Na veertig jaar vriendschap voelde een huisje in Frankrijk ineens als een grens tussen ons
Vorige week zag ik dat Marjan een foto had geplaatst van een stenen huisje met blauwe luiken. Er stond alleen bij: “Eerste avond op ons eigen terras.”
Ik heb er een hartje onder gezet. Natuurlijk deed ik dat. Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid op tafel gelegd en ben ik de vaatwasser gaan uitruimen, terwijl er eigenlijk nauwelijks iets in zat.
Theo vroeg of ik iets had.
“Nee,” zei ik. “Ze zijn er dus echt.”
Hij knikte alleen. Hij kent die toon inmiddels.
We zijn al vrienden met Marjan en Kees sinds 1986. Theo werkte toen bij de gemeente in Zwolle, Kees bij een installatiebedrijf. Marjan en ik zaten allebei met kleine kinderen thuis, al werkte ik later weer drie dagen in de bibliotheek. We woonden eerst in dezelfde straat, verhuisden allebei een paar keer, maar bleven elkaar zien. Niet alleen op verjaardagen. Elke woensdag aten we bij elkaar, om en om. In de zomer gingen we met twee auto’s naar Frankrijk of Italië. Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, haalde Marjan me op omdat ik zelf niet meer durfde te rijden. Toen Kees zijn bypassoperatie kreeg, stond Theo drie weken lang bijna elke ochtend bij hen voor de deur om de hond uit te laten.
Dat soort vriendschap was het. Niet perfect, hoor. Kees kan vreselijk dominant zijn als hij een paar glazen wijn op heeft en Marjan heeft de neiging om plannen al als vaststaand te vertellen voordat iemand ja heeft gezegd. Maar we hoorden bij elkaar. Zo voelde het tenminste.
Het idee van een huisje in Frankrijk kwam vorig voorjaar op tafel. We waren een weekend in Limburg, in zo’n vakantiepark waar het buiten regende en binnen altijd te warm is. Kees had net gehoord dat hij vervroegd met pensioen kon. Marjan was al een jaar thuis vanwege een reorganisatie bij haar werk. Theo is sinds januari ook met pensioen.
Ik werk nog tweeënhalve dag per week bij de bibliotheek. Niet omdat ik moet, al helpt het inkomen natuurlijk wel, maar omdat ik nog niet klaar ben met helemaal stoppen. Ik vind het prettig om een reden te hebben om op dinsdag mijn jas aan te trekken en ergens verwacht te worden.
Na het eten zei Kees: “Als we nou samen iets kopen in de Languedoc. Geen villa of zo, gewoon een huisje. Vier slaapkamers misschien. Dan kunnen we er allemaal gebruik van maken.”
Marjan was meteen enthousiast. Ze had die avond al Funda in het buitenland open op haar tablet. Theo ook, tot mijn verbazing. Hij zei dat we dan eindelijk niet elk jaar hoefden te zoeken naar iets waar de bedden goed waren en waar je niet naast een Britse vrijgezellengroep terechtkwam.
Ik vond het idee mooi. Echt. Ik zag ons daar ook wel zitten, met een tafel onder een boom en stokbrood dat altijd te zacht wordt als je het een dag laat liggen. Maar ik kreeg tegelijk een knoop in mijn maag.
Wij hebben spaargeld. Niet enorm veel, maar genoeg om rustig te leven, denken we. Alleen: mijn vader is op zijn laatste jaren zo afhankelijk geworden van particuliere hulp, omdat de thuiszorg niet alles kon opvangen en mijn moeder het niet meer trok. Dat heeft meer gekost dan ik ooit had gedacht. Mijn schoonzus en zwager zitten nu ook in zo’n traject met haar moeder. Je hoort van alles, misschien maak je jezelf gek, maar ik wil gewoon niet doen alsof ouder worden gratis is omdat we het liever gezellig houden.
Theo dacht er ongeveer hetzelfde over, alleen zegt hij dan: “Ik wil geen stenen met vier andere namen erop.”
We hebben dus niet meteen nee gezegd. We hebben gerekend. Met de hypotheekadviseur gesproken, gewoon oriënterend. Kees stuurde Excelbestanden rond met kosten voor onderhoud, belasting, verzekeringen, een potje voor kapotte airco’s en weet ik veel wat. Op papier was het allemaal redelijk. Maar juist dat maakte me nerveus. Als je vier eigenaren hebt, ben je niet alleen vrienden die vakantie vieren. Dan moet je afspraken maken over weken, geld, gasten, schoonmaak, verkoop. En wat als iemand overlijdt? Of wil scheiden? Of minder kan betalen?
