Na veertig zomers in Frankrijk wil mijn beste vriend ineens vrij zijn van onze vaste vakantie
De map met de papieren van het huis in de Dordogne ligt nog steeds op onze eettafel. Els heeft hem vorige week al uitgeprint, zoals ze elk jaar doet. Routebeschrijving, bevestiging van de verhuurder, lijstje met wie wat meeneemt. Theo regelt altijd de wijn voor de eerste avond, ik neem de boodschappen voor onderweg mee, Marijke bakt thuis al twee quiches omdat we na negen uur aankomen en dan nergens meer zin in hebben.
Alleen dit jaar weet ik niet of Theo en Marijke wel komen.
Het klinkt misschien overdreven, maar die twee weken in Frankrijk zijn voor mij altijd meer geweest dan vakantie. We gaan er al veertig jaar heen, eerst met tenten en kinderen die ’s nachts uit de slaapzak rolden, later met caravans, en sinds een jaar of twaalf naar dat grote, iets te dure huis met het scheve zwembad. Onze kinderen zijn inmiddels de deur uit. Eén van hen woont zelfs in Zweden. In Frankrijk zijn we nog even gewoon met z’n vieren. Geen appjes van de kinderen over kapotte cv-ketels of oppasvragen, geen afspraken bij de mondhygiënist, geen gedoe met werk.
We kennen elkaar sinds 1983. Theo werkte toen bij dezelfde technische groothandel als ik, nog aan de binnendienst. Hij kon verschrikkelijk goed luisteren, maar zodra hij een paar biertjes op had, vertelde hij drie keer hetzelfde verhaal over zijn diensttijd. Marijke en Els raakten bevriend via de zwangerschapsgym. Zo is het gebleven. Verjaardagen, kerstborrels, verbouwingen, begrafenissen van ouders. We hoefden elkaar niet iedere week te zien om te weten hoe het ging.
Theo is in januari met pensioen gegaan. Hij heeft er lang naar uitgekeken. Hij werkte de laatste jaren nog drie dagen per week, maar zat er volgens mij al eerder een beetje doorheen. Hij zei vaak dat hij nog zoveel wilde zien voordat zijn knieën of zijn hart er een streep door zouden halen. Daar kon ik alleen maar begrip voor hebben.
Ik werk zelf nog twee dagen per week bij een installateur in Amersfoort. Niet omdat het moet, al helpt het wel. Els is vorig jaar gestopt in de thuiszorg. Wij hebben een redelijk vast leven. Dinsdag eet onze dochter vaak mee als ze in de buurt werkt. Vrijdag halen we vis op de markt. In november boeken we Frankrijk. Zo gaat dat.
Tijdens een etentje bij Theo en Marijke, eind februari, zei Theo ineens dat hij en Marijke in het najaar misschien twee maanden naar Thailand en Vietnam wilden. Hij had er een route bij op zijn telefoon. Treinen, kleine hotels, een eiland op het eind. Marijke keek er wat lacherig bij, maar ook trots. Ze is nooit iemand geweest die zelf als eerste zoiets zou verzinnen, maar ze vond het duidelijk leuk dat hij weer energie had.
Ik zei dat het me geweldig leek. Dat vond ik ook echt.
Toen zei hij: „En misschien moeten we ook eens kijken naar die Frankrijkweken. Niet ieder jaar hetzelfde huis, dezelfde periode. Nu kan ik eindelijk een beetje vrijer plannen.”
Els legde haar vork neer. Niet hard, maar ik hoorde het toch.
Marijke zei nog: „Hij bedoelt niet dat we nooit meer weggaan met jullie.”
„Nee,” zei Theo. „Maar ik wil niet in maart al vastzitten aan augustus. Stel dat we dan net terugkomen uit Azië, of dat we juist in juni met de camper weg willen. Dan voelt het alsof alles om die twee weken heen gebouwd moet worden.”
Ik weet nog dat er een schaal sperziebonen op tafel stond die koud werd. Heel stom detail, maar ik zie dat nog voor me.
Els vroeg of hij dan dit jaar niet mee wilde. Theo haalde zijn schouders op en zei dat hij dat nog niet wist. Hij wilde niet „de spelbreker” zijn, zei hij, maar hij had ook geen zin meer om elk jaar hetzelfde toneelstukje op te voeren omdat we dat nu eenmaal deden.
Dat woord, toneelstukje, bleef bij mij hangen. Voor hem was het blijkbaar iets geworden waar hij zich doorheen moest werken. Terwijl ik er juist al in april naar uitkijk.
