Na veertig jaar de gangmaker te zijn geweest, kon ik ineens geen etentje meer organiseren zonder ertegenop te zien
Vorige week maandag stond ik bij de groenteboer en merkte ik dat ik mijn telefoon op stil had gezet voordat ik überhaupt binnen was. Niet omdat ik iemand wilde negeren. Ik wilde alleen even tomaten uitzoeken zonder dat er een bericht binnenkwam over een hotel in de Eifel, wie er glutenvrij eet of hoe laat we dan precies bij P+R Utrecht zouden verzamelen.
Vroeger vond ik dat juist leuk. Ik was daar goed in, denk ik. Dingen bij elkaar brengen. Mensen herinneren aan afspraken. Zorgen dat niemand alleen naar huis fietste na een verjaardag. Als er een vakantiehuisje nodig was, wist ik via via altijd wel iets. En als er gedoe was tussen twee mensen uit de groep, belde ik ze allebei apart. Niet heel plechtig, hoor. Gewoon: kom, doe niet zo moeilijk, we kennen elkaar al eeuwen.
We zijn met z’n tienen, vijf stellen. We leerden elkaar eind jaren tachtig kennen via volleybal, de buurt en later de kinderen die ongeveer tegelijk op dezelfde basisschool zaten. Inmiddels wonen twee stellen niet eens meer in de buurt. Hans en Mieke in Apeldoorn, Peter en Lydia in Gouda. Toch hebben we nog steeds iedere maand iets. Een etentje thuis, een wandeling, een museum, in de zomer varen bij Bas op de sloep. Met kerst een borrel waar altijd te veel hapjes zijn en waar iemand ieder jaar zegt dat we het volgend jaar simpeler moeten doen.
Ik heb daar nooit onder geleden. Integendeel. Mijn vrouw, Marjan, zegt weleens dat ik pas echt ontspannen ben als ik ergens een spreadsheet voor mag maken. Daar zit iets in. Ik werkte als teamleider bij een installatiebedrijf, veertig jaar lang ongeveer. Alles draaide om storingen oplossen, monteurs indelen, klanten geruststellen. Toen ik vorig najaar met pensioen ging, dacht iedereen dus dat ik eindelijk alle tijd van de wereld zou hebben voor onze club.
Ik dacht dat zelf ook.
De eerste maanden waren eigenlijk best fijn. We gingen een paar dagen naar Texel, ik schilderde de schutting, ik hielp onze dochter Iris met verhuizen naar haar appartement in Amersfoort. Maar ergens in januari begon ik wakker te worden met een soort zwaar gevoel zodra ik wist dat er die avond mensen kwamen. Niet omdat ik ze niet mocht. Ik mag ze juist allemaal, op hun eigen manier. Maar na een middag met vijf of zes mensen praten, had ik twee dagen nodig waarin niemand iets van me wilde.
Dat heb ik lang niet gezegd. Ik zei dat ik druk was in de tuin of dat ik wat last had van mijn knie. Allemaal niet helemaal gelogen, maar ook niet de reden.
In februari vroeg Bas in onze WhatsApp-groep wanneer ik weer iets voor april wilde prikken. Ik heb toen getypt: ‘Misschien moeten we het organiseren eens wat meer verdelen, jongens.’ Ik heb drie keer naar dat bericht gekeken voordat ik het verstuurde.
Er kwamen meteen duimpjes en grapjes. ‘Kees met pensioen en nu al delegatieproblemen.’ Peter stuurde: ‘Wij regelen wel een keer een restaurant, chef.’ Daar was ik zelfs opgelucht over.
Maar daarna gebeurde er weinig. Uiteindelijk appte Marjan mij op een woensdagmiddag vanuit de supermarkt: ‘Heb jij nou al iets voor zaterdag geregeld? Mieke vroeg het net.’
Ik zei dat ik dacht dat Peter dat zou doen.
‘Ja, maar Peter heeft alleen geroepen dat hij het wel wilde doen. Jij weet toch hoe dit gaat.’
Dat zei ze niet kwaad. Meer praktisch. Alsof ik vergeten was vuilnis buiten te zetten. En misschien had ze gelijk. Ik heb toen alsnog een eetcafé in Deventer gebeld, een tafel geregeld en iedereen een tijd gestuurd. Die avond was best gezellig. Ik lachte echt. Toch voelde ik me de volgende ochtend vreemd leeg, alsof ik een dienst had gedraaid terwijl ik vrij was.
Het werd pas echt ongemakkelijk toen de reis voor september ter sprake kwam. We gaan om de paar jaar een lang weekend weg met z’n allen. De laatste keer was Brugge. Daarvoor het Sauerland. Nu was er een plan voor Slovenië, bedacht door Lydia, die filmpjes had gezien van een huis met een zwembad en uitzicht op bergen.
In de groepsapp ging het eerst alleen over foto’s. Daarna over vluchten, huurauto’s, slaapkamers. En toen schreef Hans: ‘Kees, jij kunt vast even uitzoeken hoe we het boeken en wat iedereen moet overmaken?’
