcirkeld. Ik heb hem nog niet weggegooid. Dat voelt kinderachtig. Maar tekenen kan ik ook nog niet.