Na veertig jaar vrijdagavond wil ik niet meer altijd degene zijn die iedereen bij elkaar houdt

Afgelopen vrijdag heb ik voor het eerst in ik weet niet hoeveel jaar niet de schaal met blokjes oude kaas klaargezet.

Dat klinkt misschien overdreven, maar bij ons betekent vrijdagavond al sinds begin jaren negentig: Hans en ik, Karin en Joost, Els en Pieter, en sinds een jaar of vijftien ook Marijke, sinds haar Theo overleden is. Eerst kwamen we om en om bij elkaar, maar op een gegeven moment werd het meestal bij ons. Ons huis ligt centraal, zeiden we. We hebben een grote tafel, zeiden we. En ik vond het ook gezellig, echt wel.

Ik maakte hapjes, zette wijn koud, wist wie er geen rauwe ui lustte en wie tegenwoordig aan de bloeddrukpillen zat. Hans zorgde voor de muziek en vertelde dezelfde anekdotes net iets harder naarmate de avond vorderde. Soms speelden we klaverjassen. Vaker praatten we over kinderen, verbouwingen, knieoperaties en wie er weer te veel betaald had voor de energierekening.

Veertig jaar lang was dat ongeveer ons leven. Niet alleen op vrijdag, trouwens. Verjaardagen, Pasen, oud en nieuw, de barbecue in juni. Als iemand iets had, stond de rest er. Toen mijn moeder in het verpleeghuis terechtkwam, bracht Karin soep. Toen Joost zijn baan kwijtraakte, hielp Hans hem met zijn cv. Dat soort vriendschap. Daar zeg je niet licht overheen.

Maar ik ben sinds september met pensioen. Ik werkte 32 jaar bij de bibliotheek in Amersfoort, eerst aan de balie en later in de jeugdafdeling. De laatste jaren telde ik af, niet omdat ik mijn werk haatte, maar omdat ik moe was van altijd beschikbaar zijn. Voor kinderen, voor ouders, voor collega’s, voor Hans, voor iedereen die dacht dat ik wel even iets kon regelen.

Ik had gedacht dat ik na mijn laatste werkdag meteen zou gaan schilderen. Niet goed schilderen, gewoon aankloten met verf in de logeerkamer. Misschien een cursus Spaans. Overdag naar het bos als het niet druk is. Een keer op dinsdagmiddag niets doen zonder dat het voelt alsof ik iets vergeet.

In plaats daarvan werd mijn agenda eigenlijk voller. Mensen hebben blijkbaar het idee dat je als gepensioneerde onbeperkt tijd hebt. Mijn zus vroeg of ik vaker op mijn zwager wilde letten na zijn staaroperatie. De buurvrouw appte of ik haar pakketjes kon aannemen. En de vrijdagavonden bleven vanzelfsprekend doorgaan, alleen nu begon ik er op donderdag al tegenaan te hikken.

Niet tegen hen persoonlijk. Dat is het lastige. Ik kan niet zeggen: ik wil jullie minder zien, want ik wil júllie niet minder zien. Ik wil alleen niet meer iedere week degene zijn die klaarstaat.

Drie weken geleden kwam de vakantie ter sprake. Pieter had iets gevonden in de Ardèche: een groot huis met zwembad, drie appartementen erbij, veertien dagen in september. We zouden met z’n zessen gaan, plus kinderen en kleinkinderen die eventueel een paar dagen konden aanhaken. Alles bij elkaar kwam het voor Hans en mij neer op bijna drieduizend euro, zonder benzine, boodschappen en uit eten.

Hans keek meteen op van zijn telefoon. “Dat is toch precies wat voor ons?”

Iedereen begon door elkaar te praten. Wie welke slaapkamer wilde, of er airco was, of je in Frankrijk nog fatsoenlijk kon wandelen. Marijke zei dat ze eindelijk weer eens iets groots wilde doen. Ik zat met mijn glas water in mijn hand en dacht alleen maar: twee weken. Met z’n zessen. En dan ook nog in een huis waar je elkaar de hele dag tegenkomt.

Ik zei niet direct nee. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik mompelde dat we erover na moesten denken.

