Na 34 jaar vriendschap kozen onze beste vrienden voor een camper en viel onze vaste kring ineens uit elkaar
De reserveplaats naast ons in de stalling is sinds vorige week leeg. Het is een klein ding, eigenlijk. Een betonnen vak, wat olieplekken, een oude fietsenrekhouder aan de muur. Maar iedere keer als ik daar langsloop om onze auto te pakken, kijk ik toch die kant op.
Daar stond jarenlang de Volvo van Henk en Marjan. Niet omdat we samen een stalling huurden uit romantische vriendschap of zo, maar omdat het praktisch was. Zoals veel dingen tussen ons praktisch waren geworden. Wij woonden allebei in dezelfde wijk in Amersfoort, zij drie straten verderop. Vrijdagavond meestal een borrel bij hen of bij ons. Zondagochtend soms wandelen bij Den Treek. Vakanties naar Frankrijk, een keer naar een veel te warm appartement aan het Gardameer, weekendjes met de kinderen toen die nog klein waren.
Nu staat er bij hen voor de deur een camper. Geen enorme, zo’n buscamper, donkergrijs, tweedehands maar netjes. Henk had er maandenlang filmpjes over gekeken. Eerst vond ik het nog wel grappig. Hij stuurde in onze groepsapp foto’s van opbergvakjes, een uitschuifbare luifel en iets waarmee je blijkbaar altijd koffie kunt zetten zonder aan de stroom te staan.
Ik ben zelf sinds januari met pensioen. Carla stopt in oktober, ze werkt nog drie dagen op de administratie van een zorginstelling. Henk was al in december klaar bij zijn installatiebedrijf en Marjan had haar laatste dag bij de bibliotheek in maart. We hadden het er vaak over gehad: eindelijk tijd. Niet meer plannen rond werk, oppasdagen of de voetbal van de kinderen.
In mijn hoofd betekende dat dat we juist méér samen zouden doen. Niet alles, natuurlijk. Ik ben niet gek. Maar ik zag ons al fietsen, etentjes op woensdag omdat niemand er de volgende dag vroeg uit hoefde, misschien in het najaar een huisje in Zeeland. Carla en Marjan wilden al jaren samen een cursus Spaans doen. Henk en ik hadden het over een abonnement bij FC Utrecht, al kwam daar meestal weinig concreets van.
Blijkbaar was dat vooral mijn hoofd.
Twee maanden geleden zaten we bij Henk en Marjan in de tuin. Het was zo’n eerste warme avond waarop iedereen ineens buiten wil eten en de kussens nog een beetje muf ruiken. Marjan had pasta gemaakt. Henk schonk wijn in die veel te groot glas voor Carla, zoals hij altijd doet.
Toen zei Marjan: „We hebben geboekt. Op 6 juni rijden we weg.”
Ik dacht dat ze een vakantie bedoelde.
„Leuk,” zei Carla. „Waarheen?”
„Geen idee,” zei Henk, en hij lachte. „Dat is nou juist het punt.”
Ze wilden via Duitsland richting Tsjechië, misschien Slovenië, en daarna zouden ze wel zien. Drie maanden minimaal. Mogelijk langer als het beviel. Hun huis zouden ze niet verhuren, hun dochter zou af en toe de post doen. Ze hadden allebei een AOW en een aanvullend pensioen, geen schulden meer, en ze vonden dat ze het moesten doen zolang ze gezond waren.
Niemand kon daar echt tegen zijn. Ik ook niet. Dat klinkt nu misschien raar, gezien hoe het daarna ging. Maar Henk heeft twee jaar geleden een hartritmestoornis gehad. Het gaat goed met hem, maar hij slikt medicijnen en bij elk onderzoek is er toch weer spanning. Marjan heeft reuma in haar handen, soms meer last dan ze zegt. Als je dan nog wilt rijden, lopen, ergens wakker worden zonder agenda, wie ben ik dan om te zeggen dat het niet mag?
Toch voelde ik iets in mijn buik zakken. Carla zei later thuis: „Ze doen alsof ze verdwijnen.”
Ik zei dat ze drie maanden weg zouden zijn, geen emigratie.
Maar in de weken daarna werd het groter. Niet door één gesprek, eerder door allemaal van die kleine dingen. Marjan zei haar vrijwilligerswerk op. Henk verkocht zijn gereedschapskast. Ze wilden na de zomer misschien ook de winter weg, naar Portugal of Spanje. En als het camperleven echt beviel, zouden ze hun huis misschien kleiner gaan wonen. Niet meteen, zei ze er dan bij. Maar wel serieus over nadenken.
