Mijn man had al een appartement bekeken voordat hij mij vertelde dat hij tijdelijk zonder mij wilde wonen

Mijn man Arie is sinds november met pensioen. Zesenveertig jaar heeft hij gewerkt bij een installatiebedrijf in Amersfoort, eerst als monteur en later als werkvoorbereider. Hij zei altijd dat hij ernaar uitkeek. Geen gezeur meer over planningen, geen telefoons op zondagavond, geen jongens die zich ziek meldden als er net een grote klus liep.

Op zijn laatste werkdag stond ik met een bos bloemen bij de zaak. Hij had een afscheidsborrel gehad, een foto met zijn collega’s en een envelop met cadeaukaarten. In de auto naar huis was hij opvallend stil. Ik dacht dat hij moe was, of misschien emotioneel. Dat mocht ook best na zo’n lange tijd.

De eerste weken deed hij van alles. De schuur opruimen, het schilderwerk in de hal, eindelijk die lekkende kraan boven vervangen. Hij liep met een lijstje door het huis alsof hij nog steeds een werkbon afwerkte. Ik werkte gewoon door. Ik ben 61 en teamleider op een basisschool. Nog drie jaar, denk ik. Misschien vier. Ik vind mijn werk nog veel te leuk om nu al af te bouwen.

Na een maand waren de lijstjes op.

Ik kwam dan thuis, vaak pas tegen zes uur, en vond hem in zijn stoel met de televisie aan zonder dat hij keek. Soms had hij gekookt, soms niet. Hij vroeg hoe mijn dag was, maar eigenlijk wilde hij vooral vertellen dat hij naar de Praxis was geweest of dat onze buurman Theo weer zijn container verkeerd neerzette.

Ik merkte dat ik kortaf werd. Niet omdat hij niets deed, want hij deed juist genoeg. Was, boodschappen, eten. Maar hij wachtte op mij. Elke middag weer. Alsof ik de enige afspraak in zijn agenda was geworden.

In januari zei hij voor het eerst dat hij naar Drenthe wilde verhuizen. Zijn broer woont bij Beilen, zijn zus in Assen. We komen daar heus wel, met verjaardagen en soms een weekend, maar ons leven is hier. Onze dochters wonen allebei op fietsafstand. De kleinkinderen komen na school geregeld even binnen, vooral als ik vrij ben. Ik heb mijn collega’s, mijn wandelgroepje op zaterdag en gewoon mijn vaste plekken. De kapper, de markt, de huisarts. Dat klinkt misschien klein, maar het is een leven dat ik in jaren heb opgebouwd.

Arie zei dat hij daar opnieuw kon beginnen. Een kleiner huis, minder tuin, dichter bij familie. Hij had het over een dorp waar een woning vrijkwam en waar zijn broer mensen kende bij de jeu-de-boulesvereniging.

Ik zei: “Maar ik heb hier nog werk, Arie. Ik ga niet elke dag vanuit Drenthe naar Amersfoort rijden.”

Hij haalde zijn schouders op. “Dan stop je toch wat eerder?”

Dat kwam harder binnen dan ik toen liet merken. Alsof mijn baan een bezigheidstherapie was die je makkelijk aan de kant zet zodra hij zich verveelde.

We hebben er maanden omheen gepraat en er tegelijk steeds meer over ruziegemaakt. Hij zei dat ik niet zag hoe leeg zijn dagen waren. Ik zei dat hij zelf ook nergens lid van wilde worden hier. Hij had één keer meegekeken bij een vrijwilligersproject in het buurthuis, maar daar vond hij de mensen te zweverig. Bij de golfbaan was het te duur. Bij zijn oude werk kwam hij nog een paar keer koffie drinken, maar daarna zei hij dat het pijnlijk was om te zien dat alles zonder hem doorging.

Daar snapte ik hem wel in. Echt. Soms zag ik hem ’s ochtends zijn wekker uitzetten, terwijl hij nergens heen hoefde. Dan bleef hij lang in zijn badjas lopen. Ik kon daar verdrietig van worden.

