Na 34 jaar vriendschap vroegen ze ons hun verhuizing te doen, maar in hetzelfde gesprek wilden ze ineens ‘meer ruimte’
Ik heb de aanhanger nog steeds gereserveerd voor de zaterdag over twee weken. Dat is misschien het stomste van alles. Alsof mijn handen alvast hebben besloten wat ik met mijn hoofd nog niet rond krijg.
Marjan zegt dat ik hem gewoon kan annuleren. “Dan zijn we veertig euro kwijt, Henk. Daar komen we wel overheen.”
Maar het gaat natuurlijk niet om die veertig euro. Het gaat erom dat Theo en Els vijfendertig jaar lang bij ons hoorden. Niet op een sentimentele manier, tenminste, zo zou Theo het zelf nooit noemen. Maar zij waren er toen onze oudste, Joris, met zijn studie stopte en een halfjaar op de bank hing. Wij waren er toen Els haar moeder naar een verpleeghuis moest. We hebben met z’n vieren ieder nieuwjaarsdag ontbijt gemaakt, omdat kerstavond altijd al vol zat met kinderen en schoonfamilies. We gingen naar Frankrijk, eerst met een veel te kleine vouwwagen en later met een huisje via Belvilla dat op de foto altijd groter leek.
Als iemand vroeger vroeg wie er op onze bruiloft waren geweest, noemden Marjan en ik vaak eerst Theo en Els. Nog vóór sommige neven en nichten.
Ze wonen nu nog in Deventer, op twintig minuten fietsen van ons. Theo werkte bij de gemeente, Els in een tandartspraktijk. Ze zijn allebei 64. Theo kan volgend voorjaar stoppen, Els wil nog een paar dagen blijven werken, maar ze heeft gezegd dat haar hart er niet meer ligt. Een paar maanden geleden vertelden ze dat ze een huis hadden gekocht in de buurt van Diever, in Drenthe. Vrijstaand, wel een oud ding, met een grote tuin en een schuur waar Theo “eindelijk iets mee kan”.
Ik vond het eerst eigenlijk mooi voor ze. Echt. Je wordt ouder en je denkt: als je nog iets wilt, moet je het niet blijven uitstellen tot je knieën het niet meer doen. Marjan zei meteen dat we vaker met de trein konden komen. Ik zei dat ik best een keer kon helpen met klussen.
Toen kwam dat gesprek bij ons aan de keukentafel.
Els had zelfgemaakte soep meegenomen, tomaat met van die kleine gehaktballetjes. Theo was ongewoon stil. Na het eten zei Els dat ze iets wilden bespreken voordat “iedereen allerlei verwachtingen kreeg”. Dat woord alleen al bleef hangen.
Ze vertelde dat ze in Drenthe opnieuw wilden beginnen. Minder agenda, minder verplichtingen, meer tijd samen. Ze wilden niet elk weekend bezoek, niet steeds groepsapps over en weer, en ook niet de gewoonte krijgen dat iedereen maar binnenloopt omdat dat vroeger zo was.
Marjan knikte heel rustig. Ik niet, denk ik. Ik zei: “Maar niemand heeft het over elk weekend.”
Theo keek naar zijn bord en zei dat hij wist hoe het klonk. Hij zei ook dat het niet persoonlijk was. Juist omdat we zo lang bevriend waren, wilden ze eerlijk zijn.
Dat vond ik zo’n rare zin. Alsof eerlijk zijn betekende dat je alvast zegt dat je minder van iemand wilt zien.
Marjan vroeg nog of er iets gebeurd was. Misschien waren we te aanwezig geweest, zei ze later tegen mij. Misschien had ik te vaak geroepen dat we ‘binnenkort wel even langs zouden komen’ zonder te vragen of dat uitkwam. Dat kan best. Ik ben niet de makkelijkste met appen. Als ik iemand mis, bel ik gewoon. Theo neemt dan vaak niet op en belt een dag later terug. Daar heb ik hem ook wel eens een sneer over gegeven.
Maar Els zei alleen dat er niets was gebeurd. Ze wilde ruimte voordat die nodig was, zei ze. Ik snap die woorden verstandelijk wel. Emotioneel helemaal niet.
Een week later belde Theo of ik op drie zaterdagen kon helpen: eerst de zolder uitzoeken, dan naar de milieustraat en kringloop, en uiteindelijk laden. “Jij bent toch handig met indelen,” zei hij. “En je hebt die aanhanger.”
Ik zei ja. Vrijwel meteen.
