Na veertig jaar vriendschap bleken wij niet hetzelfde beeld te hebben van samen oud worden
De map lag al maanden in de la van het dressoir, onder de placemats die we eigenlijk nooit gebruiken. Printjes van makelaars, foto’s van natuurstenen muren, berekeningen op ruitjespapier van Kees. Ik wist precies wat erin zat, maar ik deed steeds alsof het nog niet bestond.
Afgelopen zaterdag haalde Kees hem er toch uit.
We zaten bij Pieter en Marjan aan de keukentafel. Zoals we al veertig jaar deden, eigenlijk. Marjan had erwtensoep gemaakt, hoewel het maart was en die dag onverwacht zacht. Pieter mopperde dat de rookworst te vroeg in de pan was gegaan. Kees vertelde iets over de pensioenborrel bij zijn oude werk. Het was zo’n gewone middag dat ik bijna dacht: misschien valt het mee.
Toen legde Kees die map tussen de suikerpot en de schaal met roggebrood.
“Wij zijn serieus gaan kijken,” zei hij. “Niet alleen dromen, maar echt. In de Creuse. Een klein dorpje, vijf minuten van een bakker en twintig minuten van een grotere plaats. Er zit een gîte naast die je eventueel kunt verhuren.”
Pieter keek naar mij, niet naar Kees. Alsof hij wilde weten of ik dit wist.
Natuurlijk wist ik het. Ik had zelf met die makelaar gebeld. Ik had de foto’s op mijn telefoon staan. Die blauwe luiken, die oude perenboom, een schuurtje dat volgens de advertentie ‘veel mogelijkheden’ had, wat meestal betekent dat het op instorten staat. Ik zag mezelf er al koffie drinken in de ochtend, met zo’n Frans krantje dat ik waarschijnlijk maar half zou begrijpen.
“We dachten,” ging Kees verder, “dat dit iets voor ons vieren kon zijn.”
Marjan legde haar lepel neer. Heel voorzichtig. Dat kleine geluidje van metaal op aardewerk hoor ik nog steeds.
In het begin reageerden ze niet eens afwijzend. Ze vroegen naar de prijs, naar onderhoud, naar hoe vaak je er dan zou zijn. Pieter zei dat hij Frankrijk prachtig vond, maar vooral als hij na twee weken weer naar huis kon. Marjan lachte nog en zei: “Ik zie mezelf niet met een kruiwagen in de hitte lopen, hoor.”
Maar Kees was al te ver. Hij had alles uitgerekend. Als we ieder de helft betaalden, zou het voor iedereen haalbaar zijn. Hij had zelfs een schema bedacht voor de schoolvakanties, voor bezoek van kinderen en kleinkinderen, voor de maanden dat het huis leeg zou staan.
Op dat moment zag ik Marjan dichtklappen.
Niet boos. Eerder alsof ze een jas aantrok die haar te strak zat.
Ze zei: “Maar wij willen juist niet weer vastzitten aan een schema.”
Dat kwam harder aan dan het misschien bedoeld was. Kees antwoordde meteen dat een huis geen gevangenis was en dat je afspraken altijd kon aanpassen. Pieter schoof zijn stoel naar achteren en zei dat zij heel andere plannen hadden nu hij eindelijk geen vergaderingen en bereikbaarheidsdiensten meer had.
Hij wilde bij de voedselbank blijven helpen. Hij was daar net ingewerkt, vertelde hij. Marjan wilde oppasdagen gaan doen voor hun dochter in Amersfoort, als dat nodig was, en ze had zich aangemeld als taalmaatje bij de bibliotheek. Daarnaast wilden ze eens wat vaker gewoon spontaan ergens koffie drinken, mensen uit de buurt leren kennen, misschien een cursus volgen.
Ik weet nog dat ik dacht: maar dat kan toch allemaal óók als je een huisje in Frankrijk hebt?
Dat zei ik gelukkig niet meteen. Kees wel, min of meer.
“Je hoeft daar toch niet permanent te wonen?” zei hij. “Juist leuk, dan hebben jullie iets extra’s.”
Marjan keek hem aan en zei: “Voor jou is het iets extra’s. Voor mij voelt het alsof mijn agenda weer om iets groots heen moet worden gebouwd.”
Daarna werd het ongemakkelijk op zo’n Nederlandse manier. We praatten over de soep. Pieter vroeg of iemand nog koffie wilde. Kees zei dat hij de auto bij de garage moest ophalen. Ik hielp Marjan afruimen, terwijl er eigenlijk bijna niets af te ruimen was.
