Mijn beste vriend vroeg of wij één weekend per maand voor zijn vrouw wilden zorgen, en ik merkte dat ik niet het antwoord kon geven dat iedereen van mij verwachtte

Het begon met een vergeten tas bij de volkstuin. Zo’n klein ding waar je achteraf veel te veel betekenis aan geeft.

Marijke stond bij haar fiets, zonder tas, zonder jas ook terwijl het miezerde. Ze keek naar de grond alsof daar ergens een antwoord lag. Henk was naar de parkeerplaats gelopen om de auto te halen. Els zag haar als eerste en deed meteen haar eigen jas uit.

“Mijn tas,” zei Marijke. “Daar zit mijn portemonnee in.”

Die lag thuis, bleek later. Henk had hem die ochtend zelf op de kapstok zien hangen. Marijke wist dat niet meer en werd er verschrikkelijk boos om. Niet op hem, niet echt. Meer op de lucht, op zichzelf, op het feit dat iedereen ineens zo voorzichtig tegen haar praatte.

We kennen Henk en Marijke al ruim vijfentwintig jaar. We waren ooit buren in Amersfoort, in twee van die rijtjeshuizen waar je in de zomer elkaars barbecue ruikt. Toen wij naar Deventer verhuisden, bleven we elkaar zien. Eerst met de kinderen erbij, later zonder. We gingen wandelen op Texel, hadden een vast weekendje naar Limburg, fietsten in Frankrijk zolang onze knieën dat nog zonder gemopper toelieten.

Het was nooit een vriendschap waarin de een meer gaf dan de ander. Henk regelde de hotels, ik kookte als we samen op pad waren. Els en Marijke konden uren over planten praten, terwijl wij deden alsof we de route nog niet voor de derde keer verkeerd hadden gelezen. We werden ouder naast elkaar. Dat voelde vanzelfsprekend.

Twee jaar geleden begon Marijke dingen dubbel te vertellen. Daarna vergat ze afspraken en raakte ze in paniek als Henk later thuiskwam dan gezegd. De diagnose kwam niet als een complete verrassing, maar toch zat ik na dat telefoontje van Henk een tijd met mijn hand op de keukentafel. Beginnende Alzheimer. Zo heette het. Dat woord maakte alles meteen groter en kouder.

Els sprong er vanaf het begin in. Ze ging met Marijke koffie drinken, nam haar mee naar de markt, stuurde kaarten. Ik ging ook mee, natuurlijk. Ik ben geen harteloze vent. Maar ik merkte dat ik na een middag bij hen moe thuiskwam op een manier die ik lastig vond toe te geven. Marijke kon ineens vriendelijk zijn en vijf minuten later zeggen dat Els haar had buitengesloten van iets wat nooit gebeurd was. Henk probeerde dat dan weg te lachen, maar je zag hem kleiner worden in zijn eigen woonkamer.

Hij krijgt inmiddels een casemanager dementie via de geheugenpoli. Er komt thuiszorg voor een paar dingen. Dat weet ik allemaal. Maar de uren ertussen blijven gewoon uren waarin Henk alleen met haar is.

Vorige maand belde hij mij op een donderdagavond. Els was bij haar zus, ik zat voetbal te kijken met het geluid zacht.

“Hé Karel,” zei hij. Hij klonk alsof hij verkouden was, maar dat was hij niet. “Zou ik iets mogen vragen?”

Ik zei natuurlijk ja.

Hij vertelde dat Marijke steeds slechter sliep en hem soms niet herkende. Dat ze de voordeur uit wilde omdat ze naar haar moeder moest, die al dertig jaar dood is. Hij had twee nachten bijna niet geslapen. Zijn dochter woont in Groningen en heeft zelf twee jonge kinderen. Zijn zoon is vrachtwagenchauffeur en is doordeweeks vaak weg.

“Als jullie nou één weekend per maand haar bij jullie zouden kunnen hebben,” zei hij. “Van vrijdagmiddag tot zondag. Gewoon zodat ik even kan bijtanken. Zij kent jullie. Bij Els is ze rustig. Misschien is dat juist goed.”

Ik zei niet meteen nee. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik hoorde hem ademhalen en dacht aan al die jaren waarin hij zonder vragen klaarstond. Toen mijn vader stierf, heeft Henk de hele dag in de tuin gewerkt omdat ik niet wist wat ik met mezelf aan moest. Hij zette toen gewoon een thermoskan koffie neer en vroeg niets.

