Mijn man wil onze overwaarde aan onze zoon geven, maar ik durf ons vangnet niet weg te schenken
Ik heb de verhuisdozen nog steeds niet allemaal uitgepakt. Dat klinkt misschien raar, want we wonen hier inmiddels acht maanden. Maar in de berging staan er nog zes, met daarop in mijn handschrift: ‘keuken vroeger’, ‘foto’s’, ‘divers’. Alsof ik ergens nog rekening mee houd dat we teruggaan.
Dat kan natuurlijk niet. Ons huis in Amersfoort is verkocht. De nieuwe bewoners hebben de uitbouw al anders geschilderd, zag ik een keer toevallig op Funda toen ik niet kon slapen en naar oude foto’s zocht. Veertig jaar hebben we daar gewoond. Twee kinderen grootgebracht, mijn moeder nog een tijd in de logeerkamer gehad toen ze slecht ter been werd. Het was een fijn huis, maar te groot geworden. Te veel trap. Te veel onderhoud. Te veel kamers die dichtbleven.
Nu wonen Kees en ik in een nieuw seniorenappartement aan de rand van de stad. Het is mooi, dat moet ik eerlijk zeggen. Lift, vloerverwarming, brede deuren, een balkon waar je zelfs met slecht weer nog een beetje beschut zit. Beneden is een gezamenlijke ruimte waar op woensdagmiddag bridgers zitten en waar ik me nog steeds niet helemaal thuis voel. Kees wel. Die kent na acht maanden al iedereen bij de fietsenstalling.
We hielden na de verkoop, na alles wat er nog af moest, veel meer geld over dan ik had verwacht. Geen belachelijk bedrag, maar wel genoeg om niet meer bij iedere rekening meteen te zuchten. Kees zei steeds: ‘Daar hebben we toch ons hele leven voor gewerkt.’ Ik dacht juist: mooi, dan hoeven we later niemand lastig te vallen.
Onze dochter Marije zei alleen: ‘Geniet ervan, mam.’ Zij en haar vrouw wonen in Zwolle, allebei werk, geen kinderen. Daar zit geen vraag achter, althans niet hardop.
Onze zoon Daan woont in Utrecht. Alleen, sinds zijn relatie met Eline twee jaar geleden stukliep. Hun zoontje Mats is vier en is om de week een paar dagen bij hem, plus een deel van de vakanties. Daan woont in een huurappartement op drie hoog, twee slaapkamers als je de kleine kamer meetelt. Als Mats er is, slaapt Daan op de bank omdat hij wil dat Mats een eigen kamer heeft. Eerst vond Daan dat prima. Hij zei zelfs dat het gezellig was, met dekens op de bank en zaterdagochtend tekenfilms. Maar Mats wordt groter. Hij heeft steeds meer spullen. Een fietsje in de gang, een mand met dinosaurussen naast de eettafel, een half kapotte tent in de slaapkamer.
Drie weken geleden kwam Daan op zondag koffie drinken. Kees had appeltaart gehaald bij de bakker en ik had slagroom in huis, omdat Mats dat altijd vraagt. Mats was dat weekend bij Eline, dus het was alleen Daan. Achteraf denk ik dat ik toen al had moeten begrijpen dat hij niet voor de koffie kwam.
Hij bleef maar met zijn lepel in zijn kopje roeren. Kees vertelde iets over een man uit het gebouw die zijn scootmobiel verkeerd had geparkeerd. Daan knikte, maar hij luisterde niet.
Toen zei hij dat er een appartement te koop stond, niet ver van zijn werk. Drie kamers, een klein balkon, geen tuin maar wel een binnenterrein. Hij had al twee keer gekeken. Het was duur, natuurlijk. Alles is duur daar. Maar met zijn spaargeld en een hypotheek zou het misschien kunnen, als hij een flinke schenking kreeg.
Hij zei het voorzichtig. Alsof hij eerst wilde peilen of wij hem zouden uitlachen.
Kees reageerde meteen. ‘Dat is toch juist mooi? Dan heeft die jongen straks een fatsoenlijke plek.’
Ik zei nog niets. Ik voelde mijn handen koud worden, terwijl het in huis 21 graden was.
Daan vertelde dat hij niet vroeg om alles. ‘Maar een deel zou echt het verschil maken,’ zei hij. ‘Dan kan ik bieden zonder dat ik mezelf helemaal klem zet.’
Ik vroeg hoeveel hij bedoelde. Hij noemde een bedrag waar ik even van moest slikken. Niet omdat we het niet hadden, maar omdat het ineens zo echt werd. Geen vaag idee meer van later misschien. Geld dat van onze rekening verdwijnt.
