Mijn dochter zegt dat ik haar schoonfamilie ‘gewoon moet leren kennen’, maar ik voel me elke keer minder welkom
Mijn dochter Noor en ik waren nooit van die moeder-dochtercombinatie die alles samen deed en iedere dag belde. Daar zijn we allebei te eigenwijs voor. Maar we waren wel hecht. Echt hecht.
Toen haar vader bij ons wegging, was Noor zestien. Niet klein meer, maar ook nog lang niet volwassen genoeg om te doen alsof het haar niks deed. Hij vertrok vrij plotseling, naar een collega die hij volgens hem al maanden ‘probeerde te vermijden’. Ik weet nog dat Noor de eerste weken na school op de bank lag met haar jas nog aan. Dan zette ik thee en deden we alsof we televisie keken. Soms zeiden we een uur niets.
Later, toen ik na die scheiding in de ziektewet belandde omdat alles me te veel werd, was zij degene die op zaterdag boodschappen deed. Niet omdat ik dat van haar vroeg. Ze kwam gewoon thuis met een tas van de Lidl en zei dan: ‘Mam, je hebt geen pindakaas meer.’
We hebben het gered, samen. Niet perfect, maar wel samen.
Daarom raakt het me misschien ook zo hard dat ik me nu soms een bijzaak voel in haar leven. En ik schaam me ervoor dat ik dat opschrijf, want Noor is dertig. Ze heeft een eigen huis, een leuke baan bij een verzekeraar en sinds afgelopen voorjaar is ze getrouwd met Daan. Natuurlijk mag ze haar eigen leven hebben. Dat weet ik heus wel.
Daan is geen verkeerde jongen. Integendeel. Hij is rustig, werkt hard, helpt altijd met afwassen en stuurt me soms uit zichzelf een foto van hun kat. Alleen zijn ouders… ik krijg er geen grip op.
Zijn vader, Kees, is zo’n man die tijdens het eten begint over ‘hoe het vroeger hoorde’ en dan kijkt alsof iemand hem tegenspreekt als je alleen maar je glas optilt. Zijn moeder, Marjan, doet alles netjes en op vaste tijden. Zondag om vijf uur eten, geen discussie. De servetten worden op een bepaalde manier gevouwen. Iedereen krijgt een taak, maar ik blijkbaar niet.
De eerste keer dacht ik nog dat ik me aanstelde. Ik kwam met een bos bloemen voor Marjan en zij zei: ‘O, dat hoeft bij ons eigenlijk niet, hoor. We hebben al genoeg vazen.’ Niet onvriendelijk misschien, maar ook niet bepaald hartelijk.
Bij de tweede keer vroeg ik aan Kees hoe het met zijn knie ging, omdat Daan had verteld dat hij fysiotherapie had. Hij keek me aan en zei: ‘Dat komt wel goed.’ Daarna draaide hij zich om naar zijn zoon en begon over de hypotheekrente.
Het zijn geen grote dingen. Dat maakt het ook zo vervelend. Als iemand tegen je schreeuwt, kun je zeggen: dit is niet normaal. Maar dit zijn steeds van die kleine prikken. Als ik iets vertel, valt er vaak een stilte en begint Marjan daarna over iets heel anders. Als Noor en ik lachen om een herinnering van vroeger, zegt Kees soms: ‘Jullie hebben wel een heel eigen taal samen.’ Met zo’n glimlach erbij waarvan ik niet weet of ik hem verkeerd lees.
Vorige maand waren we daar voor de verjaardag van Daan. Marjan had een uitgebreid diner gemaakt. Ik had aangeboden iets mee te nemen, maar dat was niet nodig. Aan tafel ging het over vakanties. Daan en Noor willen volgend jaar misschien naar Portugal.
Ik zei dat ik daar ooit met mijn zus ben geweest, lang geleden, en dat Porto prachtig is.
Marjan zei: ‘Nou, zij gaan denk ik niet voor jouw soort vakantie.’
Ik vroeg wat ze daarmee bedoelde, waarschijnlijk al te scherp.
‘Ach,’ zei ze, ‘jij ging toch altijd met de caravan?’
Dat klopt. Toen Noor klein was, konden we ons geen vliegvakanties permitteren. We gingen naar Frankrijk of de Veluwe, soms met regen en een lekkende voortent. Ik heb daar nooit geheimzinnig over gedaan. Maar ineens zat ik daar met mijn handen onder tafel in elkaar geklemd, alsof ik me ervoor moest verantwoorden dat ik niet hetzelfde leven had gehad als zij.
Noor zei niets. Daan ook niet.
In de auto terug vroeg ik haar waarom ze niks had gezegd. Ze zuchtte meteen, nog voordat ik klaar was. Dat deed pijn, misschien nog wel het meest.
‘Mam, Marjan bedoelt het niet altijd zo zwaar als jij het oppakt.’
