Mijn man wil voortaan in Frankrijk leven, maar voor mij voelt het alsof hij ook onze vrienden achterlaat
De afgelopen donderdag stond er voor het eerst in bijna twintig jaar geen pan op het fornuis voor vier personen.
Normaal eten we om de beurt bij elkaar. Wij, ik en Henk, en Marijke en Paul. Niet altijd chic hoor. Soms macaroni met veel te veel kaas, soms een pannetje mosselen als Paul ze ergens goedkoop had gehaald. In de zomer zitten we in hun achtertuin in Amersfoort, met van die dunne plaids over onze knieën zodra de zon weg is. In de winter bij ons aan de eettafel, waar eigenlijk net te weinig ruimte is als Marijke weer een schaal salade meeneemt die nergens meer bij past.
Het is zo’n gewoonte geworden dat je pas merkt hoeveel die betekent als hij wankelt.
Henk en ik zijn 62 en 64. Hij heeft in januari zijn bedrijf in installatietechniek overgedragen aan zijn compagnon. Niet omdat het slecht ging, juist niet. Hij had het goed geregeld. Jarenlang zei hij dat hij nog één of twee jaar door wilde, en ineens was het klaar. Ik dacht eerst dat hij een paar maanden zou aanrommelen in de schuur, misschien een cursus Spaans zou doen. Dat soort pensioenplannen.
Maar Henk had blijkbaar al veel langer iets anders in zijn hoofd.
We hebben twaalf jaar geleden een klein huisje gekocht in de Ardèche. Via via, goedkoop in vergelijking met Nederland, maar er moest van alles aan gebeuren. Een oud stenen huisje aan een weggetje waar je niet met twee auto’s langs elkaar kunt. Wij gingen er tot nu toe drie of vier weken per jaar heen. Henk knapte er steeds iets op. Een dakgoot, een muurtje, luiken die nooit helemaal recht hingen. Hij werd daar rustiger van, dat zag ik wel.
Dit voorjaar vertelde hij bij de koffie dat hij zich had aangemeld als vrijwilliger bij een vereniging daar die oude stenen terrassen herstelt. Van die muren op hellingen, rond boomgaarden en kleine wijngaarden. Hij had er tijdens onze laatste vakantie met iemand staan praten en was helemaal enthousiast geworden.
‘Eindelijk iets met mijn handen waar niemand een offerte voor wil,’ zei hij lachend.
Ik zei nog: ‘Leuk toch.’
Toen zei hij: ‘Ik wil vanaf september gewoon zes, zeven maanden daar zitten.’
Ik dacht echt dat hij overdreef. Henk kan ergens zo in opgaan. Maar hij had al gekeken naar een aanhanger voor zijn gereedschap. Hij wist welke maanden die vereniging het meeste werk had. Hij had zelfs uitgezocht waar in Aubenas een fysiotherapeut zat, voor als zijn knie weer opspeelde.
En hij zei steeds “we”. Wij gingen daar wonen. Wij zouden in Nederland alleen nog terugkomen voor kerst, verjaardagen en misschien een paar weken in het voorjaar.
Ik werk zelf nog twee dagen per week bij de bibliotheek. Niet omdat het financieel per se moet, al is het ook niet zo dat we zwemmen in het geld. Ik doe de jeugdactiviteiten en help oudere mensen met de computer. Mijn leidinggevende kan best schuiven met uren, maar ik wil helemaal niet stoppen. Ik vind het fijn om ergens verwacht te worden. En ik heb mijn zus in Soest, mijn dochter met haar gezin in Utrecht, de kleinkinderen die zonder aankondiging bij ons binnenvallen als ze bij zwemles zijn geweest.
Maar eerlijk gezegd ging het me nog het meest om Marijke.
Wij kennen elkaar sinds de kinderen op de basisschool zaten. Onze jongste zoons waren toen bevriend. De jongens zijn allang de deur uit en zien elkaar misschien twee keer per jaar, maar wij zijn gebleven. Marijke weet dingen over mij die ik niet eens meer aan Henk uitleg, omdat het te veel voorgeschiedenis heeft. Toen mijn moeder zo achteruitging, zat zij met mij in de wachtkamer van het Meander. Toen Paul twee jaar geleden die dotterbehandeling kreeg, stonden Henk en ik hun planten water te geven en deden we alsof we niet bang waren.
