Na 32 jaar Frankrijk heb ik voor het eerst gezegd dat ik niet mee wil
Het begon eigenlijk met een Excelbestandje in onze groepsapp. Henk had het gestuurd, zoals ieder jaar rond november. Bovenaan stond: “Frankrijk 2025 – voorlopige opzet.” Daaronder stonden de huisjes, de verdeling van de slaapkamers, de kosten per stel, wie wanneer boodschappen deed en op welke dagen we uit eten zouden gaan.
Ik zat aan de keukentafel met mijn koffie en ik voelde al weerstand voordat ik het bestand goed had geopend. Niet omdat het duur was, al werd het ieder jaar duurder. Ook niet omdat Frankrijk me tegenstaat. Ik hou juist van Frankrijk. Van een klein dorpsplein waar om twaalf uur de luiken dichtgaan, van een stokbrood onder mijn arm, van ergens zitten zonder dat er meteen een plan voor de rest van de dag is.
Maar bij ons is Frankrijk al tweeëndertig jaar hetzelfde geworden, ook al wisselt Henk zogenaamd van regio. Dit jaar was het een groot vakantiehuis in de Ardèche, voor zes stellen. Drie auto’s, twaalf volwassenen, twee weken. Iedere ochtend gezamenlijk ontbijten om half negen. Om tien uur vertrekken voor “iets cultureels”. Om één uur lunchen, gereserveerd natuurlijk. Aan het eind van de middag kaarten of jeu de boules. En dan koken volgens een rooster dat Henk en Marjan vooraf maakten.
Willem en ik zijn nu vierenzestig en zesenzestig. Hij is al een paar jaar met pensioen, ik pas sinds september. Ik heb achtendertig jaar in de apotheek gewerkt. Altijd diensten, altijd rekening houden met anderen, altijd iemand die iets van je nodig had. Eerst de kinderen, daarna mijn moeder toen ze slechter werd, en tussendoor werk. Ik dacht dat ik na mijn pensioen vanzelf rustig zou worden. In plaats daarvan ben ik juist onrustig. Alsof er iets in mij zegt: nu moet je wel een beetje opletten dat de rest van je leven niet alleen maar bestaat uit dingen waar je ooit per ongeluk ja tegen hebt gezegd.
Ik zei tegen Willem: “Ik wil dit jaar eigenlijk niet met z’n allen in zo’n huis.”
Hij keek op van zijn krant. “Niet?”
“Nee. Ik zou liever met jou een weekje naar een klein hotel of een gîte gaan. Niet steeds dat programma. Gewoon kijken waar we zin in hebben.”
Hij zei niet meteen dat hij het onzin vond. Dat is ook Willem niet. Hij vouwde de krant dicht, heel netjes, alsof we iets belangrijks gingen bespreken.
“Maar de groep rekent wel op ons,” zei hij.
Dat zinnetje raakte me meer dan het had moeten doen. Niet eens boos, eerder moe. De groep rekent altijd op ons. Op iedereen eigenlijk. En vooral op het feit dat niemand Henk tegenspreekt.
Henk is niet gemeen. Dat wil ik er wel bij zeggen, want als ik dit aan mijn dochter vertel, zegt zij meteen: “Mam, die man is toch verschrikkelijk?” Maar Henk regelt ook veel. Hij zoekt huizen uit, belt als er iets mis is, houdt bij wie wat betaald heeft. Toen Willem zijn bypassoperatie kreeg, stond Henk dezelfde avond nog bij ons met soep die Marjan had gemaakt. Bij de begrafenis van mijn vader was hij er ook.
Alleen is Henk iemand bij wie behulpzaam zijn heel dicht tegen bepalen aan zit. Als je zegt dat je liever niet naar een wijnproeverij wilt, zegt hij: “Joh, dat is juist leuk, daar heb je thuis toch geen last van.” En als je dan alsnog thuisblijft, wordt daar bij het diner een grap over gemaakt. Niet kwaadaardig misschien, maar wel zo dat je de volgende dag toch maar meegaat.
Ik heb daar altijd om gelachen. Sterker nog, ik heb vaak zelf meegeholpen om het glad te strijken. “Ach, zo is Henk nou eenmaal.” Dat zei ik dan. Misschien vooral omdat ik geen gedoe wilde.
In december hadden we een borrel bij Anja en Rob. Iedereen wist toen al dat we in de Ardèche zouden zitten, behalve ik, want ik had nog niets bevestigd. Marjan vroeg tussen de blokjes kaas en de schaal met borrelnootjes door of ik de kamer boven wilde, omdat ik vorig jaar zo last van mijn knie had.
Ik zei: “Lief dat je eraan denkt, maar ik denk dat Willem en ik dit jaar iets anders gaan doen. Misschien niet die twee weken met de hele groep.”
Het werd echt stil. Niet filmstil, want er speelde muziek en iemand liet in de keuken een lepel vallen, maar in het gesprek viel een gat. Ik zag Rob naar zijn glas kijken.
