Ik dacht dat onze kinderen vanzelf zouden zien dat wij het niet meer redden

De emmer stond drie dagen onder de lekkage bij het keukenraam voordat ik onze zoon Bas appte. Niet omdat het zo ernstig lekte, maar omdat ik wist dat als ik eenmaal begon, ik misschien ook moest zeggen dat ik de ladder niet meer op durf. En dat ik die losse dakpan al sinds oktober zie liggen.

Ik ben 76, mijn vrouw Ria is 73. We wonen in een tussenwoning in Amersfoort, waar we in 1981 zijn komen wonen toen Bas nog in de box lag. Onze dochter, Marije, is hier ook geboren. Er zitten potloodstreepjes van hun lengtes op de binnenkant van de meterkastdeur. Ria wil die deur nooit vervangen, zelfs niet nu hij scheef hangt.

Tot een paar jaar geleden deden we alles nog zelf. Ik schilderde de schutting, maaide het gras, reed naar het afvalbrengstation. Ria poetste het hele huis op vrijdag, alsof er nog steeds twee kleine kinderen doorheen holden. Nu heeft zij artrose in haar handen en sinds haar val in de badkamer loopt ze voorzichtig, bijna schuifelend. Ik heb COPD. Niet zodanig dat ik de hele dag zuurstof nodig heb, gelukkig niet, maar een trap op met een wasmand voelt soms alsof ik tegen de wind in fiets.

Onze kinderen weten dat wel. Althans, ze weten de woorden. Of ze weten wat het in een gewone dinsdag betekent, daar twijfel ik steeds vaker aan.

We hebben ze altijd geholpen. Dat zeg ik niet om een rekening te presenteren, al klinkt het misschien wel zo. Bas en zijn vrouw konden destijds net niet genoeg lenen voor hun huis in Vathorst. We hebben toen 25.000 euro gegeven. Niet geleend, gegeven. Mijn vader had wat geld nagelaten en wij vonden het fijn dat zij een huis konden kopen. Marije zat na haar scheiding met twee kinderen en een baan van drie dagen. Ria paste iedere woensdag op en ik haalde de jongens vaak van school. In vakanties waren ze hier soms drie dagen achter elkaar. We deden dat graag. Echt.

Maar we waren ook altijd beschikbaar. Dat is misschien het probleem geweest.

Als Bas een kast moest ophangen, belde hij mij. Als Marije koorts had en de jongste moest naar voetbal, stond Ria met haar jas al aan voordat haar dochter was uitgesproken. Ik bracht soep als iemand ziek was, ik hielp verhuizen, ik zette een nieuwe kraan in bij Bas toen hij net vader was geworden en geen idee had hoe dat moest. Achteraf denk ik: we hebben nooit geleerd om te zeggen dat iets niet uitkwam.

In november hebben Ria en ik ze uitgenodigd om te eten. Gewoon op zondag, hutspot met rookworst. Bas kwam met zijn gezin, Marije zonder de kinderen omdat die bij hun vader waren. Het was eigenlijk een gezellige middag. Te gezellig misschien, want ik stelde het gesprek uit tot iedereen al koffie had en Marije net een tweede stuk appeltaart pakte.

Ik zei dat het huis onderhoud nodig had. Niet alles tegelijk, maar de goten, een stuk schilderwerk aan de achterkant, de badkamerkast die los zit. En dat we ook wilden bespreken hoe we het de komende tijd gingen doen met boodschappen en af en toe schoonmaken.

Bas keek meteen naar zijn telefoon. Hij zei niet eens echt nee. Hij zei: “Pap, jullie moeten daar gewoon iemand voor regelen. Daar zijn toch bedrijven voor?”

Marije knikte. “En thuiszorg misschien. Je moet niet alles bij familie neerleggen.”

