Mijn zoon kwam bij ons herstellen, maar na vier maanden voelde ons huis niet meer als van ons
De eerste week dat Bas bij ons woonde, liep hij vooral in zijn sokken door het huis. Hij deed de gordijnen pas rond elf uur open en zei dan zachtjes goedemorgen, alsof hij ergens logeerde waar hij niemand tot last wilde zijn.
Ik vond het toen nog zielig. Echt zielig. Hij is 38, heeft altijd hard gewerkt bij een adviesbureau in Utrecht en was altijd degene die op verjaardagen met twee telefoons naast zijn bord zat omdat er ‘even iets af moest’. Nu kon hij soms niet eens kiezen of hij yoghurt of brood wilde bij het ontbijt.
Zijn relatie met Fleur was net voorbij. Of eigenlijk: hij was bij haar weggegaan, daarna weer terug, en toen had zij gezegd dat hij ergens anders moest slapen. Ik kende de details niet goed. Bas vertelde ze ook niet in één keer. Soms kwam er tijdens het afwassen ineens iets uit. Dat hij al maanden slecht sliep. Dat hij in een vergadering had gezeten en opeens niet meer wist wat hij daar deed. Dat hij een paniekaanval had gehad op Utrecht Centraal.
Mijn man Henk zei meteen dat hij bij ons kon komen.
‘Natuurlijk komt hij hierheen,’ zei hij aan de telefoon. ‘Daar hoef je toch niet over na te denken.’
Ik stond naast hem in de keuken en keek hem aan. Niet omdat ik Bas niet wilde helpen. Dat is het vervelende. Als het mijn kind slecht gaat, wil ik hem het liefst onder een deken stoppen en soep voor hem maken, ook al is hij bijna veertig en langer dan zijn vader.
Maar ik kende Bas ook. En ik kende Henk. Henk zegt ja en ziet daarna wel. Ik ben degene die dan extra boodschappen haalt, de wasmand leegmaakt, afspraken onthoudt en merkt dat de vuilniszakken op zijn.
Sinds Henk met pensioen was, hadden we eindelijk een ritme waar ik aan gehecht was geraakt. Op dinsdag gingen we fietsen, als het niet regende. Op donderdag paste ik soms op bij onze kleindochter, de dochter van onze oudste, Marije. We aten vroeg, keken ’s avonds een serie of Henk prutste wat in zijn schuur. Het was geen spectaculair leven, maar het was van ons.
Bas zei dat hij hooguit een maand of zes weken nodig had. ‘Tot ik weer een beetje grond onder mijn voeten heb,’ zei hij.
De eerste maand deed ik veel zonder erbij na te denken. Ik zette thee voor hem, maakte een extra portie avondeten en liep soms langs zijn kamer om te vragen of hij mee wilde wandelen. Hij ging één keer mee en was daarna zo stil dat ik dacht dat ik hem beter met rust kon laten.
Hij had zich ziek gemeld op zijn werk. Hij had een afspraak bij de huisarts gehad en zou via de bedrijfsarts hulp krijgen. Dat vond ik geruststellend. Er gebeurde tenminste iets.
Alleen schoof ons huis langzaam op.
Bas wilde niet dat we ’s ochtends de stofzuiger gebruikten, omdat hij dan net in slaap viel. Prima, dacht ik. Daarna wilde hij niet dat de radio in de keuken aanstond. Ook prima. Henk zette hem zachter.
Toen kwam er een middag waarop ik met mijn zus Ria wilde bellen. We zaten aan de keukentafel, gewoon over haar knieoperatie en over een nichtje dat ging scheiden. Bas kwam naar beneden met een deken om zich heen en zei: ‘Mam, zou je misschien ergens anders kunnen bellen? Ik probeer een meditatie te doen.’
Ik weet nog dat ik mijn telefoon neerlegde en naar de bijkeuken liep. Ria hoorde aan mijn stem dat er iets was, maar ik zei dat ik later terugbelde.
Dat was eigenlijk een klein moment. Belachelijk misschien. Toch bleef het hangen.
Na twee maanden vroeg ik Bas of hij af en toe iets in huis kon doen. Niet veel. De vaatwasser uitruimen, bijvoorbeeld. Of op woensdag de kliko aan de straat zetten.
Hij keek me aan alsof ik hem had gevraagd een marathon te lopen.
‘Ik ben daar nog niet toe in staat, mam.’
Hij zei het niet boos. Juist heel moe. En ik schaamde me meteen. Want wie ben ik om te bepalen wat iemand met een burn-out wel of niet kan? Ik ben geen psycholoog. Ik ben ooit doktersassistente geweest, maar dat is iets heel anders.
Dus zei ik: ‘Nee, natuurlijk. Laat maar.’
Maar een paar dagen later zag ik op Instagram dat hij met twee oud-collega’s op een terras in Amsterdam zat. Niet dat ik hem dat niet gunde. God, nee. Als hij een goede middag had, was ik daar blij om. Alleen stond diezelfde avond zijn bord op tafel, zijn glas ernaast, en lag er in de badkamer een natte handdoek op de grond. Ik raapte die op en ik voelde iets wat ik niet wilde voelen: irritatie.
Henk zei dat ik er niet zo op moest letten.
‘Hij heeft het zwaar genoeg,’ zei hij.
‘En wij dan?’ vroeg ik.
Daar had hij geen goed antwoord op. Hij pakte mijn hand wel even vast, maar daarna ging hij de schuur in.
