Ik dacht dat ons pensioen eindelijk van ons samen zou zijn, maar mijn vrouw wil weer aan het werk

De vouwwagen staat nog steeds achter in de schuur, met een laagje stof op het deksel. Vorig voorjaar hebben we hem tweedehands gekocht van een stel uit Dronten. Net met pensioen, zeiden ze, en nu gingen ze liever met het vliegtuig. Ik zag ons al helemaal voor me: twee fietsen achterop, koffie uit van die kleine emaillen bekers, rustig langs de Moezel of desnoods gewoon een paar weken Zeeland buiten het hoogseizoen.

Ik ben 67, mijn vrouw Marjan is 65. Ik werkte bijna 44 jaar bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Eerst als monteur, later als werkvoorbereider. Geen carrière waar je op feestjes lang over praat, maar ik heb altijd gewerkt. Vroege diensten, storingen, telefoontjes tijdens het eten. Ook toen onze dochters klein waren, zat ik vaak nog achter de laptop aan de keukentafel.

Marjan werkte in het onderwijs, als beleidsmedewerker bij een scholengroep. Zij stopte vorig jaar, iets eerder dan ik. We hadden het er jarenlang over gehad: als jij ook klaar bent, gaan we het rustiger doen. Niet meer alles in de vakantieweken proppen. Niet telkens rekening houden met roosters, vergaderingen en die eeuwige piekperiodes.

De eerste maanden waren eerlijk gezegd wennen. Je denkt dat je zeeën van tijd prettig vindt, maar op dinsdag om half elf kan het ook ineens heel stil zijn. Ik ging klussen bij onze oudste dochter, Marjan begon met keramiekles in het wijkcentrum. We dronken veel koffie. Soms te veel. Maar langzaam kregen we een ritme. Op woensdag naar de markt, eens per maand naar mijn broer in Deventer, lange fietstochten als het droog was.

Ik was daar oprecht gelukkig mee. Niet elke dag bijzonder, juist niet. Dat je allebei thuis bent als de was klaar is. Dat je zonder overleg om vier uur kunt besluiten om naar het bos te gaan.

In november werd Marjan gebeld door haar oude directeur. Er was gedoe ontstaan rond de fusie van twee scholen en iemand moest tijdelijk een project leiden. Iemand die de organisatie kende, maar niet meer vast in alle verhoudingen zat. Of ze eens koffie wilde drinken.

Ze zei aanvankelijk dat ze geen nee kon zeggen tegen koffie. Ik zei nog: ‘Nou, ga vooral. Leuk toch, even bijpraten.’

Ze kwam thuis met rode wangen, wat bij Marjan meestal betekent dat ze ergens enthousiast van wordt. Ze praatte aan één stuk door over huisvestingsplannen, medewerkers die onzeker waren, een bestuur dat volgens haar veel te snel wilde. Ik luisterde, of ik deed alsof. Het enige dat ik echt hoorde, was: drie dagen per week, twee jaar.

Ik zei: ‘Twee jaar is niet even bijpraten, Marjan.’

Ze keek me aan alsof ik een flauwe grap maakte. ‘Nee. Dat weet ik.’

Daarna kregen we zo’n gesprek waarin je allebei beleefd begint en toch al weet dat het misgaat. Ik zei dat we toch afspraken hadden gemaakt. Zij zei dat we geen contract hadden getekend waarin stond dat ze nooit meer iets mocht doen. Ik zei dat ik daar ook niet op zat te wachten, maar dat dit precies de tijd was waar we samen naartoe hadden geleefd.

Toen zei ze iets wat me nog steeds steekt, al snap ik het ergens ook. Ze zei: ‘Jij hebt al die jaren je werk gehad waar je goed in was. Ik ben de laatste tijd vooral de vrouw geweest die de planning bijhield, op de kleinkinderen paste en onthield wie wanneer jarig was. Dit voelt alsof ik nog ergens voor nodig ben.’

Dat is niet eerlijk, dacht ik. Ik heb haar nooit alleen als mijn vrouw of als oma gezien. Maar als ik heel eerlijk ben, heb ik haar pensioen misschien wel zo bekeken: eindelijk zou ze beschikbaar zijn. Voor ons huis, voor de kinderen, voor mij. Ik had dat niet zo benoemd, omdat het lelijk klinkt.