Dus ik zei: “Ik moet dit met Els bespreken.”

Els zei vrijwel meteen dat we het moesten doen. Niet elke maand, misschien eerst een keer proberen, maar we konden Henk toch niet laten verzuipen.

Ik werd daar geïrriteerd van, en dat klonk lelijker dan ik bedoelde.

“Wij zijn geen respijtzorg,” zei ik. “We zijn vrienden.”

“Alsof vrienden elkaar niet helpen.”

“Helpen is een boodschap doen of meegaan naar een afspraak. Dit is een heel weekend iemand in huis die soms niet weet waar ze is.”

Els keek me aan alsof ik iets onfatsoenlijks had gezegd. Misschien was dat ook zo. Maar ik zag ineens onze agenda voor me. De camper die we eindelijk gekocht hadden, de woensdag waarop ik met mijn oude collega’s jeu de boules, de zaterdagen waarop we juist nergens heen hoefden. We hebben allebei lang gewerkt. Els in het basisonderwijs, ik bij de gemeente. Niet rijk geworden, wel zuinig geleefd. Ik had me verheugd op deze rustige jaren, en ik voelde me schuldig dat ik dat zo fel wilde beschermen.

Een week later gingen we bij Henk en Marijke eten. Het was al ongemakkelijk voordat we aan tafel zaten. Marijke had pasta gemaakt, zei ze trots, terwijl Henk zachtjes vertelde dat hij het meeste had gedaan. Ze hoorde dat en werd stil.

Tijdens het eten vroeg Henk of we er al uit waren.

Els begon voorzichtig over een middag per week, of af en toe een zaterdag. Henk legde zijn vork neer.

“Een middag helpt mij niet,” zei hij. “Dan moet ik haar brengen, ophalen, alles voorbereiden. Ik vraag niet of jullie haar willen overnemen. Ik vraag of jullie mij één keer per maand twee nachten willen geven waarin ik kan slapen.”

Ik weet nog dat er saus op de rand van mijn bord zat en dat ik daar veel te lang naar keek.

Toen zei ik dat ik het niet kon beloven. Dat we best wilden helpen, maar geen vaste zorgregeling wilden aangaan. Ik gebruikte precies die woorden, vaste zorgregeling, alsof ik in een vergadering zat. Henk werd rood in zijn gezicht.

“Dus als het lastig wordt, zijn we kennelijk toch geen familie,” zei hij.

“Dat heb ik niet gezegd.”

“Je hoeft het niet te zeggen.”

Els zei dat dit niet eerlijk was. Henk zei dat eerlijkheid hem op dat moment weinig interesseerde. Marijke zat erbij met haar handen in haar schoot. Op een gegeven moment vroeg ze of we het over de vakantie in Zuid-Limburg hadden. Niemand antwoordde meteen.

We zijn vroeg weggegaan. In de auto zei Els bijna de hele rit niets. Thuis zette ze de vaatwasser aan, hoewel we niet eens afgewassen hadden. Ik hoorde haar in de keuken rommelen en wist dat ze huilde zonder geluid te maken.

Sindsdien app ik Henk wel, maar hij antwoordt kort. Els gaat nog regelmatig naar Marijke. Vorige dinsdag hebben ze samen narcissen geplant in potten op het terras. Els kwam terug met modder aan haar broek en zei dat Marijke haar op een gegeven moment ‘mama’ had genoemd. Daarna had Marijke zich verontschuldigd, maar ze wist niet meer waarvoor.

Ik heb uiteindelijk aangeboden om één zaterdag in de maand met Marijke te wandelen of thuis te zijn, zodat Henk naar de kapper kan, kan slapen, of gewoon alleen boodschappen kan doen. Hij heeft nog niet gereageerd op dat aanbod.

Misschien vindt hij het te weinig. Misschien is het ook te weinig.

Maar ik kan nog steeds niet zeggen dat ik die weekenden zonder angst kan weggeven. En juist dat maakt me verdrietig: niet alleen omdat Henk het zwaar heeft, maar omdat ik merk dat onze vriendschap nu wordt afgemeten aan iets waarvoor ik mezelf blijkbaar niet groot genoeg vind.