Carla werd stiller. Zij en Marjan belden vroeger om de haverklap. Over de kinderen, hun moeders, recepten, de buren, van alles. Nu kreeg Carla vaak pas uren later antwoord, met een foto van een campingstoel of een lijstje spullen dat Marjan nog moest kopen.
De echte ruzie was bij ons aan de keukentafel. We hadden hen uitgenodigd om afscheid te nemen, al heette het officieel gewoon eten. Carla had stoofvlees gemaakt, veel te veel natuurlijk. Henk kwam binnen met een fles whisky en zei meteen dat hij blij was dat ze nog één keer normaal konden doen. Daar had ik al geen goed gevoel bij.
Na het eten vroeg Carla wanneer ze ongeveer terug zouden zijn voor kerst.
Marjan keek naar haar bord. „Dat weten we niet. Misschien helemaal niet. Als het daar fijn is, blijven we tot na nieuwjaar.”
Carla zei: „Dus wij moeten maar afwachten wanneer we nog in jullie leven passen?”
Henk zuchtte meteen. Dat vond ik irritant, alsof Carla iets heel onredelijks zei.
„Nee,” zei Marjan. „Maar we zijn niet weg uit jullie leven. We willen alleen niet het gevoel hebben dat we elke week moeten uitleggen waar we zijn en wanneer we terugkomen.”
Ik weet nog dat ik mijn servet op tafel legde. Veel te hard, volgens Carla later.
„Niemand vraagt om een verantwoording,” zei ik. „Maar na 34 jaar zeg je toch niet: we appen wel eens?”
Dat was precies wat Henk eerder die avond had gezegd. Dat ze niet iedere zondag wilden videobellen en dat WhatsApp voor hen voorlopig prima was. Alsof we collega’s waren die na een reorganisatie contact zouden houden.
Henk werd rood. „Gerard, jullie maken hier iets van wat het niet is. We hebben ons hele leven rekening gehouden met anderen. Ouders, kinderen, werk, afspraken. Nu willen we eens kijken hoe het is als we niet telkens hoeven terug te rijden omdat er een etentje in de agenda staat.”
„Dat etentje is dan wel met je beste vrienden,” zei Carla.
Marjan begon te huilen. Niet hard. Ze veegde gewoon met haar vingers onder haar ogen en zei dat ze zich schuldig voelde, maar ook boos omdat ze zich al maanden schuldig voelde terwijl ze juist blij wilde zijn.
Toen schaamde ik me, en tegelijk dacht ik: ja, maar wij zijn ook niet niks.
We hebben die avond niet geschreeuwd. Dat zou bijna makkelijker zijn geweest. Henk en Marjan gingen eerder weg dan normaal. Henk liet de whisky staan. Carla stond bij de voordeur met haar armen over elkaar. Marjan omhelsde haar wel, maar het was zo’n voorzichtige omhelzing waarbij je merkt dat allebei de ander niet goed durft vast te houden.
Sindsdien hebben we vooral appcontact. Foto’s van hun vertrek uit Nederland, een plek langs de Moezel, een broodje met te veel ui in Regensburg. Carla reageert beleefd met hartjes. Ik soms ook. Eén keer stuurde Henk een foto van de camper in de regen met: „Romantiek is ook een kapotte afvoer en natte sokken.” Daar moest ik ondanks mezelf om lachen.
Vorige zondag stelde hun zoon Bram in onze groepsapp voor om met z’n allen in november een weekend naar een huisje in Drenthe te gaan, als zijn ouders dan terug zijn. Marjan antwoordde dat ze het nog niet wist, omdat ze misschien door zouden rijden naar Kroatië.
Carla legde haar telefoon ondersteboven op tafel en zei niets.
Ik heb later die avond wel naar de lege plek in de stalling gekeken. Niet omdat ik vind dat ze terug moeten komen. Ik gun Henk die camper echt, denk ik. Maar ik probeer te begrijpen hoe je na zo lang samen leven in elkaars nabijheid ineens moet doen alsof vriendschap iets is wat je alleen oppakt als het tussen twee grensovergangen uitkomt.
Volgende week gaan Carla en ik zelf een paar dagen naar Terschelling. Gewoon met de auto, in een appartement waar je de sleutel bij de VVV ophaalt. Ik heb Marjan nog niet verteld dat we gaan. Niet uit wraak. Misschien omdat ik niet wil zien hoe snel zij alleen maar „Wat leuk!” terugstuurt, met een duimpje erachter.