Thuis, nadat de rest weg was en de vaatwasser draaide, zei Hans: “Leuk hè?”

Ik stond een plakkerige wijnvlek van de tafel te boenen. “Ik denk niet dat ik mee wil.”

Hij lachte eerst, alsof ik een grap maakte. Toen hij zag dat ik bleef boenen, werd hij stil.

“Niet mee op vakantie met onze beste vrienden?”

“Niet op deze vakantie. Niet twee weken. Eigenlijk wil ik volgend jaar sowieso wat minder vastleggen.”

Hij zei: “Maar we doen dit samen.”

Dat woord, samen, kwam harder binnen dan ik verwachtte. Alsof ik iets kapotmaakte wat van ons allebei was. Ik zei dat hij best mee kon gaan. Dat ik hem dat niet verbood. Maar daar werd hij juist boos van.

“Dan zit ik daar alleen als de man van wie zijn vrouw blijkbaar iets beters te doen heeft.”

Ik zei dat ik niet iets beters wilde doen. Ik wilde soms gewoon niets hoeven. Hij trok zijn wenkbrauwen op, heel vermoeid bijna, en zei: “Dat is makkelijk gezegd als je niet begrijpt wat zij voor mij zijn.”

Daar had hij wel een punt. Hans heeft weinig mensen buiten de groep. Hij werkte in de technische dienst van een school en zijn oude collega’s zijn na hun pensioen langzaam uit beeld verdwenen. Hij belt zijn broer hooguit met kerst. Als hij ergens mee zit, praat hij met Joost, of hij gooit het op tafel op vrijdagavond, verpakt als grap.

Ik weet dat. Juist daarom voelde mijn nee meteen gemeen.

De week erna kwam Karin koffie drinken. Ze zei dat ze het “niet wilde opstoken”, wat meestal betekent dat iemand het juist wel gaat opstoken. Ze vond het begrijpelijk dat ik rust nodig had. Maar ze zei ook dat Hans er zichtbaar van slag van was.

“Hij zei dat jij je schaamt voor ons,” zei ze voorzichtig.

Ik schaamde me niet voor hen. Ik schaamde me er op dat moment vooral voor dat hij dat tegen Karin had gezegd in plaats van tegen mij.

Karin keek naar mijn ongeverfde haar, naar de stapel tijdschriften op tafel en de kwastjes die ik nog steeds niet had gebruikt. “Misschien ga je gewoon mee en neem je af en toe een dag voor jezelf? Zo’n huis is groot genoeg.”

Dat is precies het soort redelijke voorstel waar ik niets tegenin kreeg zonder ondankbaar te klinken. Maar ik voelde mijn keel dichtgaan. Zelfs in Frankrijk moest ik dan kennelijk uitleggen waarom ik alleen wilde zijn.

Vorige vrijdag heb ik de groepsapp gedempt. Niet verlaten, gedempt. Er kwamen foto’s van het vakantiehuis voorbij en een lijstje met aanbetalingen. Hans zat naast me op de bank en vroeg voor de derde keer of ik echt niet van gedachten kon veranderen.

Ik zei dat ik wel wilde praten over een kortere vakantie met hem samen. Een midweek ergens in Drenthe, bijvoorbeeld. Hij zei niets. Na een tijdje pakte hij zijn jas en ging alleen naar Joost, “om even een biertje te doen”.

Ik heb die avond soep uit de vriezer gegeten en daarna eindelijk mijn verfspullen uitgepakt. Het werd verschrikkelijk. Een soort grijze vaas die scheef op het papier stond. Ik heb er toch naar zitten kijken tot het donker was.

De aanbetaling voor Frankrijk moet eind deze maand gedaan worden. Hans heeft nog niet gezegd dat hij alleen gaat. Ik heb ook nog niet gevraagd of hij dat echt wil.

Vanavond komen ze weer. Dit keer bij Els en Pieter. Hans is al gedoucht en heeft een overhemd aan. Ik zit nog in mijn vest op de rand van het bed. Over twintig minuten moet ik blijkbaar kiezen of ik mijn schoenen aantrek of opnieuw een avond afzeg.

En eerlijk gezegd weet ik niet eens welke keuze minder gevolgen heeft.