Daar baal ik nu van, omdat ik sindsdien overal bewijs van verraad in ben gaan zien. Niet alleen bij hen, ook bij mezelf. Ik stond vorige zaterdag dozen met oude LP’s in te pakken, terwijl Els boven riep dat een tas met kleding misschien naar mijn dochter kon. Theo vroeg of ik de boormachine even wilde pakken. Alles was gewoon zoals altijd: koffie uit een thermoskan, broodjes van de Plus, Theo die twintig jaar oude schroeven niet weg wilde doen.
Alleen was het niet zoals altijd. Bij ieder ding dat ik voor ze optilde, dacht ik: dit nemen jullie mee naar een leven waarin wij bijzaak zijn.
De ruzie met Marjan kwam woensdagavond. Els had haar gebeld over een eiken dressoir dat bij ons in de logeerkamer staat. Het was van Marjans ouders geweest, maar wij gebruiken het eigenlijk als rommelkast. In hun nieuwe huis zou het goed staan, zei Els. Of wij het misschien voor een vriendenprijsje wilden verkopen.
Marjan vond dat geen gekke vraag. Ze zei zelfs dat het fijn was dat het bij hen terecht zou komen.
Ik zei: “Eerst willen ze meer afstand, en nu willen ze onze spullen tegen een vriendenprijs. Zie je dat dan niet?”
Marjan werd boos, echt boos. Ze zei dat ik alles aan elkaar knoopte omdat ik gekwetst was. Dat Theo en Els niet verplicht zijn om hun pensioen in te richten rond mijn idee van vriendschap. “Je kunt toch niet zeggen: of jullie blijven precies zoals vroeger, of jullie mogen geen dressoir kopen?”
Daar had ze gelijk in, en daar werd ik nog kwader van. Ik zei dat het niet om het dressoir ging. Zij zei dat het bij mij inmiddels nergens anders meer over ging.
We hebben die avond apart televisie gekeken. Dat doen we bijna nooit. Ik zat naar een programma over verbouwen te kijken zonder ook maar één minuut te volgen. Marjan vouwde op de bank was op die eigenlijk pas de volgende dag droog genoeg zou zijn. Kleine, kinderachtige dingen.
Donderdag stuurde Theo een foto van de lege woonkamer. “Schiet op nu,” schreef hij erbij, met een lachende emoji. Ik heb er pas de volgende ochtend op gereageerd.
Gisteren ben ik toch naar hen toe gereden. Niet om te helpen, zei ik tegen mezelf. Ik moest nog wat dozen ophalen die ik naar de stort zou brengen. Els deed open met stof in haar haar. Ze gaf me een knuffel, maar korter dan vroeger, al kan ik me dat natuurlijk ook inbeelden.
Ik heb gezegd dat ik het moeilijk vind dat ze hulp vragen terwijl ze tegelijk afstand willen. Niet zo netjes als ik het hier opschrijf. Ik zei onder meer dat ik me soms meer een verhuisbedrijf voelde dan een vriend.
Theo werd rood in zijn gezicht. Hij zei dat hij juist míj had gevraagd omdat hij me vertrouwde. Dat hij het verschrikkelijk vond dat ik daar iets berekenends van maakte. Els begon te huilen, niet hard, maar ze keek ook niet weg. Ze zei: “Henk, we willen jullie niet kwijt. We willen alleen niet meer leven alsof alles vastligt tot we doodgaan.”
Toen wist ik niets meer te zeggen. Want dat is ook iets wat ik waarschijnlijk nooit tegen haar zou kunnen gebruiken zonder gemeen te worden.
Het dressoir gaan ze niet krijgen. Marjan heeft Els gebeld en gezegd dat ze er toch nog niet aan toe is om het weg te doen. Dat vond ik een opluchting, en tegelijk schaamde ik me ervoor.
De aanhanger staat nog op mijn naam. Zaterdag ga ik mee laden, denk ik. Marjan ook. Niet omdat alles weer goed is, want dat is het niet. Ik weet zelfs niet of we straks nog vrienden zijn zoals we waren, of vrienden die elkaar met kerst een kaart sturen en verder vooral aardige herinneringen hebben.
Maar ik kan het ook niet over mijn hart verkrijgen om Theo zijn zware werkbank met twee mannen van Facebook Marketplace de bus in te laten tillen. Dus ik ga waarschijnlijk gewoon vroeg opstaan, broodjes halen en mijn werkhandschoenen meenemen.
Daarna zie ik wel hoe stil ons huis op zondagmiddag eigenlijk kan zijn.