Dat kwam harder aan dan ik had verwacht. Niet omdat ze ongelijk hebben dat er mensen zijn die dat werk doen. Natuurlijk zijn die er. Alleen kost alles geld, en thuiszorg komt niet omdat je ramen vies zijn of omdat je graag wilt dat iemand even blijft zitten als Ria een slechte dag heeft. Bovendien wilden we niet dat ze elke week hier kwamen schoonmaken alsof dat vanzelfsprekend was. We vroegen of ze een zaterdag wilden helpen om de boel weer veilig en netjes te krijgen, en daarna af en toe iets praktisch.

Ik zei dat ook, maar waarschijnlijk te fel.

“Toen jullie iets nodig hadden, hoefden wij ook geen bedrijf te bellen,” zei ik.

Bas werd rood. Hij zei dat dit precies was waar hij bang voor was: dat alles wat we ooit voor hem hadden gedaan nu tegen hem gebruikt werd. Marije begon te huilen, maar meer uit boosheid dan verdriet. Ze zei dat zij ook een baan heeft, een huishouden en twee pubers die haar overal voor nodig hebben. Dat snap ik allemaal. Ik heb zelf ook gewerkt, en Ria heeft jarenlang alles daaromheen draaiende gehouden.

Ria zei bijna niets. Ze zat met haar handen om haar koffiekop en keek naar de kruimels op tafel.

Sinds die zondag is het anders. Bas belt nog wel, meestal onderweg in de auto. Dan hoor ik zijn richtingaanwijzer tikken. Hij vraagt hoe het gaat, ik zeg “redelijk”, want wat moet ik anders zeggen? Marije stuurt foto’s van de jongens of een berichtje dat ze druk is. Ik reageer met een duimpje, wat ik vroeger een belachelijke manier van communiceren vond.

We hebben uiteindelijk een schoonmaakhulp gevonden via via. Een aardige vrouw, Monique, die eens per twee weken komt. Ik ben blij met haar, begrijp me niet verkeerd. Ze doet in drie uur meer dan Ria nu in een week kan. Maar het voelt toch vreemd om haar te moeten vragen of ze alsjeblieft ook even wil kijken naar een lampje in de gang, terwijl dat niet haar werk is.

Voor de lekkage kwam buurman Henk. Hij is 68, dus ook niet bepaald een jonge vent, maar hij heeft nog een stabiele trap en een busje vol gereedschap. Hij heeft een tijdelijke afdichting gemaakt en een dakdekker geregeld die volgende maand kan komen. Zijn vrouw, Els, neemt soms boodschappen mee als ze toch naar de Jumbo gaat. Ria heeft vorige week een schaal lasagne voor hen gemaakt, zittend aan tafel omdat lang staan niet meer lukt.

Ik schaam me ervoor hoeveel dat met me doet. Dat iemand die geen familie is, zonder gedoe vraagt of de kliko buiten moet.

Tegelijk ben ik ook niet alleen maar boos op Bas en Marije. Ik zie best dat wij het gesprek verkeerd hebben aangepakt. We kwamen ineens met een lijstje, geldzorgen en een soort stille verwachting die al jaren opgebouwd was. Misschien hoorden zij alleen: jullie schieten tekort. Terwijl zij waarschijnlijk denken dat wij nog steeds diezelfde ouders zijn die alles wel regelen.

Vorige week belde Marije onverwacht. Ze zei dat ze er nog steeds mee zat. Niet dat ze meteen een plan had, maar ze vroeg of ze zaterdag langs mocht komen om de badkamerkast vast te zetten en samen met Ria naar de administratie te kijken. Ik zei dat het goed was.

Ria heeft daarna haar haar gewassen, terwijl Marije helemaal niet gezegd had hoe laat ze kwam.

Bas heeft nog niets aangeboden. Misschien komt dat nog. Misschien niet. De emmer is inmiddels weg en er ligt een factuur van de dakdekker op tafel. Vanmiddag komt Monique weer. Ik moet haar nog vragen of ze de hoge plank in de bijkeuken wil afstoffen, maar ik twijfel of dat wel kan.

Het zijn tegenwoordig vaak zulke kleine dingen waar een dag omheen gaat draaien.