Sinds de scheiding van onze vriend is er bijna geen zondag meer van onszelf

Vorige week stond ik met een pan stamppot op het fornuis toen Hans zijn telefoon op de keukentafel zag trillen. Hij keek naar het scherm, en nog voor hij iets zei wist ik dat het Erik was.

Hans nam op met die zachte stem die hij de laatste maanden alleen nog voor Erik gebruikt. Ik hoorde hem zeggen: „Nee joh, ik ben thuis. Wat is er?”

Daarna bleef het even stil. Hans knikte een paar keer, terwijl Erik natuurlijk niet kon zien dat hij knikte. Uiteindelijk zei hij: „Ik kom wel even langs. Nee, maak je geen zorgen. Ik ben er zo.”

Hij hing op, pakte zijn jas en vroeg of ik de stamppot voor hem kon bewaren.

Ik zei: „Hans, we zouden vanavond naar Monique en Pieter. We hebben dat al weken geleden afgesproken.”

Hij keek me aan alsof ik hem eraan herinnerde dat de vuilnis buiten moest. Niet boos, eerder afwezig. „Ik ben voor achten terug. Erik zit er helemaal doorheen.”

Hij was pas om kwart voor tien terug. Monique had ik een appje gestuurd dat we niet kwamen. Zij reageerde vriendelijk, met een hartje, maar ik weet dat ze teleurgesteld was. We zien elkaar niet vaak meer sinds zij naar Deventer zijn verhuisd, en als we dan iets afspreken, wil ik niet iedere keer de persoon zijn die op het laatste moment afzegt.

Erik en Marjan kennen we al sinds 1984. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, dunne muren en te hoge hypotheekrente. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, kerstdiners gedaan waar altijd wel een kind ziek werd, en jarenlang tweede kerstdag bij elkaar gegeten. Erik is peetoom van onze dochter geweest. Toen Hans een paar jaar geleden geopereerd moest worden aan zijn hart, stond Erik de volgende ochtend al om half negen met een tas broodjes in het ziekenhuis.

Dus nee, ik vind niet dat we hem moeten laten vallen nu hij en Marjan uit elkaar zijn.

Maar sinds Marjan in februari naar een appartement in Utrecht is gegaan, lijkt Erik langzaam in ons leven te zijn gaan wonen zonder dat hij hier een sleutel heeft. Eerst belde hij vooral ’s avonds. Dan wilde hij zijn verhaal kwijt over de verkoop van het huis, over wat Marjan volgens hem tegen de kinderen had gezegd, over de vaatwasser die ineens lekte. Hans luisterde. Dat snapte ik.

Daarna begon hij te vragen of Hans mee wilde wandelen. Ook prima. Hans is sinds zijn pensioen toch vaker thuis, en hij vindt wandelen heerlijk.

Maar het werd drie, soms vier keer per week. Een kapotte lamp. Een brief van de bank die Erik niet begreep. Een afspraak bij de huisarts waar hij tegenop zag. Een middag waarop hij zei dat het huis zo stil was dat hij gek werd van de koelkast.

Hans ging bijna altijd.

Als Erik bij ons kwam eten, zette ik automatisch een bord extra neer. In het begin vond ik dat zelfs fijn. Hij was altijd een gezellige man geweest, een beetje rommelig, altijd te hard lachend om zijn eigen grappen. Nu zat hij vaak met zijn handen om zijn glas heen en keek hij naar de tuin alsof daar iets moest gebeuren.

Ik voelde me schuldig als ik dacht: ik wil vanavond gewoon met Hans een serie kijken en om half elf naar bed.

Daar durfde ik lang niets over te zeggen. Want wat zeg je dan? Dat iemand die somber is niet in je planning past? Het klonk in mijn hoofd al hard voordat ik het uitsprak.

Toch kwam het er vorige maand uit. We zouden op zaterdag naar de markt gaan en daarna lunchen in de stad. Gewoon met z’n tweeën. Hans had het zelf voorgesteld. Om tien uur belde Erik. Hij had slecht geslapen en wilde weten of hij misschien mee kon, omdat hij anders de hele dag alleen thuiszat.

Hans zei meteen: „Natuurlijk.”

Ik stond in de gang met mijn tas al om mijn schouder. Ik zei niet veel, maar blijkbaar keek ik verkeerd, want Hans zei na het gesprek: „Doe nou niet zo. Hij heeft het moeilijk.”

Dat was precies het verkeerde zinnetje.

