We dachten dat we gratis mee mochten naar Frankrijk, maar uiteindelijk stonden we een huis voor anderen klaar te maken

De eerste keer dat Marjan het woord ‘planning’ gebruikte, stonden we nog met een glas rosé op het terras van dat huis in de Dordogne. Het was bijna negen uur ’s avonds, de zwaluwen schoten laag over het zwembad en ik dacht eerlijk gezegd: nou, dit is het dan. Hier hebben we jaren over gepraat.

Marjan en Kees kennen we sinds 1988. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kleine kinderen, te weinig geld en van die bruine hoekbanken waar je je nu bijna voor schaamt. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, elkaars ouders begraven, verjaardagen gevierd in zaaltjes en later in de tuin. Onze kinderen zijn uit elkaar gegroeid, maar wij niet. Tenminste, dat dacht ik.

Vorig najaar overleed de tante van Marjan. Geen zielig verhaal verder, ze was 94 en had het goed geregeld. Maar Kees en Marjan bleken een flink bedrag te erven. Ik weet niet hoeveel precies en ik heb het ook nooit gevraagd. Kort daarna kregen we foto’s op WhatsApp van een oud maison de maître in Frankrijk. Zes slaapkamers, groot terrein, een zwembad dat nog opgeknapt moest worden, een apart gastenverblijf. ‘Jullie gaan hier zó van genieten,’ schreef Marjan erbij.

In februari belde ze. Of wij drie weken mee wilden in juli, helemaal gratis. Geen huur, geen boodschappenpot voor het huis, alleen onze eigen reis erheen en uitgaven buiten de deur. Ze wilden de eerste periode gebruiken om alles op orde te krijgen voordat ze vanaf augustus familie en kennissen zouden ontvangen.

‘Jij bent toch zo handig met lijstjes en indelingen,’ zei Marjan tegen mijn vrouw Els. ‘En Henk kan alles maken. Nou ja, bij wijze van spreken.’

Els lachte toen nog. Ik ook. Ik ben mijn hele werkzame leven conciërge geweest op een mbo-school. Ik kan een kraanleertje vervangen, een kastje ophangen en ik zie vrij snel wat er praktisch niet klopt. Dat betekent blijkbaar dat mensen soms denken dat je ook een aannemer, elektricien, tuinman en verhuizer tegelijk bent.

De eerste twee dagen waren prima. We reden naar een grote bouwmarkt, aten stokbrood in de auto en maakten dozen open. Kees was als een kind met nieuw speelgoed. Hij liep met een meetlint door iedere kamer en zei dingen als: ‘Als dat bed twintig centimeter opschuift, voelt het meteen ruimer.’ Marjan had op haar telefoon een document met kleuren, maten en foto’s van kussens die nog besteld moesten worden.

Ik vond het nog best gezellig. Je helpt vrienden toch. Els sorteerde glazen en servies, ik zette een gammel kledingrek in elkaar en haalde een loshangende keukenkastdeur van de scharnieren. ’s Avonds gingen we zwemmen. Dat voelde nog als vakantie.

Op de derde dag werd er om half acht op mijn slaapkamerdeur geklopt.

‘Henk, ben je wakker? Die man van de airco is er eerder dan afgesproken.’

Ik lag nog in mijn onderbroek. Els draaide zich om en keek naar de muur. Kees stond beneden met de Franse monteur te praten, maar zijn Frans is ongeveer even goed als mijn Duits, dus ik werd erbij gehaald omdat ik op school ooit wel eens met buitenlandse leveranciers te maken had gehad. De monteur sprak nauwelijks Engels. Uiteindelijk wees ik vooral veel en gebruikte ik Google Translate. Twee uur later had ik nog steeds geen koffie gehad.

Daarna ging het snel. Er moest een inventarislijst komen voor toekomstige gasten. Er moesten rookmelders worden gecontroleerd. Kees wilde dat ik in de schuur een werkbank maakte, ‘want anders vind je straks nooit meer iets terug’. Marjan vroeg Els of ze alle bedden wilde opmaken om te zien of de nieuwe dekbedovertrekken goed bij elkaar pasten.

‘Het zijn er maar zes,’ zei ze.

Het waren twaalf bedden, want in het gastenverblijf telden de bedbanken blijkbaar niet als echte bedden totdat je ze moest opmaken.

