Mijn zoon woont al anderhalf jaar in ons tuinhuis, en ik weet niet meer of ik hem help of juist vasthoud

Toen we het bijgebouw achter in onze tuin lieten verbouwen, dacht ik eerlijk gezegd vooral aan leuke dingen. Een logeerkamer voor de kleinkinderen ooit, een plek waar Hans zijn racefiets kwijt kon, misschien een atelier voor mij als ik minder zou gaan werken. We hadden er jaren voor gespaard. Geen spectaculaire verbouwing, maar wel netjes: vloerverwarming, een kleine badkamer, een keukenblok en openslaande deuren naar het gras.

Nu staat er bijna altijd een donkerblauwe Toyota voor de poort en doe ik soms alsof ik niet naar buiten hoef, omdat ik geen energie heb voor weer zo’n gesprek.

Onze zoon Daan is 34. Anderhalf jaar geleden ging hij scheiden van Lotte. Dat kwam voor ons niet helemaal uit de lucht vallen, maar de snelheid waarmee alles daarna instortte wel. Hij werkte als projectleider bij een installatiebedrijf, had altijd haast, altijd zijn telefoon in zijn hand. Na die scheiding meldde hij zich ziek. Burn-out, zei de huisarts. Hij sliep slecht, at soms alleen crackers en viel in een paar maanden zo af dat zijn spijkerbroek om hem heen hing.

Zijn huurwoning in Utrecht kon hij niet meer betalen toen zijn inkomen terugviel. Lotte wilde het huis houden waar ze samen woonden, wat ik ook wel begreep. Er waren geen kinderen, geen enorm drama over spullen, maar alles moest verdeeld worden en Daan had nergens de kracht voor. Hij woonde drie weken op de bank bij een vriend. Toen hebben Hans en ik gezegd: kom maar naar ons. Tijdelijk. Herstel eerst maar.

Hans heeft zelf het keukenblok aangesloten. Daan lag op dat moment op de bank in onze woonkamer te slapen, met zijn schoenen nog aan. Ik weet nog dat Hans zachtjes zei: „Die jongen is op.”

De eerste maanden waren eigenlijk rustig. Daan kwam soms eten, soms niet. Hij maaide een keer het gras en verontschuldigde zich daarna omdat hij er twee dagen hoofdpijn van had. Ik zei steeds dat dat niet hoefde. Hij moest vooral bijkomen. We maakten afspraken met de bedrijfsarts niet echt mee, maar hij vertelde af en toe dat hij nog niet kon terugkeren. Ik geloofde hem. Ik geloof hem nog steeds, denk ik.

Alleen veranderde er iets toen de lente weer kwam en ging. Hij was toen al een jaar bij ons.

Hij stond later op. Niet een beetje later, maar soms pas tegen half één. Hij gamede tot diep in de nacht, hoorde ik aan het geluid door het open raam als ik de was ophing. Hij zei dat hij online contact had met vrienden en dat het hem hielp niet zo alleen te zijn. Dat kan best. Ik ben 63, ik hoef niet alles van die wereld te begrijpen.

Maar hij zei ook steeds vaker dat hij „binnenkort” met zijn werkgever zou kijken wat mogelijk was. Binnenkort werd na de zomer. Na de zomer werd na de feestdagen. Ondertussen had hij nog steeds geen gesprek gehad over andere woonruimte. Zodra ik voorzichtig begon over inschrijven of een antikraakplek, keek hij alsof ik hem vroeg zijn been af te zetten.

Hans werd daar ongeduldig van. Hij is 66, net gestopt met drie dagen per week werken bij de gemeente. Hij had zich verheugd op fietsen, een paar weken met de caravan weg, eindelijk die schutting vervangen. Maar we kunnen niet zomaar weg. Daan kan wel een paar dagen alleen zijn, natuurlijk, maar het voelt toch anders als je volwassen zoon in een huisje op jouw erf woont en niet goed in zijn vel zit.

Daarbij is onze tuin niet meer echt onze tuin. Daan heeft het terras bij het bijgebouw volgezet met een loungeset die hij tweedehands heeft gekocht. Prima, dacht ik eerst. Alleen zit hij daar met vrienden te roken. Niet elke dag, maar vaak genoeg. Hans zei laatst dat hij zich een gast in zijn eigen achtertuin voelde. Ik vond dat overdreven en zei dat ook. Daar kregen we ruzie over.

„Jij ziet alleen maar een jongen die het moeilijk heeft,” zei Hans.