Toen we uiteindelijk bij hen aan de keukentafel zeiden dat we niet mee wilden investeren, werd Marjan heel stil. Kees zei meteen dat hij het snapte. Te snel, vond ik. Hij pakte de schaal borrelnootjes en schoof die naar ons toe alsof we een gewone avond hadden.
Een week later belde Marjan me. Ze zei dat zij en Kees misschien toch met z’n tweeën wilden kopen. En dat wij natuurlijk altijd welkom zouden zijn. “Net als familie,” zei ze.
Ik wist niet goed wat ik daarop moest zeggen. Het klonk lief, maar ook alsof er al besloten was dat wij bij hun leven mochten aanhaken wanneer het hun uitkwam.
Theo was bozer dan ik verwacht had. “Dus wij mogen straks de vrije weekjes invullen?” zei hij. “En als er iets aan dat dak moet gebeuren, hebben wij geen reet te zeggen, maar wel dankbaar doen dat we er mogen zitten?”
Dat was overdreven. Dat zei ik ook. Kees en Marjan mogen toch zelf hun geld uitgeven? We hadden zelf nee gezegd.
Maar ik voelde het ook. Veertig jaar lang deden we dingen samen zonder dat iemand de baas was. Niet altijd tegelijk, niet alles met z’n vieren, maar er zat een soort gelijkheid onder. Als zij straks een vaste plek hebben in Frankrijk, met hun eigen sleutel, hun buren, hun favoriete markt en een slaapkamer die blijkbaar voor ons is, dan zijn wij toch bezoekers in iets wat vroeger misschien van ons allemaal had kunnen zijn.
Het echte gedoe kwam tijdens ons jaarlijkse weekend weg in november. Dit keer een huisje op de Veluwe, wat achteraf misschien niet zo’n goed idee was. Het regende onafgebroken. We hadden één woonkamer, Kees snurkte door de dunne muur heen en iedereen deed alsof er niets speelde.
Zaterdagmiddag, na een wandeling waarbij we alleen maar door modder waren gebaggerd, begon Marjan over de koop. Ze hadden een bod gedaan. “Het is niet groot, maar juist daardoor knus. En jullie kunnen altijd komen, dat menen we echt.”
Theo zei: “Altijd is makkelijk gezegd als het niet van ons is.”
Kees zette zijn glas neer. “Maar jullie wilden toch niet? Wat moeten wij dan, wachten tot jullie je veilig genoeg voelen?”
Ik had Theo moeten afremmen, misschien. In plaats daarvan zei ik dat we niet wilden wachten dat zij oud en ziek werden, zoals Kees het meteen karikaturaal maakte. We wilden alleen niet ons spaargeld vastzetten in een huis op duizend kilometer afstand.
Marjan keek me aan met tranen die ze duidelijk niet wilde laten komen. “Wij vragen jullie niet om toestemming, Els. Maar het voelt alsof jullie ons nu veroordelen omdat we nog iets leuks willen.”
Dat raakte me, omdat het niet eerlijk was en omdat er misschien toch iets van waarheid in zat. Ik ben voorzichtig. Soms ben ik zó bezig met voorkomen dat er iets misgaat, dat ik vergeet dat je ook nog ergens naartoe moet leven.
Die avond zijn we vroeg naar bed gegaan. De volgende ochtend maakte ik koffie voor iedereen, veel te sterke filterkoffie omdat ik de maatlepel kwijt was. We praatten over de AOW-leeftijd van een kennis, over een lekkende dakgoot bij hen thuis, over de kleindochter van Marjan die op hockey zit. Allemaal gewone dingen. Niemand zei: laten we dit oplossen.
Nu hebben ze dus gekocht. Eind juni gaan ze er voor het eerst drie weken heen. Marjan heeft gevraagd of wij in september komen, buiten het hoogseizoen. Theo wil niet. Hij zegt dat hij niet in een gastenboek wil belanden bij zijn oudste vrienden.
Ik heb nog niet geantwoord. Misschien ga ik alleen. Misschien niet. Voorlopig heb ik die foto toch weer bekeken en ingezoomd op het terras. Er stonden vier stoelen rond een kleine tafel. Dat kan toeval zijn. Het kunnen gewoon de stoelen zijn die er al stonden.