Sinds mijn pensioen zorg ik vaker voor de vrouw van mijn beste vriend dan dat ik tijd heb voor mijn eigen man
Ik heb de afgelopen maand drie keer een agenda gekocht, omdat ik steeds dacht dat het aan mijn eigen overzicht lag.
De eerste ligt op het dressoir, met afspraken bij de mondhygiënist en de verjaardag van onze kleinzoon. De tweede ligt in de keuken. Daar staat vooral in: Ria ophalen, met Ria naar de huisarts, bij Ria eten, Ria niet alleen laten tot Theo thuis is.
De derde heb ik nog in het plastic laten zitten.
Mijn man Henk en ik zijn allebei 63. Vorig voorjaar zijn we vanuit Amersfoort naar een dorpje in de Achterhoek verhuisd, niet ver van Doesburg. We hadden er jaren over gepraat. Een huis met een tuin die eigenlijk net te groot is voor twee mensen, maar waar we allebei verliefd op waren. Henk wilde eindelijk meer fietsen. Ik wilde schilderles nemen in Zutphen en vooral eens niet steeds ergens op tijd hoeven zijn.
Theo en Ria woonden al in het dorp. We kennen hen al sinds onze kinderen klein waren. Eerst van de camping in Frankrijk, daarna van etentjes, verbouwingen, scheidingen van anderen waar we dan samen veel te lang over praatten. Onze vriendschap was zo’n vanzelfsprekend ding dat ik me nooit heb afgevraagd of die ooit anders kon worden.
Ria was altijd degene die wist wie er jarig was, die een bos veldbloemen meenam als je ziek was en die na een etentje de volgende ochtend nog appte dat de quiche zo lekker was. De laatste jaren begon ze dingen door elkaar te halen. Eerst onschuldige dingen. Ze vroeg twee keer hoe onze dochter heette, terwijl ze nota bene bij haar bruiloft was geweest. Een keer stond ze bij ons aan de deur met een schaal lasagne die ze voor haar eigen zus had gemaakt.
Ik vond het vooral zielig voor haar. En voor Theo ook. Natuurlijk.
De diagnose kwam afgelopen herfst: een beginnende vorm van dementie. Ik weet nog dat Theo het vertelde aan onze keukentafel. Hij zat heel rechtop, met zijn jas nog aan. Ria was thuisgebleven omdat ze moe was.
‘Het gaat nog prima,’ zei hij meteen. ‘Maar jullie weten het nu tenminste.’
Henk pakte zijn arm vast. Ik zette thee. Daarna hebben we heel praktisch gedaan, zoals mensen van onze leeftijd vaak doen als er iets verschrikkelijks in de kamer hangt. We hadden het over de huisarts, over autorijden, over dat ze misschien een casemanager zouden krijgen.
De eerste maanden hielpen we gewoon waar nodig. Henk hing een extra lamp op in hun gang omdat Ria ’s avonds onzeker werd. Ik ging een keer mee naar de poli neurologie omdat Theo een presentatie op zijn werk had die hij echt niet kon afzeggen. Hij werkt nog drie dagen per week als zelfstandig adviseur. Dat vond ik toen juist goed voor hem. Iets van zijn normale leven behouden, zei ik tegen Henk.
Maar het werd steeds vaker.
Theo stuurde appjes alsof hij iets bij de supermarkt bestelde.
‘Kun jij woensdag even met Ria naar de markt? Dan is ze onder de mensen.’
Of: ‘Ik heb vanavond padel. Ria weet niet meer goed wat ze met eten moet. Willen jullie haar meenemen?’
In het begin zei ik altijd ja. Soms zonder erover na te denken. Als ik nee zei, kwam er meestal iets achteraan. Dat Ria onrustig was. Dat hij al weken slecht sliep. Dat hij anders een klant moest afzeggen. En dan voelde mijn nee meteen hard en klein.
Het nare is dat Ria zelf vaak nog ontzettend lief is. Ze zit bij ons op de bank, houdt mijn hand vast en zegt: ‘Wat fijn dat jij er bent, Marjan. Jij raakt nooit in de war.’
Dan moet ik soms naar de bijkeuken omdat ik niet wil dat ze ziet dat ik huil.
Niet omdat zij iets fout doet. Juist daarom is het zo ingewikkeld.
Vorige maand zouden Henk en ik vier dagen naar Vlieland. Niet eens ver weg, gewoon met de auto naar Harlingen en dan de boot. Het was een cadeau van onze kinderen voor onze pensioenen. Henk had er belachelijk veel zin in. Hij had nieuwe wandelschoenen gekocht, hoewel hij er al drie paar heeft.
Twee dagen voor vertrek belde Theo. Ria had die nacht niet geslapen en wilde niet alleen zijn. Hij zei dat hij die week een belangrijke opdracht had en bovendien op zaterdag met zijn broer naar een wedstrijd van Vitesse zou gaan. Of wij misschien onze reis konden verplaatsen.
Ik zei dat ik het niet wist en dat ik met Henk moest overleggen.