Ze nam de opdracht aan.

De eerste weken viel het mee. Maandag, dinsdag en donderdag werkte ze thuis of ging ze naar kantoor in Utrecht. Op woensdag gingen we nog steeds naar de markt. Zij had meer energie, dat merkte ik wel. Ze klaagde ook meer, over mensen die niet terugbelden en documenten die nergens te vinden waren. Maar ze lachte vaker op een bepaalde manier, alsof ze weer iets in haar hoofd had dat niet alleen over boodschappen en familiediners ging.

Ik gunde haar dat. Tenminste, dat zei ik tegen anderen.

Tegelijk begon ik dingen uit te stellen. De vouwwagen onderhouden, een weekend weg boeken, die treinreis naar Wenen waar we het over hadden. Want steeds was er wel een vergadering, een deadline of een dag waarop ze kapot was. Als ik dan zei dat we ook op vrijdag konden vertrekken, zei ze: ‘Ja, maar dan wil ik zaterdag wel even uitslapen.’

Dat was redelijk. Alles wat zij zei was eigenlijk redelijk. Daar werd ik alleen maar chagrijniger van.

In februari kwam ze met het volgende. Een deel van het project moest in Zwolle worden uitgevoerd, omdat daar het bestuursbureau zat en omdat er een paar dagen achter elkaar sessies waren met teamleiders. Niet één keer, maar waarschijnlijk om de twee weken. De werkgever wilde een appartementje regelen van maandag tot en met donderdag. Ze kon natuurlijk ook op en neer, zei ze, maar dat zou bijna drie uur per dag kosten.

Ik stond aardappels te schillen toen ze het vertelde. Ik weet nog dat er eentje uit mijn hand in de gootsteen viel. Zo’n stom detail, maar dat is wat ik onthouden heb.

‘Dus je gaat daar slapen?’ vroeg ik.

‘Soms. Het is tijdelijk.’

‘Alles is tijdelijk. Twee jaar is ook tijdelijk.’

Ze werd meteen stil. Niet boos, eerst gewoon moe. Daarna zei ze dat ze geen toestemming kwam vragen alsof ze een puber was. Toen werd ik boos, veel bozer dan nodig was. Ik zei dat zij blijkbaar prima zonder mij een nieuw leven begon, en dat ik hier dan de planten wel water kon geven.

Dat was kinderachtig. Ik wist het zodra ik het zei. Maar ik kon het niet meer terugnemen.

Marjan sliep die nacht in de logeerkamer. De volgende ochtend ging ze naar haar werk zonder haar boterhammen mee te nemen. Die stonden nog op het aanrecht in een trommel. Ik heb ze die middag zelf opgegeten, terwijl ik helemaal geen trek had.

Sindsdien praten we er wel over, maar niet goed. Onze dochters weten dat er iets speelt. De jongste zei aan de telefoon dat ik mama ook haar kans moest gunnen. Dat klinkt makkelijk als je 36 bent, een baan hebt die je leuk vindt en nog niet elke maand uitrekent hoeveel jaren je misschien nog fit genoeg bent om alles te doen wat je wilt.

Maar ik weet ook dat zij gelijk heeft in één ding: ik heb van mijn angst een soort aanspraak gemaakt. Alsof ik recht heb op iedere vrije dag van Marjan omdat ik lang gewerkt heb. Zo werkt het natuurlijk niet.

Vanavond gaat ze naar Zwolle om het appartement te bekijken. Ze heeft gevraagd of ik mee wil, gewoon om te zien waar het is. Ik heb eerst gezegd dat ik geen zin had om haar tweede huis te gaan keuren.

Een uur geleden heb ik haar jas van de kapstok gehaald en in de bijkeuken gelegd, omdat het daar tocht en ze vanavond op de fiets naar het station wil. Straks vraag ik of ze nog een broodje wil voor onderweg.

Ik weet niet of ik mee ga. Ik weet ook niet of ik haar werkelijk wil tegenhouden, of dat ik vooral wil horen dat ze mij niet vergeet terwijl ze eindelijk weer iets doet wat alleen van haar is.

De vouwwagen staat er nog. Misschien gaan we deze zomer alsnog een week weg. Misschien blijft hij nog een jaar in de schuur staan. Op dit moment durf ik daar niet meer zo vanzelfsprekend over te praten als eerst.