Kees keek naar mij alsof het eigenlijk al besloten was.
‘We kunnen toch niet doen alsof we het nodig hebben?’ zei hij.
Dat vond ik zo’n gemene zin, terwijl hij het volgens mij niet gemeen bedoelde. Alsof ik geld wilde oppotten om ernaar te kunnen kijken.
Ik zei dat we niet weten hoe de komende jaren lopen. Kees is 71, ik ben 68. We zijn nu gezond genoeg, op zijn knie na en mijn hoge bloeddruk. Maar mijn moeder was op haar 79e nog kwiek en had drie jaar later thuiszorg nodig, toen een aangepaste badkamer, daarna een plek in een verpleeghuis waar je overal achteraan moest bellen. Mijn vader was er toen al niet meer. Ik heb gezien hoe snel je wereld klein kan worden als je afhankelijk wordt.
‘Daar zijn voorzieningen voor,’ zei Daan.
Ik weet dat er voorzieningen zijn. Ik weet ook dat er wachtlijsten zijn, eigen bijdragen en kinderen die zeggen dat ze echt wel helpen, totdat ze zelf ook gewoon een baan en een kind en een leven hebben. Dat verwijt ik Daan niet eens. Ik wil juist niet dat hij later iedere vrijdagavond boodschappen voor ons moet doen omdat wij geen ruimte meer hebben om iets zelf te regelen.
Kees werd stil. Daan ook.
Toen kwam het zinnetje waar ik sindsdien aan blijf haken. Daan zei: ‘Maar mam, je kunt toch niet alles vasthouden voor een toekomst die misschien niet eens zo loopt, terwijl Mats nu in een huis woont waar hij nauwelijks kan spelen?’
Ik snapte hem. Echt. Ik zag Mats meteen voor me, met zijn knieën opgetrokken op onze bank, omdat hij een hut wilde bouwen en er hier tenminste plek is. Ik schaamde me zelfs een beetje om mijn angst. Tegelijk dacht ik: hij woont niet op straat. Hij heeft een kamer. Hij heeft twee ouders die van hem houden. Is dat dan niet genoeg?
Een paar dagen later belde Daan dat hij nog een bezichtiging had. Aan het einde zei hij bijna terloops dat hij de komende tijd misschien minder vaak deze kant op zou komen. Niet als straf, zei hij direct. Maar met Mats is het gewoon gedoe. De trein, een tas, een kinderwagen vroeger en nu weer die fiets. In zijn eigen huis konden wij ook niet makkelijk blijven slapen, want waar dan?
Ik zei: ‘Dat begrijp ik.’ Maar nadat we hadden opgehangen, heb ik in de keuken gestaan met een schone theedoek in mijn handen en ben ik gaan huilen. Niet netjes huilen. Gewoon hard, met mijn gezicht tegen die doek aan.
Kees vond mij daar. Hij zei dat ik Daan woorden in de mond legde die hij niet had uitgesproken. Daar heeft hij waarschijnlijk gelijk in. Daan dreigde niet. Hij beschreef zijn leven. Alleen voelde het alsof bezoek van mijn kind ineens gekoppeld werd aan een bankrekening.
We hebben daarna twee avonden bijna niet gepraat. Kees leest dan de krant op zijn tablet en zucht harder dan nodig is. Ik ga vroeg naar bed en lig vervolgens wakker. Hij wil een bedrag schenken waarmee Daan verder kan, maar niet alles. Ik wil eerst met een financieel adviseur praten, niet met iemand die ons iets probeert te verkopen, maar gewoon iemand die rekent wat er overblijft als een van ons veel zorg nodig krijgt.
Daan vindt dat uitstel. Misschien is het dat ook. Het appartement waarop hij hoopte, is inmiddels onder bod. Hij stuurde alleen een screenshot met: ‘Te laat waarschijnlijk.’ Daarna een duimpje, alsof het niks was.
Morgen komt Mats bij ons logeren. Kees heeft al een luchtbed besteld dat precies in de logeerkamer past. Ik heb nieuwe kleurpotloden gekocht en een pak vanillevla, hoewel Daan altijd zegt dat Mats daar hyper van wordt.
Ik weet nog niet wat we gaan doen met het geld. Wel weet ik dat ik morgen niet over woningen wil praten. Ik wil Mats vragen of hij nog steeds naar groep twee gaat na de zomer. En ik wil, als Daan hem komt ophalen, niet meteen aan zijn ogen zien of hij ons iets kwalijk neemt.