Aan de andere kant bleef het even stil. Toen zei Theo: ‘Marjan, ik vraag dit niet voor mezelf. Ik vraag dit omdat Ria jullie vertrouwt.’
Dat was gemeen, al denk ik niet dat hij het bewust gemeen bedoelde.
Henk hoorde het gesprek deels vanuit de woonkamer. Toen ik ophing, zei hij meteen dat we moesten gaan. Maar hij zei het op een manier waarop ik hoorde dat hij bang was dat ik het niet zou kunnen.
Ik heb uiteindelijk afgezegd. De annuleringsverzekering vergoedde niets, want dementie van een vriendin valt blijkbaar niet onder een verzekerde gebeurtenis. Henk zei dat het geld hem niet interesseerde. Toch zag ik hem die avond de bevestiging van het hotel nog eens openen op zijn telefoon.
Een week later kwam het eruit. Niet eens bij Theo, maar tussen Henk en mij. Ik had weer gezegd dat ik donderdag niet mee kon fietsen omdat Ria naar de kapper moest en Theo naar kantoor.
Henk zette zijn kopje zo hard neer dat de koffie over de rand liep.
‘Marjan, dit is geen hulp meer. Dit is een rooster.’
Ik werd kwaad, meteen. Ik zei dat hij makkelijk praten had, dat Ria hem minder nodig had dan mij. Dat Theo ook maar zijn best deed. Allemaal waar, en toch ook niet.
Diezelfde avond hebben we Theo uitgenodigd. Ria bleef thuis met een maaltijd die ik ’s middags al had gebracht. Ik vond het afschuwelijk dat we over haar praatten terwijl zij er niet bij was, maar een gesprek met z’n vieren lukte steeds minder. Ria raakt dan snel verdrietig of zegt dat het allemaal wel meevalt.
Henk had vooraf gezegd dat hij het woord zou voeren, omdat ik anders zou gaan verzachten. Dat klopte.
Theo kwam binnen met een fles wijn en deed alsof het een gewone vrijdagavond was. Pas toen Henk zei dat we iets wilden bespreken, veranderde zijn gezicht.
Henk legde rustig uit dat we wilden blijven helpen, maar niet meer op afroep beschikbaar konden zijn. Dat we vaste momenten konden afspreken. Bijvoorbeeld dinsdagmiddag en één avond in de week. En dat het tijd werd om contact op te nemen met de casemanager dementie en te kijken naar dagbesteding of thuiszorg.
Theo keek vooral naar mij.
‘Dus jullie laten haar nu vallen?’ vroeg hij.
Ik zei dat dat niet was wat we zeiden.
‘Echte vrienden laten elkaar niet in de steek als het moeilijk wordt,’ zei hij toen.
Daar zat ik echt even stil van. Niet omdat ik geen antwoord had, maar omdat ik dacht aan alle keren dat ik met Ria naar de wc was gegaan omdat ze de deur niet meer op slot kreeg. Aan de boodschappen die in mijn eigen koelkast bedierven omdat ik weer bij hen was blijven hangen. Aan Vlieland. Aan Henk die steeds vaker alleen ging fietsen.
Ik zei: ‘Theo, jij gaat wel naar je werk en naar padel en naar Vitesse. Dat mag ook. Maar waarom mogen wij dan geen eigen tijd meer hebben?’
Hij werd rood. Hij zei dat zijn werk nodig was voor hun financiële zekerheid en dat padel het enige was waar hij zijn hoofd leeg kon maken. Dat begrijp ik nog steeds. Echt. Ik zou niet met hem willen ruilen.
Maar vervolgens zei hij: ‘Jullie zijn met pensioen. Jullie hebben toch tijd?’
Dat deed meer pijn dan ik verwacht had.
Het gesprek is niet mooi geëindigd. Theo ging vroeg weg en nam de wijn weer mee, waarschijnlijk zonder erover na te denken. De volgende dag stuurde hij alleen een berichtje dat hij voorlopig zelf wel zou zien hoe hij het regelde.
We hebben Ria nu bijna twee weken niet gezien. Ik heb haar één keer gebeld, maar ze dacht dat ik haar zus was. Toen ik zei dat ik Marjan was, zei ze: ‘O ja, van die leuke tuin.’ Daarna vroeg ze of ik haar wilde ophalen van school.
Vanmorgen stond Henk met zijn fiets in de schuur te rommelen. Hij vroeg of ik mee wilde naar Bronkhorst, koffie drinken. Ik had bijna automatisch gezegd dat het niet kon, voordat ik besefte dat er niets in de agenda stond.
Ik heb Theo nog een bericht gestuurd. Niet boos. Gewoon dat we er voor Ria en hem willen zijn, maar dat we volgende week graag samen met hem de casemanager willen bellen. Hij heeft het gelezen. Hij heeft nog niet geantwoord.
De tweede agenda ligt nog steeds open op tafel. Dinsdag staat er niets. Ik weet niet of dat een opluchting is of iets waar ik me schuldig over moet voelen.