Sinds Kees met pensioen is, lijkt ons huis niet meer van ons tweeën

Elke donderdagavond stond er jarenlang één ding vast: om acht uur koffie bij Han en Els, of bij ons, of bij Marja en Wim. Om de beurt. Soms speelden we rummikub, soms zaten we alleen maar te praten over kinderen, vakanties en wie er weer last had van zijn knie. Het was nooit spectaculair, maar wel vertrouwd. We kennen elkaar nog van de camping in Zeeland, toen onze kinderen klein waren en wij allemaal jong genoeg waren om te denken dat slaaptekort tijdelijk was.

Ik heb die avonden altijd leuk gevonden. Echt. Maar één avond per week is iets anders dan drie middagen, twee avonden en een brunch op zondag.

Kees ging vorig voorjaar met pensioen. Hij werkte 41 jaar bij de gemeente, eerst bij groenvoorziening en later op de planning. De laatste maanden voor zijn afscheid telde hij de dagen af. Hij zei dat hij eindelijk tijd zou hebben om te fietsen, de schuur op te ruimen en misschien een cursus Spaans te doen. De eerste maandag na zijn afscheid zat hij om half negen al aangekleed aan de keukentafel, met de krant helemaal uitgelezen en een blik alsof iemand vergeten was hem een opdracht te geven.

Ik werk nog drie dagen in een apotheek in Amersfoort. Niet omdat het financieel per se moet, al is mijn salaris prettig nu alles duurder wordt. Ik vind mijn werk gewoon nog fijn. De mensen, mijn collega’s, het gevoel dat ik ergens verwacht word. Op mijn vrije dagen drink ik soms koffie met mijn zus of ga ik wandelen met Nanda, een oud-collega. Kees zei eerst dat hij dat heerlijk vond voor me.

Maar al vrij snel begon hij thuis af te spreken met Han. Dan kwam Han ‘even een bakkie doen’, en dan was het half vijf. Vervolgens belde Els of ze Han ook meteen op kon halen bij ons, en dan bleef zij ook. Een week later zat ineens de hele club op woensdagmiddag bij ons omdat het regende en het terras bij De Linde geen optie was.

Ik kwam dan uit mijn werk, moe van een dag waarop je de hele tijd vriendelijk moet blijven terwijl mensen boos worden omdat hun herhaalrecept nog niet klaarstaat, en zag door het raam al jassen over de stoelen hangen. Kees deed open met rode wangen van plezier.

‘Gezellig, hè? We waren toevallig allemaal in de buurt.’

Alsof zes mensen toevallig in onze straat belanden.

Ik zette dan mijn tas neer, maakte een rondje langs iedereen en vroeg of ze nog koffie wilden. Dat deed ik automatisch. Niemand dwong me. Misschien is dat juist het irritante: ik kon ook zeggen dat ik naar boven ging of dat ik geen zin had. Maar ik wilde niet die vrouw worden die haar eigen vrienden wegstuurt zodra haar man een beetje opleeft.

Want dat deed hij wel. Kees was vrolijker als er mensen waren. Hij maakte grappen, haalde oude verhalen aan, zat minder op zijn telefoon. Als ze weg waren, werd hij stil. Niet altijd, maar vaak genoeg dat ik het ging merken.

In september kwam hij met het idee van de thema-avonden. Iedere vrijdag een diner, steeds met een land als onderwerp. Italiaans, Grieks, Indonesisch. Hij had al een appgroep aangemaakt voordat hij het aan mij vertelde. De eerste avond waren we met tien man. Kees had een rood-wit geblokt tafelkleed gekocht en een fles limoncello die niemand lekker vond behalve Wim.

Het was op zich best een geslaagde avond. Iedereen lachte. Els had tiramisu gemaakt. Maar ik had die vrijdag gewerkt, was daarna boodschappen gaan doen omdat Kees de helft vergeten was, en stond vervolgens anderhalf uur in de keuken terwijl hij met de mannen een wijnproeverij deed in de woonkamer.

Toen iedereen weg was, lagen er servetten onder de bank, plakte de eettafel en was ik zo moe dat ik mijn lenzen eruit haalde zonder mijn gezicht te wassen. Kees zette de vaatwasser aan en zei: ‘Zie je wel? Dit moeten we erin houden.’

Ik weet nog dat ik hem aankeek en alleen maar dacht: hij heeft werkelijk geen idee.

De vrijdag erna zei ik dat ik niet mee wilde doen. Niet op die manier. Ik zei dat ik best eens in de maand mensen wilde eten, als we het samen bespraken, maar niet elke week en zeker niet standaard bij ons. Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat hij niet meer met ze mocht omgaan.

‘Maar jij bent er toch vaak niet eens bij?’ zei hij.

