Na veertig zomers samen in Frankrijk wilden we ineens niet meer mee

De map lag op tafel tussen de koffie en een schaal met nog warme appeltaart. Kees had hem meegenomen alsof hij een presentatie op zijn werk moest geven. Plastic insteekhoezen, tabbladen, een uitgeprinte route vanuit Utrecht en zelfs een overzicht van de verwachte kosten per stel.

Bovenaan stond: Frankrijk 2025 – planning.

Ik weet nog dat ik eerst moest lachen. Kees werkte vroeger bij de gemeente, bij vastgoed, en hij was altijd degene die wist welke afslag je moest nemen en waar je goedkoper kon tanken. Dat vond ik meestal wel makkelijk. Mijn man Paul zegt al veertig jaar dat Kees zelfs een wandeling naar de brievenbus zou voorbereiden met een draaiboek.

Maar dit was anders.

We gaan al sinds 1984 bijna iedere zomer met Kees en Marjan weg. Eerst met een klein tentje, later met kinderen die overal zand in hun bedden hadden, en de laatste vijftien jaar huurden we een groot huis in Frankrijk. Drie weken. Meestal ergens in de Dordogne of de Ardèche. We zochten samen, verdeelden de kamers zonder gedoe, deden boodschappen bij de Intermarché en aten te veel stokbrood. Het was nooit ingewikkeld.

De ene dag gingen we naar een marktje, de andere dag bleef iedereen een beetje rond het zwembad hangen. Marjan en ik kookten soms samen, de mannen rommelden met de barbecue. Als iemand geen zin had in een dorpje of een kano, zei die gewoon: „Ga jullie maar, ik lees even.” Daar hoefde niemand beledigd over te zijn.

Tenminste, dat dacht ik.

Kees is vorig jaar met pensioen gegaan. Hij had er lang naar uitgekeken, maar volgens mij viel het hem ook rauwer op zijn dak dan hij had verwacht. Opeens had hij zeeën van tijd. Marjan vertelde eens terloops dat hij op dinsdag al vroeg de vuilnisbak buiten zet, ook al wordt die pas donderdag geleegd, omdat hij anders bang is het te vergeten. Ze zei het lachend, maar ik hoorde er iets vermoeids in.

Paul werkte nog tot afgelopen voorjaar als projectleider in de installatietechniek. Hij is nu 68 en officieel gestopt, al wordt hij af en toe nog gebeld door zijn oude werkgever. Niet omdat hij dat zo leuk vindt, maar omdat ze kennelijk zonder hem niet weten waar bepaalde tekeningen staan. Hij neemt dan op, zegt dat hij ermee ophoudt en zit vervolgens toch een uur achter zijn laptop.

Ik merk aan hem dat hij moe is. Niet ziek of somber, gewoon moe van jarenlang plannen, oplossen en bereikbaar zijn. Hij wil juist wakker worden zonder te hoeven weten wat er om tien uur moet gebeuren.

Kees sloeg de map open.

„Ik heb een huis gevonden in de buurt van Sarlat. Echt prachtig. Zes slaapkamers, dus ruimte genoeg. En ik heb voor elke dag alvast iets bedacht, anders zakt zo’n vakantie toch een beetje in.”

Hij zei het vrolijk. Bijna opgewekt.

Daarna kwam het schema. Op maandag de markt in Sarlat. Dinsdag een wandeling van elf kilometer, met hoogteverschil erbij vermeld. Woensdag gezamenlijk lunchen bij een restaurant dat hij al had gemaild. Donderdag rustdag, maar dan wel met om zeven uur borrel en om acht uur gezamenlijk eten. Vrijdag kanoën. Zaterdag een wijnproeverij. Zondag was gereserveerd voor „eigen invulling”, al stond daaronder dat we die avond allemaal zouden koken met lokale producten.

En zo drie weken door.

Paul zat naast me en werd steeds stiller. Hij friemelde aan zijn servet, wat hij doet als hij ergens vanaf wil zonder ruzie te maken. Marjan keek vooral naar haar koffie.

Toen Kees klaar was, zei hij: „Het is natuurlijk nog niet in beton gegoten. Maar als we het een beetje strak doen, hebben we er allemaal wat aan.”

Paul keek mij aan. Ik voelde het al aankomen en wilde hem bijna een schop onder tafel geven, niet omdat ik het oneens was, maar omdat ik wist wat er zou volgen.