Ik was boos toen we naar huis reden. Niet alleen op hen. Ook op mezelf, omdat ik de hele middag had gezeten met een soort knoop in mijn buik en toch niets had gezegd.
“Kijk,” zei Kees achter het stuur, “ze doen alsof we ze iets aansmeren.”
Ik zei dat het misschien ook wel een beetje zo voelde.
Daar werd hij stil van. Kees is geen man die makkelijk ergens op terugkomt. Hij is lief, echt waar. Toen ik borstkanker had, drie jaar geleden, heeft hij iedere afspraak opgeschreven, zelfs welke verpleegkundige zei dat ik een andere pruik moest passen. Maar als hij eenmaal een toekomst voor zich ziet, gaat hij daarin wonen voordat iemand anders er ja tegen heeft gezegd.
De week erna belde Marjan mij. Niet hem, mij.
Ze zei dat Pieter er slecht van had geslapen. Dat hij zich schuldig voelde, omdat het leek alsof ze onze vriendschap afwezen. Ik zei dat dat onzin was, maar ik hoorde aan mijn eigen stem dat ik gekwetst was.
Toen vertelde ze iets wat ik niet wist. Kees had Pieter twee weken eerder al gebeld. Hij had gezegd dat er haast bij was, omdat er meer belangstelling voor het huis zou zijn. Hij had ook genoemd dat wij eventueel een groter deel konden betalen, “om het op gang te brengen”.
Ik voelde mijn wangen warm worden. Kees had het tegen mij gebracht als een losse gedachte. Blijkbaar had hij het tegen Pieter veel concreter gemaakt.
Marjan zei: “Het gaat niet eens om Frankrijk, Els. Het gaat erom dat wij net weer mogen bepalen hoe onze dagen eruitzien. Veertig jaar hebben we rekening gehouden met werk, ouders, kinderen, geld. Nu willen we niet dat onze beste vrienden de volgende invulling voor ons klaar hebben liggen.”
Dat deed pijn, juist omdat ik haar begreep.
Maar ik dacht ook aan al die jaren. Onze kinderen zaten bij elkaar in de klas. We gingen ieder jaar naar dezelfde camping in de Ardèche, eerst met tenten en later met van die stacaravans waar Pieter altijd op neerkeek maar toch het meeste bier in de koelkast legde. Toen Marjans moeder overleed, reed Kees midden in de nacht naar haar toe omdat Pieter in Duitsland vastzat. Toen ik ziek was, bracht Marjan iedere donderdag soep, soms veel te zout, maar ze kwam wel.
Ik denk dat ik ergens had besloten dat al die geschiedenis vanzelf betekende dat onze toekomst ook gezamenlijk zou zijn.
Vorige donderdag zijn Kees en ik weer bij hen langs geweest. Zonder map. Kees heeft gezegd dat het hem speet dat hij Pieter onder druk had gezet. Niet met precies die woorden trouwens. Hij zei: “Ik ben te enthousiast geweest.” Pieter zei daarop: “Dat is een nette versie.” Daar moesten ze allebei een beetje om lachen, maar het was geen echte opluchting.
Wij kopen het huis waarschijnlijk alsnog niet. Niet dit huis in ieder geval. De rekensom wordt anders als je het met z’n tweeën doet, en eerlijk gezegd weet ik niet of ik wel maanden per jaar weg wil van mijn dochter, die in Leiden woont, of van de buurvrouw met wie ik sinds kort wandel.
Kees kijkt nog iedere avond op Franse huizensites. Ik kijk soms mee. Soms word ik er warm van. Soms krijg ik er een benauwd gevoel van.
Met Pieter en Marjan is het contact nu dunner. We sturen elkaar nog berichten over de kleinkinderen, over een kapotte cv-ketel, over de knie van Pieter. Gewone dingen. Misschien is dat tijdelijk. Misschien is dit hoe een vriendschap na veertig jaar verandert: niet met een knal, maar doordat vier mensen ineens merken dat ze niet dezelfde kant op lopen.
Volgende maand gaat Marjan voor het eerst met haar kleinzoon op woensdag naar zwemles. Pieter begint bij de voedselbank. Kees heeft voorgesteld om in juni samen een lang weekend naar Frankrijk te gaan, gewoon om rond te kijken.
Pieter antwoordde pas de volgende ochtend: “Misschien. We kijken tegen die tijd wel.”