„Omdat hij het ook moeilijk hééft.”

„Ja, maar hij hoeft hier helemaal niks meer. Dat is het probleem.”

Die zin bleef hangen. Ik werd woest, omdat het klonk alsof Daan lui was. Alsof hij ervoor kiest om niet uit bed te kunnen komen op sommige dagen. Hans bedoelde het denk ik minder hard dan hij zei, maar hij kan verschrikkelijk bot worden als hij zich zorgen maakt.

Een week later stelde hij voor huur te vragen. Geen marktprijs, zei hij, maar 350 euro per maand. Daan krijgt inmiddels weer gedeeltelijk salaris en zou volgens Hans best iets kunnen bijdragen aan gas, water en licht.

Ik zei meteen nee. Veel te snel misschien. Ik riep dat je geen huur gaat vragen aan je kind als hij mentaal op is. Hans keek me toen heel lang aan en zei: „Hij is geen kind meer, Marjan.”

Daar had hij gelijk in. En ik haatte hem er even om.

Het liep echt uit de hand toen mijn broer met zijn vrouw en onze dochter Eva op zondag koffie kwamen drinken. Iedereen wist dat het onderwerp gevoelig lag, maar mijn broer is zo iemand die denkt dat hij helpt door dingen gewoon te zeggen.

Daan kwam later binnen, ongeschoren, maar vrolijker dan ik hem in weken had gezien. Eva vertelde dat ze misschien met haar gezin naar Zwolle wil verhuizen. Mijn broer begon over huizenprijzen. Hans zei, niet eens bijzonder hard: „Daarom moet Daan ook eens kijken wat haalbaar is. Hij kan niet wachten tot er een woning uit de lucht komt vallen.”

De stilte daarna was vreselijk. Mijn broer keek naar zijn kopje. Eva pakte haar jas al half van de stoel.

Daan zei: „Dus dit is nu blijkbaar een familieonderwerp.”

Hans probeerde nog te zeggen dat hij het niet zo bedoelde, maar Daan ging door. Hij zei dat hij elke dag voelde dat hij hier eigenlijk in de weg liep. Dat hij geen uitkeringstrekker was, zoals hij het noemde, en dat hij best wist dat hij een probleem had. Toen keek hij naar mij en zei: „Mam, jij zegt altijd dat ik hier mag zijn, maar pap wil me er gewoon uit hebben.”

Dat is niet letterlijk waar. Hans heeft nooit gezegd dat Daan van de ene op de andere dag weg moet. Maar op dat moment zei ik ook niet dat het genuanceerder lag. Ik begon te huilen, heel irritant, midden aan tafel. Eva bracht de lege kopjes naar de keuken terwijl ze zelf niets zei.

Daan is die avond niet komen eten. Hij appte alleen: sorry voor eerder. Daarna hoorde ik zijn deur dichtgaan.

Sindsdien praten Hans en ik vooral praktisch. Over boodschappen. Over de cv-ketel die weer onderhoud nodig heeft. Over de caravan die nog steeds niet is gereserveerd. Maar onder alles zit dit.

Daan heeft vorige week wel een afspraak gemaakt bij een loopbaancoach, via zijn werk. Dat is iets. Hij heeft ook gereageerd op twee studio’s, al maken we onszelf niet wijs dat hij daar snel tussen komt met de woningnood. Hans wil nu alsnog een termijn afspreken: over zes maanden moet er volgens hem een plan liggen, met een bijdrage aan de kosten vanaf volgende maand.

Ik wil dat niet op papier zetten alsof we zijn verhuurder zijn. Tegelijk weet ik dat ik niet nog drie jaar elke ochtend ga kijken of de gordijnen bij het bijgebouw al open zijn.

Vanmiddag stond ik in de tuin met een mand schone was. Daan zat buiten met zijn laptop. Hij vroeg of ik koffie wilde. Ik zei ja. We hebben tien minuten over onzin gepraat, over een buurman die zijn coniferen veel te rigoureus had gesnoeid. Ik wilde vragen of hij zelf ook voelde dat het zo niet eindeloos kon. Ik deed het niet.

Toen ik terugliep naar huis, zag ik Hans door het keukenraam. Hij stond met zijn telefoon in zijn hand, waarschijnlijk weer te zoeken naar een camping waar we misschien nog heen kunnen. Ik wist ineens niet meer voor wie ik op dat moment het meest bang was: voor Daan, of voor ons.