Het was een normale vraag. Hij bedoelde er volgens mij niets slechts mee. Maar ik zat aan de keukentafel met mijn koffie, keek naar dat scherm en voelde meteen mijn schouders omhooggaan.
Ik heb niet direct geantwoord. Marjan zat tegenover me en vroeg wat er was. Ik liet haar het bericht zien.
‘Nou ja,’ zei ze, ‘dat deed jij toch altijd?’
Ik zei: ‘Dat wil ik niet meer.’
Ze legde haar krant neer. ‘Niet deze keer, of helemaal niet meer?’
Ik wist het antwoord niet goed, en dat maakte haar zichtbaar geïrriteerd. Marjan houdt niet van vage dingen. Ze zei dat ik niet zomaar kon besluiten dat iedereen zich maar aan mij moest aanpassen. Dat deze groep ook voor haar belangrijk was. Dat zij het juist fijn vond dat er altijd iets op de agenda stond sinds ik thuis was, omdat ze bang was dat we anders ieder in een eigen hoek van het huis zouden verdwijnen.
Dat kwam hard aan, want ik wist dat ze ergens ook bang was voor mijn stilte. Ik zit veel in mijn schuurtje te rommelen. Soms wandel ik zonder doel een uur langs de IJssel. Voor mij voelt dat niet somber. Het voelt eindelijk alsof er niets hoeft. Maar voor haar ziet het misschien uit als terugtrekken.
Die avond heb ik in de app gezet dat ik niet de reis ging regelen en dat ik eerlijk gezegd ook niet wist of ik mee wilde. Ik schreef erbij dat ik het iedereen gunde, maar dat ik minder behoefte had aan volle agenda’s en groepsdingen.
Het bleef een tijdje stil. Daarna kwam er een privébericht van Mieke. Ze schreef dat ze het begreep, maar dat ze het ook jammer vond dat ik ‘zo abrupt afhaakte’. Hans belde de volgende dag. Hij zei dat ze allemaal hadden uitgekeken naar deze fase: geen werk meer, meer ruimte, eindelijk samen dingen doen voordat iedereen te veel kwaaltjes kreeg.
‘En nu trek jij de stekker eruit,’ zei hij. Niet schreeuwend. Eerder gekwetst.
Ik zei dat ik de stekker niet eruit trok, dat ik alleen niet meer de motor wilde zijn.
Hij antwoordde: ‘Maar zonder jou gebeurt er niks, dat weet je toch.’
Daar bleef ik aan hangen. Want het klonk als een verwijt, maar het was ook waar. Misschien heb ik het zelf zo gemaakt. Als ik altijd de eerste ben die iets regelt, leren anderen ook dat ze kunnen wachten. Ik vond het prettig om nodig te zijn. Dat moet ik nu niet doen alsof het alleen maar een last was.
Afgelopen zondag kwamen Bas en Anja koffie drinken. Niet officieel om hierover te praten, zei Bas bij binnenkomst, wat natuurlijk betekende dat ze er wel over wilden praten. Anja had een appeltje meegebracht, zo’n taart die ze altijd maakt met veel kaneel. We zaten in de woonkamer en niemand pakte meteen een stuk.
Bas zei uiteindelijk dat ze zelf wel wilden kijken naar dat huis in Slovenië, maar dat het lastig was met iedereen die iets anders wilde. Hij lachte erbij, maar zijn gezicht stond strak. Marjan zei weinig. Ik merkte dat ze vooral naar mij keek.
Ik heb gezegd dat ik het oprecht jammer vind als de groep minder vaak samenkomt. Alleen: ik kan niet meer doen alsof ik zin heb in elk weekend dat volloopt. En ik wil niet verantwoordelijk zijn voor geld, boekingen en wie zich buitengesloten voelt als er een verkeerde kamerindeling is.
Anja knikte, maar zei ook: ‘Je had misschien eerder kunnen zeggen dat het je zo hoog zat.’
Daar kon ik weinig tegenin brengen.
Bas en Anja zijn uiteindelijk toch vertrokken met een stuk taart in aluminiumfolie voor thuis. Op de oprit zei Bas nog dat hij me later wel zou bellen over Slovenië, ‘als er iets concreets is’. Ik zei dat dat prima was. We omhelsden elkaar, maar het voelde onhandig, alsof we allebei bang waren dat we er een definitief afscheid van maakten.
De reis is inmiddels voorlopig gereserveerd. Niet door mij. Ik heb nog niet gezegd of ik meega. Marjan ook niet, hoewel ze wel elke paar dagen naar de foto’s van dat huis kijkt.
Vanmorgen vroeg ze of ik donderdag mee wilde naar een klein restaurant met Peter en Lydia. Geen hele groep, gewoon met z’n vieren. Ik wilde bijna automatisch zeggen dat ik wel zou reserveren. In plaats daarvan zei ik dat ik mee wilde, maar dat zij Peter dan even moest appen.
Ze keek me aan, zuchtte een beetje en pakte haar telefoon.
Daarna heb ik koffie gezet. Voor ons allebei. Verder hoefde er die ochtend niets geregeld te worden.