De dagen daarna deed Els alsof ze vooral boos was. „Hij vindt zijn pensioen ineens belangrijker dan veertig jaar vriendschap,” zei ze. Ik vond dat te kort door de bocht, maar ik begreep haar wel. Voor Els is Frankrijk ook verbonden aan haar moeder. Die is zes jaar geleden overleden, en in de zomer daarna zijn we toch gegaan. Ik weet nog dat Els op een ochtend alleen aan de rand van het zwembad zat met een handdoek om haar schouders. Marijke ging naast haar zitten zonder iets te zeggen. Later zijn ze samen naar de markt gereden en kwamen ze terug met veel te veel abrikozen.
Dat soort dingen zitten in zo’n vakantie. Niet alleen de jeu-de-boulesbaan en de vaste pizzeria in het dorp.
Ik heb Theo na een week gebeld. Niet geappt, want via WhatsApp wordt alles sneller scherp dan je bedoelt.
Hij nam op in de auto. Ik hoorde de richtingaanwijzer tikken.
„Je hebt Els wel geraakt,” zei ik.
Hij bleef even stil. „Dat was niet mijn bedoeling.”
„Maar je zegt wel dat het een toneelstukje is.”
„Ja, nou ja. Misschien was dat ongelukkig. Ik bedoel vooral dat ik bang ben dat ik nu eindelijk tijd heb en vervolgens alsnog volgens een agenda leef die jaren geleden is gemaakt.”
Ik zei dat niemand hem tegenhield om te reizen.
„Nee,” zei hij, „maar jij begrijpt toch ook dat het niet alleen om die veertien dagen gaat? Als we de data niet kunnen veranderen, kan ik in de rest van het jaar steeds rekening houden met Frankrijk. En als ik een keer niet mee kan, voelt het meteen alsof ik jullie laat zitten.”
Daar had hij een punt. Ik wilde dat op dat moment niet toegeven. Ik zei iets als: „Je laat ons ook zitten.” Meteen daarna had ik er spijt van. Hij zuchtte, niet boos, eerder moe.
„Henk, ik ben niet dood. Ik wil alleen niet doen alsof er niks verandert omdat ik 67 ben.”
Dat gesprek eindigde zonder ruzie, maar ook zonder dat er iets opgelost was.
Vorige zaterdag kwamen ze koffie drinken. Els had appeltaart gehaald bij de bakker, terwijl ze normaal zelf bakt als er bezoek komt. Dat zag ik als een slecht teken. Iedereen was voorzichtig aardig. We hadden het over onze oudste kleindochter, over de energierekening, over een buurman van Theo die zijn schutting een halve meter op hun grond had gezet. Pas toen de koffie al bijna op was, begon Marijke zelf over de vakantie.
Ze zei dat zij best graag mee wilde dit jaar. Theo ook, uiteindelijk. Maar hij wilde niet meer beloven dat het ieder jaar dezelfde twee weken zouden worden. Soms misschien Frankrijk in juni. Soms een lang weekend ergens in Nederland. Soms zouden zij overslaan zonder dat daar meteen een zwaar gesprek van kwam.
Els zei: „Dan is het dus geen traditie meer.”
Marijke keek naar haar handen. „Nee. Misschien niet zoals het was.”
Ik had verwacht dat Theo daar meteen tegenin zou gaan. Maar hij keek naar mij en zei: „Ik wil jullie niet kwijt. Ik wil alleen niet dat ik pas vrijheid krijg als ik niemand ermee teleurstel.”
Die zin vond ik irritant, omdat hij waar was.
We hebben nog niets besloten. Het huis in de Dordogne kunnen we tot eind van de maand kosteloos annuleren. Els wil eigenlijk gewoon boeken en kijken wat er gebeurt. Ik snap dat. Een deel van mij wil dat ook, bijna kinderachtig sterk. Ik wil die bekende oprijlaan op rijden, de luiken openzetten, Theo horen mopperen dat de koelkast weer te klein is.
Maar ik denk ook aan hem, met zijn telefoon vol treinroutes en zijn onhandige enthousiasme over eten op straat in Hanoi. Veertig jaar geleden was hij degene die mij overhaalde om zonder reservering met twee jonge gezinnen naar Zuid-Frankrijk te rijden. Ik was toen degene die alles wilde vastleggen.
Misschien zijn we niet zo veranderd als we zelf denken.
Vanavond moet ik de verhuurder laten weten of we de optie vasthouden. Els is boven bezig met de was. Ik zit aan tafel met die map voor me, en ik heb Theo nog steeds niet gevraagd welke weken hij wél zou kunnen.