Henk lachte eerst. “Wat bedoel je, iets anders?”
“Gewoon met z’n tweeën weg. Kleiner. Rustiger.”
“Maar we hebben dat huis al onder voorbehoud vastgelegd,” zei Marjan. Ze klonk gekwetst, alsof ik had gezegd dat ik niet op haar verjaardag kwam.
Ik zei dat ik dat begreep en dat het me speet dat ik het niet eerder had gezegd. Dat was ook zo. Ik had het Excelbestand in oktober al gezien, maar ik had gewacht omdat ik bang was voor precies dit.
Henk zette zijn glas neer. “Je kunt toch ook gewoon een paar dagen je eigen gang gaan? We gaan al dertig jaar samen. Dan ga je toch niet opeens doen alsof het een strafkamp is?”
Dat woord, opeens, vond ik zo oneerlijk. Alsof ik zonder aanleiding was veranderd. Maar misschien was ik wel veranderd. Of misschien zei ik eindelijk hardop wat ik al langer voelde.
Willem zat naast me op de bank. Hij zei: “Els bedoelt niet dat het een strafkamp is.”
Henk keek hem aan. “Nee, maar wat bedoelt ze dan wel? Dat wij te druk zijn?”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik had op dat moment kunnen zeggen: ja, soms zijn jullie te druk. Of: ik wil niet meer dat mijn vakantie van minuut tot minuut wordt ingedeeld. Maar ik zei alleen: “Ik wil gewoon iets anders.”
Dat maakte het blijkbaar nog erger.
Later kreeg Willem een bericht van Rob. Of hij even kon bellen. Rob vertelde hem dat er irritatie was, vooral omdat het huis op twaalf mensen was berekend en de prijs nu anders uitviel. Dat snap ik praktisch gezien best. Maar daarna kwam er iets bij dat Willem pas de volgende ochtend vertelde. Henk zou hebben gezegd dat je niet half in een vriendengroep kunt zitten: “Of je doet mee, of je kiest ervoor erbuiten te staan.”
Willem was daar boos over, maar ook verdrietig. Hij kent Henk sinds hun diensttijd. Ze hebben samen verbouwd, kinderen naar studentenhuizen gereden, elkaar geholpen toen de ouders ouder werden. Voor Willem is die vakantie niet alleen een vakantie. Het is bewijs dat die vriendschap nog bestaat, ondanks alles wat er in dertig jaar veranderd is.
We hebben er thuis ruzie over gehad. Niet schreeuwen, meer van die vermoeiende zinnen die steeds terugkomen.
“Waarom moet het nu precies dit jaar?” vroeg hij.
“Omdat ik het nu voel,” zei ik. “Dat is toch ook een reden?”
Hij zei dat hij zich klemgezet voelde. En daar had hij gelijk in. Ik had hem misschien eerder mee moeten nemen in wat er in mijn hoofd speelde, in plaats van het pas te zeggen toen ik het zelf al bijna niet meer trok.
Uiteindelijk hebben we Henk en Marjan laten weten dat we niet meegaan. Niet een week, niet een paar dagen. Helemaal niet. We betalen wel mee aan het verschil dat door ons ontstaat, want ik wil niet dat anderen voor onze keuze opdraaien. Henk antwoordde alleen: “Jammer. Dan weten we waar we aan toe zijn.”
Sindsdien is het stiller. In de groepsapp gaat het over tolbadges, koelboxen en wie de Nederlandse kaas meeneemt. Niemand heeft mij verwijderd, wat kinderachtig genoeg toch als een opluchting voelde. Anja stuurde apart dat ze het begreep, maar dat ze hoopte dat we “dit niet groter maken dan nodig”. Daar wist ik niets op te zeggen.
Gisteren hebben Willem en ik een klein appartementje geboekt in de Vogezen. Zes nachten maar. Geen zwembad, geen gezamenlijke barbecue, geen planning. Willem wilde eerst niet boeken. Hij zat met zijn muis boven de knop en zei: “Het voelt alsof we vreemdgaan.” Toen moesten we allebei lachen, en daarna huilde ik ineens. Heel irritant, want ik had net mascara op.
Hij gaat nog steeds een weekend naar Henk in maart om samen naar een oldtimerbeurs te gaan. Ik heb gezegd dat hij dat vooral moet doen. Ik wil niet dat hij moet kiezen tussen mij en zijn vrienden. Maar ik weet ook niet of die vrienden ons straks nog uitnodigen voor verjaardagen, of het allemaal weer normaal wordt, of dat er voortaan iets scheefs blijft hangen.
Vanmiddag heb ik een wandelgids besteld voor de Vogezen. Willem vroeg of we dan wel een lijstje moeten maken met routes. Ik zei: “Misschien één of twee.”
Daarna liet hij het scherm openstaan en zette hij koffie. Dat was voorlopig genoeg.