Maar ik werd ook boos, omdat zijn verdriet steeds meer ruimte innam en alles van mij kleiner maakte.

In maart zei hij tijdens het eten dat hij misschien een tijdje naar Drenthe ging. Niet voorgoed, voegde hij er snel aan toe. Gewoon om te kijken of hij daar rustiger werd. Zijn broer had via via een appartementje gevonden dat tijdelijk verhuurd werd.

Ik vroeg hoe tijdelijk.

“Een maand of drie. Misschien langer.”

Ik vroeg of hij dat pas die middag had bedacht.

Toen keek hij naar zijn bord. Hij schoof een stukje aardappel heen en weer met zijn vork. “Nee.”

Blijkbaar had hij al twee keer gekeken. De eerste keer in februari. Hij had zijn zus meegenomen. Hij had zelfs foto’s op zijn telefoon. Een kleine woonkamer, een balkonnetje, een keuken met van die donkere kastjes. Niet mooi, maar ook niet vreselijk.

Het ergste vond ik niet eens dat appartement. Het was dat hij daar had rondgelopen, mogelijk al had gedacht waar zijn stoel zou staan, terwijl hij thuis tegen mij deed alsof we nog samen aan het nadenken waren.

Ik zei dingen waar ik niet trots op ben. Dat hij blijkbaar alleen wilde zijn zolang ik maar wel zijn administratie bleef doen en zijn overhemden streek als hij terugkwam. Dat hij zijn pensioencrisis niet bij mij neer moest leggen. Hij werd wit om zijn neus en zei dat ik alles belachelijk maakte zodra het niet over mijn werk ging.

Daarna hebben we twee dagen nauwelijks gepraat.

Onze jongste dochter, Femke, merkte het natuurlijk meteen. Ze kwam zondag met de kinderen en vroeg in de keuken of er iets was. Ik zei dat het wel ging. Arie hoorde dat blijkbaar, want hij zei vanuit de kamer: “Je moeder vindt het prima als ik wegga.”

Femke stond daar met een pak appelsap in haar hand en keek naar mij alsof we allebei gek geworden waren. Ik heb haar later geappt dat ze zich er niet tussen moest laten trekken. Dat was laf, want ik had haar er al middenin gezet door zo gespannen te doen.

Arie is uiteindelijk begin april gegaan. Hij heeft een tas meegenomen, zijn medicijnen, wat kleren en zijn scheerapparaat. Geen grote dramatische scène. Hij zei bij de voordeur: “Ik weet niet wat ik anders moet.”

Ik zei: “Ik ook niet.”

De eerste week voelde het huis vreemd rustig. Ik sliep slecht, maar ik merkte ook dat ik niet meer op mijn tenen liep zodra ik thuiskwam. Dat schuldgevoel vind ik misschien nog het naarst. Alsof ik opgelucht was dat mijn eigen avond weer van mij was.

Hij belt bijna elke dag. Soms is hij opgewekt. Dan heeft hij met zijn broer een fietsroute gedaan of bij zijn zus gegeten. Soms klinkt hij helemaal vlak. Vorige week zei hij dat hij bij een makelaar was geweest, gewoon om te informeren wat ons huis waard is. Hij zei het alsof hij het weerbericht doorgaf.

Ik heb daarna op de bank gezeten met mijn jas nog aan. De verwarming stond te hoog, zoals altijd als hij weg is omdat ik vergeet terug te draaien. Op tafel lag een tekening van mijn kleinzoon die hij hier had laten liggen: opa, oma en twee huizen met een stippellijn ertussen.

Ik weet niet of Arie werkelijk terug wil naar ons huis, of dat hij wil dat ik uiteindelijk toch toegeef. Misschien weet hij dat zelf niet. En ik weet ook niet hoe lang je kunt zeggen dat iets tijdelijk is voordat het gewoon een ander leven wordt.

Morgen ga ik gewoon naar school. Donderdag heeft Arie gezegd dat hij langskomt om wat winterkleding op te halen. Ik heb nog geen idee of ik koffie voor hem zet.