Dat klinkt misschien afhankelijk. Misschien is het dat ook wel een beetje. Maar op onze leeftijd zijn zulke vriendschappen niet iets wat je zomaar opnieuw opbouwt in een Frans dorp waar iedereen elkaar al kent en ik de taal net goed genoeg spreek om brood te bestellen.
Henk begreep dat aanvankelijk niet. Hij zei: ‘Marijke en Paul kunnen toch gewoon komen? Ze hebben alle tijd.’
Paul heeft helemaal niet alle tijd. Hij past elke woensdag op zijn kleindochter. Marijke helpt haar oudste dochter die net gescheiden is. En los daarvan: mensen komen niet zes keer per jaar naar de Ardèche omdat jij daar een nieuw leven bent begonnen. Dat weet iedereen.
Het werd vervelend toen Marijke en Paul er zich openlijk mee gingen bemoeien. Ik had er zelf met Marijke over gepraat, huilend nog, na een glas wijn te veel. De week erna zei Paul tijdens het eten tegen Henk dat hij het ‘wel erg rigoureus’ vond om alles hier op te geven voor een stapel stenen in Frankrijk.
Henk werd heel stil. Hij kan stil worden op een manier waardoor je al weet dat het mis is.
Later thuis zei hij dat ik hen tegen hem had opgezet.
Dat vond ik oneerlijk. Ik had geen campagne gevoerd. Ik was gewoon verdrietig en in de war. Maar ik snap ook dat het voor hem zo voelde. Ineens zaten zijn drie naaste mensen aan tafel die allemaal redenen hadden waarom hij niet moest gaan.
‘Jij hebt altijd kunnen doen wat je wilde,’ zei ik toen. Meteen daarna had ik spijt, want het was te algemeen en dus ook niet helemaal waar.
Hij keek me aan en zei: ‘Altijd? Ik heb veertig jaar gewerkt. Ik heb die zaak draaiend gehouden toen jouw vader ziek was, zodat jij elke week naar hem kon. Ik heb niet geklaagd toen jij minder ging werken voor de kinderen. En nu ik eindelijk iets wil wat niet nuttig hoeft te zijn, moet ik me verantwoorden.’
Dat kwam hard aan, juist omdat er waarheid in zat. Henk heeft veel gedragen. Hij heeft nooit zo’n groot sociaal leven gehad als ik. Hij had collega’s, klanten, de voetbalclub vroeger, maar zijn wereld was vaak werk. Misschien begrijp ik daarom niet hoe groot dit voor hem is. Die muren, dat buiten zijn, mensen die hem daar kennen als Henk uit Nederland die altijd te veel gereedschap meeneemt.
Tegelijkertijd voelt het alsof hij mijn leven ziet als iets waar je gemakkelijk een winterstop op kunt zetten.
Vorige week hebben we een compromis geprobeerd te maken. Oktober tot en met januari in Frankrijk, dan terug. Maar Henk zei dat juist het werk daar in februari en maart begint, en ik merkte dat ik in mijn hoofd meteen ging rekenen hoeveel donderdagen ik Marijke zou missen. Daar schaam ik me dan weer voor. Alsof ik mijn huwelijk afmeet aan een vaste avond met soep en een toetje.
Gisteren belde Marijke. Ze vroeg niet meer of ik bleef. Ze zei alleen dat ze in november met Paul een paar dagen naar Zeeland willen en of we misschien mee willen. Ik hoorde aan haar stem dat ze voorzichtig was.
Ik heb gezegd dat ik het niet wist.
Henk zat buiten een lijst te maken van wat er mee moet naar Frankrijk. Hij vroeg of ik wist waar de oude slaapzakken lagen. Ik zei: ‘Op zolder, denk ik.’ Daarna ben ik boven gaan kijken, terwijl ik wist dat ze in de berging liggen.
Ik sta nu nog steeds niet achter een besluit. Misschien ga ik mee en kom ik eerder terug dan hij. Misschien blijft hij langer weg en leren we allebei iets wat we niet wilden leren. Voor komende donderdag hebben Marijke en Paul ons gewoon weer uitgenodigd. Henk heeft nog niet gezegd of hij meegaat. Ik ook niet.