Mijn man zei dat een oude vriend altijd welkom moest zijn, maar ons huis in Zeeland voelde steeds minder als van ons
Ik had niet verwacht dat ik op mijn tweeënzestigste nog het gevoel zou krijgen dat ik toestemming moest vragen om in mijn eigen keuken in stilte een boterham te eten.
Maar vorige dinsdag stond ik daar met de waterkoker in mijn hand, terwijl Kees aan de keukentafel uitgebreid vertelde over zijn bezichtiging in Rotterdam. Mijn man Henk knikte en stelde vragen over de vraagprijs, de makelaar en of de VvE wel gezond was. Ik wist niet eens dat ik zo’n hekel kon krijgen aan die afkorting.
We wonen nu bijna drie jaar in een klein dorpje op Schouwen-Duiveland. Geen idyllisch huis uit een woonblad, hoor. Een voormalige dijkwoning, laag plafond, tocht bij de achterdeur en een tuin waar ik in het voorjaar veel meer slakken dan bloemen aantref. Maar hij is van ons. Of nou ja, van de bank en een beetje van ons.
Henk werkte veertig jaar bij een installatiebedrijf in Vlaardingen. Ik zat bij de klantenservice van een zorgverzekeraar, eerst op kantoor en later deels thuis. We hebben jarenlang gedacht: nog even door, hypotheek aflossen, niet te gek doen. Toen Henk met vroegpensioen kon en ik een jaar later stopte, wilden we weg uit de drukte. Geen files, geen buren die tot één uur ’s nachts op hun balkon zaten te barbecueën, geen agenda die volstond voordat je überhaupt had bedacht waar je zelf zin in had.
Hier fietsen we naar Zierikzee als het weer een beetje meezit. Henk rommelt in zijn schuurtje met oude radio’s. Ik schilder, niet geweldig, maar ik vind het fijn om verf op mijn handen te hebben en nergens heen te hoeven. We hadden eindelijk een ritme dat niet door werk, familie of verplichtingen werd bepaald.
Kees kent Henk nog van de LTS. Ze zijn nooit van die vrienden geweest die elke week bij elkaar kwamen, maar wel van het soort dat elkaar na een halfjaar belt en meteen weer verder praat. Kees was altijd degene met de harde lach, de sterke verhalen en een mening over alles. Zijn vrouw, Marjan, was rustiger. Zij overleed vorig voorjaar, vrij plotseling na een hersenbloeding. Ze was drie dagen eerder nog met haar zus naar de markt geweest.
Henk was echt van slag toen hij het hoorde. We zijn naar de crematie gegaan. Kees stond daar met zijn handen langs zijn lichaam, alsof hij niet wist waar hij ze moest laten. Hij had een te groot colbert aan. Ik weet nog dat ik dacht: iemand had even met hem mee moeten gaan om iets uit te zoeken.
In het begin belde Henk hem veel. Dat vond ik alleen maar goed. Kees woonde alleen in hun appartement in Rotterdam, vlak bij de drukke weg. Hij zei dat hij gek werd van het geluid en van alle plekken waar Marjan nog zat: haar pantoffels onder de stoel, een potje crème in de badkamer, haar naam nog op een oude afspraakkaart van de tandarts.
Toen vroeg hij of hij een week bij ons mocht komen. Even eruit. Natuurlijk zei ik ja. Wat moest ik anders? Hij kwam met één weekendtas, een doos wijn en een bos bloemen die na twee dagen al slap hing. Hij deed zijn best. Hij kookte één avond pasta, ruim voldoende voor twaalf man, en bood drie keer aan om af te wassen.
Alleen was hij er de hele tijd.
’s Ochtends zat hij al om half acht beneden. Ik ben juist iemand die eerst een uur een beetje wil aanrommelen. Radio zacht, koffie, krantje op mijn telefoon. Kees wilde praten. Over Marjan, over de buren, over hoe mensen na een overlijden eerst heel lief zijn en daarna weer doorgaan met hun eigen leven. Daar had hij gelijk in. Maar na vier dagen wist ik oprecht niet meer wat ik moest zeggen zonder gemeen te klinken.
Toen hij wegging, zei Henk: “Misschien kunnen we dit elke maand doen. Hij knapte hier zichtbaar van op.”
Ik heb toen gezegd dat ik het zwaar vond. Niet dat ik Kees niet wilde helpen, maar een week per maand is geen bezoek meer. Dat is een kwart van je leven. Henk keek me aan alsof ik voorstelde om de man buiten te laten slapen.
“Hij heeft niemand meer, Els.”
Dat zinnetje kwam daarna steeds terug. Hij heeft niemand meer.
Alsof ik dan automatisch iemand moest worden.