Els is niet iemand die snel ergens iets van zegt. Ze doet eerst. Ze wil geen gedoe. Maar ik zag dat ze stiller werd. Ze ging na het ontbijt niet meer met haar boek bij het zwembad zitten. Ze liep met haar leesbril op haar hoofd van kamer naar kamer met een notitieblokje, omdat Marjan steeds nieuwe dingen bedacht.

Op een middag wilde ik met Els naar Sarlat. Gewoon even over de markt lopen, een terrasje, misschien ergens lunchen. We hadden het die ochtend gezegd.

Toen we onze schoenen aantrokken, kwam Kees met een rol schilderstape uit de garage. Of ik nog even de plinten in de blauwe slaapkamer wilde afplakken. De schilder kwam de volgende ochtend en volgens hem was het ‘een klein uurtje’.

Ik zei dat we weg zouden gaan.

Kees keek me aan alsof ik een grap maakte. ‘Maar die schilder komt morgen, Henk. Als dit niet gebeurt, loopt alles uit.’

‘Dan loopt het uit,’ zei ik. Ik voelde mijn gezicht warm worden, vooral omdat Els naast me stond en niks zei.

Marjan kwam erbij. Ze zei dat ze het echt niet begreep. We verbleven toch gratis in een prachtig huis? Ze hadden ons juist gevraagd omdat het met ons gezellig én praktisch zou zijn. Een paar handen uit de mouwen steken hoorde daar toch gewoon bij.

Daar had ze ergens ook gelijk in. Als je drie weken in iemands huis zit en je eet mee, dan ga je niet als een hotelgast op een ligbed liggen terwijl de ander staat te sjouwen. Zo ben ik ook niet opgevoed. Maar dit was geen paar handen uit de mouwen meer. We hadden nauwelijks iets samen gedaan wat niet over dat huis ging.

Ik zei dat we geen personeel waren. Meteen had ik spijt van dat woord. Kees trok wit weg en Marjan begon harder te praten dan nodig was. Ze zei dat zij óók de hele dag bezig was en dat we blijkbaar niet zagen hoeveel ze aan ons hadden gehad. Dat stak, want Els had juist gekookt, de was gedaan omdat de machine steeds vastliep, en een avond lang geprobeerd de wifi voor elkaar te krijgen.

We gingen uiteindelijk niet naar Sarlat. Niet omdat ik de plinten heb afgeplakt; dat heb ik niet gedaan. Maar omdat de sfeer zo akelig was dat Els haar tas weer neerzette en zei: ‘Ik heb hier nu geen zin meer in.’ We aten die avond salade aan een veel te lange tafel. Kees had wijn ingeschonken, maar niemand dronk echt.

De volgende ochtend heb ik online gekeken naar een chambre d’hôtes in de buurt. Ik wilde weg. Els vond dat overdreven. Niet omdat ze het fijn vond daar, maar omdat ze bang was dat we dertig jaar vriendschap zouden weggooien na één rotdag.

‘Het is niet één rotdag,’ zei ik.

‘Nee,’ zei ze. ‘Maar we hebben ook niet op tijd gezegd dat het ons te veel werd.’

Dat was waar. We hadden geklaagd op onze kamer, zachtjes, alsof we nog steeds bang waren dat Marjan ons kon horen. We hadden op alles ja gezegd en waren daarna verbaasd dat er nog meer kwam.

Die middag zijn we toch gaan praten. Niet mooi en rustig, zoals in folders over communicatie. Kees bleef herhalen dat hij dacht dat we dit leuk zouden vinden. Marjan zei dat ze door alle kosten en beslissingen zelf ook gespannen was. Ze waren bang dat het huis een bodemloze put werd. Ik snapte dat best. Alleen snapte ik niet waarom die angst bij ons op het bordje moest landen.

We zijn niet vertrokken. We zijn wel twee dagen later naar een klein hotel in Bergerac gegaan, op eigen kosten. Marjan vond dat eerst beledigend. Kees heeft onze koffers uiteindelijk in stilte in de auto gezet.

Nu zijn we weer thuis. We appen af en toe, vooral over gewone dingen. Een foto van hun kleindochter, een berichtje over de hitte daar. Maar het is anders. Els zei vorige week dat ze volgend jaar misschien liever met de trein naar Oostenrijk wil, gewoon met z’n tweeën.

Ik heb nog niet gereageerd op Marjans laatste bericht. Ze vroeg of ik in oktober een weekend kan helpen met het ophangen van luiken. Ik zie die drie puntjes onder haar bericht soms nog staan als ik mijn telefoon pak. Voorlopig laat ik ze maar staan.