„Ik doe niet zo,” zei ik. „Ik wil één keer iets met jou doen zonder dat we eerst moeten kijken of Erik zich anders alleen voelt.”

Hans trok zijn wenkbrauwen op. „Alsof ik hem expres mee wil slepen.”

„Nee, maar je zegt nooit nee. Nooit. En vervolgens zit jij hier chagrijnig omdat we niks meer voor onszelf doen.”

Hij werd boos. Niet hard schreeuwen of zo, dat doen we allebei niet echt, maar koud. Hij zei dat ik geen idee had hoe eenzaam Erik was. Dat een scheiding op onze leeftijd niet hetzelfde is als wanneer je veertig bent en nog overal opnieuw kunt beginnen. Dat Erik soms dingen zei die hem zorgen baarden.

Daar schrok ik van. Ik vroeg wat hij bedoelde.

Hans zei: „Dat hij niet weet waar hij het nog voor doet. Niet dat hij iets gaat doen, denk ik. Maar gewoon… hij is leeg.”

Toen voelde ik me meteen een afschuwelijk mens. Alsof ik moeilijk deed over een zaterdagmiddag terwijl Erik misschien nauwelijks de dag doorkwam.

Maar ik zei ook: „Dan moet hij hulp krijgen die verder gaat dan jij die telkens op komt draven.”

Hans vond dat een nare manier om het te zeggen. Misschien was het dat ook. Hij zei dat Erik al bij de huisarts was geweest en op een wachtlijst stond voor gesprekken. Dat wist ik niet eens. Blijkbaar vertelde Hans me niet alles, omdat hij dacht dat ik dan alleen maar zou zeggen dat het te veel werd.

Dat deed meer pijn dan ik verwacht had.

Afgelopen zondag appte Erik in onze groepsapp: ‘Zit weer eens alleen met een broodje kaas. Mag ik vanavond bij jullie aanwaaien? Hoef niks bijzonders hoor.’

Hans was boven de schuur aan het opruimen. Ik keek naar dat bericht, naar de drie puntjes die verschenen en verdwenen omdat hij waarschijnlijk nog iets wilde typen. Ik voelde mijn maag meteen samenknijpen. Niet door Erik zelf, maar doordat ik wist hoe de avond zou gaan. Ik zou koken, proberen het gezellig te maken, Hans zou na afloop nog met Erik mee naar buiten lopen, en maandag zou ik moe opstaan terwijl ik mijn zus al drie keer had beloofd eens koffie te komen drinken.

Ik heb toen, voordat Hans beneden was, geantwoord: ‘Vanavond lukt het ons niet. Zullen we anders donderdag afspreken om samen te eten?’

Erik reageerde pas na een uur: ‘Okee. Sorry dat ik het vroeg.’

Die ene zin bleef de hele middag in mijn hoofd hangen.

Hans was woedend toen hij het zag. Hij zei dat ik niet namens hem kon beslissen. Daar had hij gelijk in. Ik zei dat hij dan zelf maar eens moest beslissen, want alles kwam nu neer op mij die óf de deur opendoet óf de boze vrouw is.

We hebben die avond nauwelijks gepraat. Hij at een boterham aan tafel. Ik ook, uiteindelijk. De stamppot van eerder in de week was op en ik had geen zin om boodschappen te doen.

De volgende ochtend stelde ik voor dat we met Erik vaste afspraken maken. Bijvoorbeeld iedere donderdag eten en op zondagmiddag wandelen, tenzij er echt iets aan de hand is. Niet omdat ik hem wil wegplannen, maar omdat ik wil weten waar ik aan toe ben. Omdat ik weer eens zonder schuldgevoel iets met mijn zus wil kunnen doen, of een middag in de tuin wil rommelen zonder steeds te luisteren naar Hans zijn telefoon.

Hans zei: „Eenzaam zijn houdt zich niet aan donderdag.”

Daar had ik ook geen antwoord op.

Vanmiddag is Hans weer bij Erik. Ze zouden samen naar de bouwmarkt gaan, omdat Erik een gordijnrail nodig heeft. Ik heb net een kaart voor hem geschreven. Geen grote tekst. Alleen dat we donderdag graag willen koken en dat hij niet sorry hoeft te zeggen als hij vraagt of hij langs mag komen.

Ik weet alleen nog niet of ik die kaart straks aan Hans meegeef, of hem zelf in de bus doe. Het verschil voelt groter dan het eigenlijk is.