Dat kwam hard aan, juist omdat het waar was. Ik was er soms niet bij omdat ik naar bed ging, of naar Nanda, of gewoon niet wilde aanschuiven bij de vierde avond in één week waarop dezelfde gesprekken over kunstheupen en kleinkinderen werden gevoerd.

‘Ik ben wel thuis, Kees,’ zei ik. ‘Dat is iets anders.’

Hij werd boos. Niet schreeuwen, dat doen wij eigenlijk nooit, maar zo’n boze stilte waarbij hij dingen net te hard neerzet. Hij zei dat ik niet begreep hoe het was om ineens nergens meer nodig te zijn. Dat iedereen altijd zegt dat pensioen heerlijk is, maar dat je agenda opeens leeg is en de dagen lang worden. ‘Jij hebt je werk nog. Jij gaat de deur uit. Ik heb dit.’

Daar had ik geen goed antwoord op. Alleen dat ik niet zijn hele pensioen kon opvangen door onze woonkamer beschikbaar te stellen.

We spraken af dat de vrijdagdiners naar De Linde zouden gaan. Niet ideaal, want daar is het eten duurder dan het zou moeten zijn en de bediening doet alsof je dankbaar moet zijn voor een lauwe saté. Maar het was neutraal terrein. Kees ging akkoord, al zei hij er drie weken bijna niets over.

Toen kreeg Marja een slechte val. Niet dramatisch, gelukkig, maar wel een gebroken enkel en daarna bleek dat ze ook al langer slecht liep door haar heup. De Linde heeft een trapje bij de ingang en het toilet zit achterin een smalle gang. Han en Wim zeiden dat het voor Marja veel makkelijker was als we weer bij ons zouden zitten. Wij wonen gelijkvloers, hebben een brede deur en een toilet beneden.

Els stuurde het in de groepsapp, heel voorzichtig geformuleerd. ‘Zou het misschien tijdelijk bij Kees en Loes kunnen? Alleen totdat Marja weer beter ter been is.’

Kees antwoordde vrijwel meteen: ‘Natuurlijk, geen punt.’

Ik zag het pas toen ik thuiskwam. Hij stond aardappels te schillen. Op het aanrecht lag een lijstje voor een tapasavond.

Ik voelde iets in mijn borst dichtgaan. Misschien was het gemeen, maar ik zei: ‘Waarom vraag je mij dit niet eerst?’

Hij keek op en zei dat Marja moeilijk liep, alsof dat alles uitlegde.

‘Dat snap ik. Maar wij wonen hier samen.’

Hij legde het mes neer. ‘Dus omdat jij rust wilt, moet Marja thuis blijven zitten en moet ik iedereen vertellen dat het niet mag?’

Ik zei dat hij het meteen weer overdreef. Hij zei dat ik alles als een aanval zag. Toen zei ik iets waar ik later spijt van had: dat hij zich gedroeg alsof hij een buurthuis runde omdat hij niet wist wat hij anders met zichzelf aan moest.

Hij werd heel bleek. Niet boos zelfs. Gewoon geraakt.

Die avond heb ik bij mijn zus gegeten. Ik had geen tas meegenomen, niks voorbereid, alleen mijn jas gepakt en gefietst. Mijn zus vroeg na tien minuten wat er was, en ik barstte meteen in huilen uit boven een bord stamppot. Niet omdat ik die mensen haat. Ik haat ze niet. Marja stuurde me later zelfs een berichtje dat ze absoluut geen gedoe wilde veroorzaken.

Zaterdagmorgen zat Kees in de tuin, ondanks de kou. Hij had een dekentje over zijn knieën en keek naar de natte tegels. Ik ging naast hem zitten. We hebben niet meteen een oplossing gevonden. Hij zei dat hij zich schaamde dat hij zo afhankelijk was geworden van die vaste momenten. Ik zei dat ik me schaamde dat ik Marja’s enkel in mijn hoofd als een extra probleem was gaan zien.

Voorlopig komt de groep eens per twee weken op zondagmiddag bij ons, van twee tot vijf. Kees doet de boodschappen en ruimt alles op. Ik hoef er niet altijd bij te zijn. De andere week gaan ze naar Han en Els; daar is het krap, maar Han heeft een oprijplank geregeld voor Marja’s rolstoel, wat ik eerlijk gezegd nogal typisch Han vind: eerst mopperen en dan toch alles oplossen.

Het is nog niet ontspannen tussen Kees en mij. Soms zie ik hem op dinsdag al in de groepsapp vragen wie er zondag komt, en dan voel ik mezelf verkrampen. Maar gisteren kwam ik thuis en was het stil. Kees was naar de bibliotheek geweest om te kijken naar een vrijwilligersvacature bij het Taalhuis. Hij zei dat hij alleen even informatie had gevraagd.

Daarna maakte hij twee boterhammen met oude kaas voor ons allebei. We aten ze aan de keukentafel, zonder bezoek, zonder planning, zonder dat er ergens een schaal borrelnootjes stond.