In de derde maand begon Bas zich ook met onze dagen te bemoeien. Niet op een gemene manier, maar toch. Hij vond dat we gezonder moesten eten. Henk mocht volgens hem minder bier drinken, wat niet helemaal onterecht was. Hij wilde dat we later aten, omdat hij pas tegen zevenen trek kreeg. Als wij zeiden dat we om half zes aten, zuchtte hij soms alsof wij ontzettend ouderwets waren.
Op een vrijdag had ik een lunch met drie voormalige collega’s gepland. Dat doen we twee keer per jaar en ik keek ernaar uit. Bas appte mij die ochtend vanuit zijn bed: Mam, wil je alsjeblieft niet weg vandaag? Ik heb een heel slechte dag.
Ik staarde lang naar dat bericht. Mijn tas stond al klaar. Ik had mijn haar geföhnd, wat ik niet vaak doe. En ik wist ook: als ik nu ging, zou ik de hele middag met schuldgevoel aan tafel zitten.
Ik ben niet gegaan.
Bas kwam pas om vier uur beneden. Hij zei dat hij eindelijk had geslapen. Hij vroeg niet waar ik was geweest of waarom ik thuis was.
Die avond heb ik gehuild in de badkamer. Heel stil, omdat ik me er nog steeds schuldig over voelde. Alsof ik huilde omdat mijn eigen zoon hulp nodig had.
Twee dagen later heb ik met Henk gepraat. Niet goed gepraat, eerlijk gezegd. Ik begon al boos.
‘Jij hebt ja gezegd en ik draag de gevolgen.’
Hij werd rood. Henk wordt zelden boos, maar als hij het wordt, trekt hij zich terug achter van die korte zinnen.
‘Het is onze zoon, Els.’
‘Dat weet ik wel. Maar hij is geen zestien meer.’
‘Dus we zetten hem buiten?’
Dat had ik niet gezegd. Maar ineens klonk het wel alsof dat de enige andere mogelijkheid was.
De maandag daarna heb ik een vel papier gepakt en dingen opgeschreven. Ik vond mezelf vreselijk toen ik ermee bezig was. Regels voor je eigen kind. Maar anders bleef ik alleen maar mopperen en deed ik vervolgens alles alsnog.
Ik heb tegen Bas gezegd dat we moesten praten na het eten. Hij kwam al met een gezicht alsof hij wist wat er kwam.
Ik zei dat hij welkom was geweest en nog steeds welkom was, maar niet zonder einde en niet op een manier waarop wij ons leven stilzetten. Dat hij uiterlijk over zes weken iets anders moest hebben geregeld: terug naar zijn eigen huurwoning, tijdelijk bij een vriend, ik wist het niet. Zijn woning stond al die tijd vrijwel leeg, omdat hij zei dat hij daar te veel herinneringen aan Fleur had.
Ik zei ook dat hij vanaf die week één vaste huishoudelijke taak moest doen en dat wij niet meer iedere afspraak of sociale activiteit zouden afzeggen als hij een slechte dag had. Als het echt niet ging, mocht hij dat zeggen. Dan zouden we kijken wat nodig was. Maar ik kon niet meer automatisch beschikbaar zijn.
Bas werd heel bleek. Hij zei: ‘Dus als ik instort, gaan jullie gewoon lekker fietsen?’
Die zin kwam hard aan. Ik zei iets verkeerds terug, dat weet ik ook. Ik zei: ‘Je stort niet elke keer in als wij niet thuis zijn.’
Hij keek me toen aan alsof ik hem een aansteller noemde. Misschien voelde het ook zo.
Henk zat erbij en zei lange tijd niets. Uiteindelijk zei hij dat zes weken misschien erg kort was. Daar werd ik zo kwaad om dat ik naar boven ben gegaan. Niet netjes. Niet volwassen misschien. Maar ik kon niet nog een keer degene zijn die moest toegeven omdat iedereen het zielig vond.
Bas heeft die avond zijn zus Marije gebeld. Zij stuurde mij later een berichtje dat ze begreep dat het zwaar was, maar dat Bas ‘echt niet lekker in zijn vel zat’. Alsof ik dat niet wist. Ik heb haar niet meteen teruggeschreven.
Nu zijn we drie weken verder. Bas doet de vaatwasser meestal. Soms pas de volgende ochtend, maar goed. Hij heeft via de praktijkondersteuner van de huisarts weer contact met een psycholoog en hij is een paar keer naar zijn eigen appartement geweest om op te ruimen. Hij zegt nog steeds dat hij daar niet kan slapen.
Met mij praat hij beleefd. Misschien te beleefd. Hij noemt me weer vaker ‘mam’, maar er zit iets tussen ons dat er vroeger niet zat.
Henk en ik fietsen weer op dinsdag. De eerste keer keek ik de hele rit op mijn telefoon. De tweede keer heb ik hem thuis laten liggen. Dat voelde eerst verkeerd en daarna vooral rustig.
Over drie weken loopt de deadline af. Henk zegt dat we dan opnieuw moeten bekijken hoe het gaat. Ik zeg dat we die datum niet voor niets hebben afgesproken.
Vanmorgen zette Bas koffie voor ons allebei. Hij wist nog precies hoe ik hem drink. Hij zette het kopje neer, knikte naar de regen tegen het raam en vroeg of ik vandaag thuisbleef.
Ik zei dat ik naar Ria ging. En ik ben gegaan.