Ik keek uit het raam. Het regende en de lantaarnpalen gleden langs het raam alsof we veel harder reden dan we werkelijk deden.
‘Ik vraag niet of je ruzie maakt,’ zei ik. ‘Maar je kunt toch gewoon zeggen dat het niet leuk is?’
‘Dan wordt alles meteen zo beladen. Daan zit er ook tussen. Ik wil gewoon dat iedereen normaal doet.’
Ik heb haar toen gezegd dat ik misschien niet meer zo lang wil blijven als we daar zijn. Dat ik desnoods alleen koffie kom drinken en daarna weer wegga. Of dat we vaker met z’n tweeën afspreken, zonder hen erbij.
Ze keek me aan alsof ik haar iets afpakte.
‘Je kunt niet verwachten dat ik mijn schoonfamilie op afstand houd omdat jij je niet op je gemak voelt.’
Dat heb ik ook niet gevraagd. Tenminste, niet letterlijk. Maar misschien hoorde zij wel precies dat.
Sindsdien praten we voorzichtig om elkaar heen. We bellen nog, maar minder spontaan. Vroeger stuurde ze me foto’s van wat ze aan het koken was of een berichtje als ze een rotdag op kantoor had. Nu krijg ik vooral praktische appjes. ‘Kom je zondag om drie uur?’ of ‘Heb jij nog een goed adres voor een loodgieter?’
Afgelopen zondag kwam ze langs om iets voor Kerstmis te bespreken. Ik had al stoofperen gehaald, omdat dat bij ons altijd zo was. Kerstavond eenvoudig eten, eerste kerstdag laat ontbijten met afbakbroodjes en daarna wandelen, ook als het miezerde. Sinds mijn moeder dood is, zijn die dagen bij mij thuis misschien wel te belangrijk geworden. Dat besef ik zelf ook wel.
Noor bleef in de keuken staan terwijl ik koffie inschonk.
‘Mam, we gaan eerste kerstdag naar Daans ouders,’ zei ze.
Ik dacht eerst dat ze bedoelde: ook naar Daans ouders. Maar nee. Ze gingen daarheen. Voor het eerst. Marjan had blijkbaar gezegd dat iedereen er dit jaar moest zijn, ook Daans broer met zijn gezin. Noor zei dat het voor Daan belangrijk was.
Ik zei: ‘Natuurlijk.’ Veel te snel.
Ze keek naar de stoofperen op het aanrecht en zei zacht: ‘We kunnen tweede kerstdag langskomen.’
Toen werd ik boos. Niet omdat ze naar haar schoonouders gaat, denk ik. Of niet alleen daarom. Ik zei dat ik het zat was om steeds begrip op te brengen voor mensen die mij behandelen alsof ik een ongemakkelijke kennis ben. Dat ik haar niet vraag om te kiezen, maar dat zij blijkbaar al gekozen heeft voor rust aan die kant, ook als ik daarvoor kleiner moet worden.
Noor kreeg tranen in haar ogen. Dat had ik niet verwacht. Ze zei dat ze al maanden het gevoel heeft dat elk bezoek een examen is. Dat ze na afloop moet bewijzen dat ze genoeg voor mij is opgekomen. En dat ze niet weer in een situatie wil belanden waarin ze voor haar moeder moet zorgen, zoals toen ze zestien was.
Dat kwam hard aan, omdat er waarheid in zit. Ik heb haar destijds nooit willen belasten, maar willen is iets anders dan het niet doen.
Ik heb gezegd dat het me speet. Zij ook, maar we wisten allebei niet precies waarvoor. Daarna nam ze haar jas en ging ze weg. Haar koffie stond nog bijna vol op tafel.
We hebben nu afgesproken dat ze tweede kerstdag komt, samen met Daan. Ik ga eerste kerstdag waarschijnlijk naar mijn zus in Amersfoort, al zie ik daar ook een beetje tegenop. Ze hebben drie kleinkinderen en het is altijd druk. Misschien is druk juist goed.
Met Marjan en Kees heb ik nog niets besproken. Een deel van mij wil dat ook helemaal niet. Ik wil niet aan een tafel zitten uitleggen dat een opmerking over een caravan langer blijft hangen dan zij waarschijnlijk begrijpt.
Maar ik wil Noor ook niet kwijt omdat ik me vernederd voel door mensen die misschien nooit meer gaan veranderen. Dat is het vervelende. Ik kan mezelf voorhouden dat ik alleen grenzen stel, maar soms voelt die grens ook als een deur die ik uit angst alvast dichtdoe.
Vanmorgen appte Noor een foto van een kersttrui die Daan voor de kat had gekocht. Belachelijk ding, rood met rendieren. Ik moest lachen. Ik stuurde terug dat het arme beest waarschijnlijk een advocaat nodig heeft.
Ze reageerde met drie lachende gezichtjes. Daarna bleef het weer stil.