De maanden erna kwam Kees inderdaad ongeveer iedere vier weken. Soms van maandag tot zondag, soms langer omdat het “in Rotterdam zo benauwd was”. Henk vond het prima. Die ging met hem vissen of een rondje rijden. Maar Henk heeft ook zijn schuur. Hij kan daar de deur dichtdoen. Ik niet. Kees zat in mijn keuken, op mijn bank, bij mijn schildertafel. Hij bedoelde het niet verkeerd, dat geloof ik echt. Hij zei zelfs vaak: “Zeg het hoor, als ik in de weg loop.”
Maar wat zeg je dan? Ja Kees, je loopt in de weg doordat je verdriet hebt en ik daar niets aan kan veranderen?
Ik begon rare dingen te doen. Ik ging langer boodschappen halen dan nodig was. Ik bleef met een vest aan in de tuin zitten terwijl het te koud was. Een keer heb ik gedaan alsof ik hoofdpijn had en ben ik om half negen naar bed gegaan, alleen om niet nog een avond naar programma’s te kijken waar niemand echt naar keek.
Henk merkte het wel, maar hij werd er vooral stil van. We kregen van die irritante gesprekken in bed, fluisterend alsof Kees ons kon horen door twee muren heen.
“Je hoeft niet de hele tijd gezellig te doen,” zei Henk.
“Maar hij is hier wel voor de gezelligheid, Henk.”
“Hij is hier omdat hij alleen is.”
“En ik ben ook niet alleen, maar ik voel me soms wel alleen in mijn eigen huis.”
Dat had ik niet moeten zeggen, denk ik. Henk draaide zich om en zei een tijd niets. De volgende ochtend deed hij alsof het gesprek niet had bestaan.
Vorige week kwam Kees dus met het nieuws dat hij zijn appartement te koop had gezet. Hij zei het bijna opgewekt. Een nieuw begin, noemde hij het. Kleiner wonen, misschien ergens in de buurt van ons. Hij had zelfs naar appartementen in Goes gekeken, maar die waren volgens hem belachelijk duur voor wat je kreeg. Daar ben ik het trouwens mee eens.
Toen kwam de vraag. Of hij, als zijn huis snel verkocht werd, een paar maanden bij ons kon blijven. Tot hij iets passends had gevonden. “Ik betaal natuurlijk mee,” zei hij meteen. “Ik wil jullie niet tot last zijn.”
Henk zei niet direct ja, gelukkig. Hij keek naar mij. Dat was misschien nog het ergste, dat Kees erbij zat en ik ineens degene was die iets moest stukmaken.
Ik hoorde mezelf zeggen dat we erover moesten nadenken. Kees knikte, maar ik zag zijn gezicht dichtgaan. Niet dramatisch. Gewoon een klein knikje, zijn mond wat strakker. Daarna begon hij over een advertentie die hij had gezien.
Die avond hebben Henk en ik voor het eerst echt ruzie gehad sinds we hier wonen. Niet hard schreeuwen, dat doen we allebei niet, maar erger: van die korte zinnen waarin je merkt dat de ander je niet meer probeert te begrijpen.
Henk zei dat hij Kees niet in de steek kon laten nu die man alles kwijt was. Ik zei dat Kees niet alles kwijt was, hij had een pensioen, een huis dat waarschijnlijk met flinke overwaarde verkocht zou worden en twee volwassen dochters, al wonen die ver weg. Dat klonk hard. Misschien was het ook hard.
Henk zei: “Dus omdat hij financieel niet arm is, mag hij wel eenzaam zijn?”
Daar had ik geen goed antwoord op.
We hebben uiteindelijk afgesproken dat Henk Kees zou bellen en zou zeggen dat een paar maanden bij ons niet gaat. Wel twee weken, eventueel met een duidelijke einddatum, als er een gat zit tussen verkoop en een nieuwe woning. Henk wilde ook helpen zoeken en meegaan naar bezichtigingen als Kees dat fijn vindt. Ik vond dat al een groot compromis, maar toen Henk het uitsprak, klonk het voor mijn gevoel toch alsof we hem afwezen.
Kees heeft nog niet teruggebeld. Hij stuurde gisteren alleen: “Ik snap het. Moet even landen.”
Henk loopt sindsdien met zijn telefoon in zijn zak, ook in de tuin. Ik voel me schuldig zodra ik hem zie kijken. Tegelijkertijd heb ik vanmorgen mijn ezel weer in de woonkamer gezet. Hij stond wekenlang ingeklapt in de logeerkamer, omdat Kees daar sliep en ik geen zin had om tussen zijn tassen te schilderen.
Er ligt nu een doek op met alleen een grijze lucht en een scheve horizon. Henk zei er niets van toen hij langs liep. Hij zette koffie voor ons allebei en vroeg of ik suiker wilde. Dat vraag ik normaal nooit, ik drink het zonder.
Maar ik zei ja, omdat ik even niet wist wat ik anders moest zeggen.