„Kees,” zei hij, „ik denk eigenlijk dat wij volgend jaar iets met z’n tweeën willen doen.”

Het bleef even heel stil. Buiten reed een scooter door de straat. Mijn appeltaart stond ineens op tafel alsof niemand hem had aangeraakt.

„Met z’n tweeën?” vroeg Marjan.

Paul knikte. „Ja. Gewoon eens een kleiner huisje. Niet drie weken, waarschijnlijk. Misschien twee.”

Kees leunde achterover. „Maar we doen dit toch altijd samen?”

„Dat weten we,” zei ik snel. „En we vinden die vakanties ook heel dierbaar. Echt. Alleen, Paul is net gestopt en we merken dat we dit jaar behoefte hebben aan wat minder afspraken.”

Kees keek naar zijn map, toen weer naar ons. „Dus die planning is het probleem.”

„Niet alleen die planning,” zei Paul. „Meer het idee dat alles al vastligt voordat we überhaupt weg zijn.”

Dat was niet handig geformuleerd. Ik zag Kees meteen verharden.

„Ik probeer alleen te zorgen dat we geen tijd verdoen. Drie weken zijn zo voorbij. En eerlijk gezegd vind ik het nogal laat om na veertig jaar te zeggen: zoek het maar uit.”

„Dat zeggen we niet,” zei ik.

„Zo voelt het wel.”

Marjan zei toen heel zacht: „Kees, laat ze nou.” Maar hij keek haar niet eens aan.

Ik werd boos, vooral omdat ik me schuldig voelde. Alsof wij inderdaad iets afpakten. Ik dacht aan alle jaren dat Kees onze kinderen meenam naar de rivier omdat Paul en ik een ochtend wilden uitslapen. Aan Marjan die na de begrafenis van mijn moeder zonder iets te zeggen mijn koelkast had gevuld. Aan Kees die met Paul de hele dag in de regen een lekkende dakgoot heeft gerepareerd toen wij net in dit huis woonden.

Dat zet je niet zomaar naast een vakantiehuisje in Frankrijk.

Toch zei ik: „Vriendschap is toch niet dat je ieder jaar precies hetzelfde moet blijven doen?”

Kees antwoordde: „Nee, maar je laat elkaar ook niet vallen zodra het je even minder goed uitkomt.”

Daar schrok ik van. Niet omdat het helemaal onwaar voelde. Misschien hadden we de laatste tijd ook minder vaak gebeld. Misschien hadden we tijdens etentjes te vaak geklaagd over zijn lijstjes in plaats van eerlijk te zeggen dat het ons benauwde. Ik wist ook dat Kees sinds zijn pensioen niet goed wist wat hij met zichzelf aan moest. Die vakantie was voor hem misschien meer dan drie weken Frankrijk. Misschien was het het bewijs dat niet alles veranderde.

We zijn die middag vrij snel weggegaan. Marjan liep met ons mee naar de voordeur en drukte mijn arm even vast. Ze zei: „Ik bel je nog wel.” Dat deed ze pas vier dagen later.

Ze vertelde dat Kees zich afgewezen voelde. Niet alleen door de vakantie, maar doordat hij dacht dat Paul en hij samen oud zouden worden met dezelfde gewoontes. „Hij is daar gewoon niet zo goed in, in dingen die veranderen,” zei ze. Daarna zei ze ook, na een stilte: „Ik vind dat schema zelf trouwens vreselijk.”

Daar moesten we allebei om lachen, veel harder dan passend was.

Paul en ik hebben uiteindelijk een appartementje geboekt aan de Bretonse kust. Twaalf dagen, eind september. Geen zwembad, geen groot terras, geen zes slaapkamers. We kunnen lopend naar de bakker en er is een klein balkon waar je waarschijnlijk maar net met twee stoelen op past.

Kees reageerde kort op onze app. „Jammer. Veel plezier dan.”

Dat was twee weken geleden. De groepsapp is sindsdien stil. Vroeger stuurde Kees daar foto’s van aanbiedingen voor Franse wijn in, of een bericht als er ergens een goede documentaire over de Dordogne was.

Vanmorgen kreeg ik wel een foto van Marjan. Een stapel wandelkaarten op hun eettafel, met daarnaast de map. Geen tekst erbij.

Ik heb alleen een hartje teruggestuurd. Ik wist eerlijk gezegd niet wat anders.