Ik heb de autosleutels van mijn man verstopt, en nu kijkt hij me aan alsof ik hem heb verraden
De sleutels liggen nu in een oude koektrommel achter de voorraad rijst. Ik heb ze daar dinsdagavond neergelegd, met mijn handen die zo trilden dat ik het deksel twee keer verkeerd op de trommel zette.
Het zijn gewoon twee sleutels, één voor onze Volvo en één voor de schuur. De Volvo is tien jaar oud, donkerblauw, altijd netjes onderhouden door Henk zelf. Vroeger waste hij hem op zaterdagochtend, ook als er regen werd voorspeld. Dan stond ik binnen koffie te zetten en zag ik hem door het keukenraam met zo’n oude zeem in zijn handen. Ik vond het soms overdreven, maar het hoorde bij hem.
Henk is 71, ik ben 68. We hebben allebei ons hele leven gewerkt. Hij bij een installatiebedrijf, eerst buiten in de bouw en later als werkvoorbereider. Ik heb jarenlang in een apotheek gewerkt, drie dagen in de week toen de kinderen klein waren en later vier. We hebben geen enorme villa of zo, maar wel een afbetaald hoekhuis in Amersfoort, wat spaargeld en eindelijk tijd. Althans, dat was het plan.
De eerste dingen waren klein. Henk vergat afspraken bij de tandarts. Hij belde onze dochter Marije drie keer op één avond omdat hij dacht dat ze jarig was. Hij raakte geïrriteerd als ik zei dat hij dezelfde vraag al had gesteld. Dat kon iedereen gebeuren, zei hij dan. En dat is ook zo. Ik vergeet zelf ook wel eens waarom ik naar boven liep.
Maar het werd anders toen hij bij de Albert Heijn zijn auto niet meer kon vinden en een kwartier over het parkeerterrein liep. Hij belde mij boos op, alsof ik hem ergens had neergezet. En een paar maanden geleden kwam hij thuis via een weg die hij al dertig jaar rijdt, maar hij zei dat er ineens allemaal rotondes waren aangelegd. Er was er één veranderd, jaren geleden al.
De huisarts heeft hem doorverwezen naar de geheugenpoli. Dat woord alleen al maakte hem woedend. Hij ging uiteindelijk mee omdat ik bleef aandringen, maar daarna zei hij in de auto: “Jij wilt zeker dat ze me gek verklaren. Lekker makkelijk voor jou.”
Er is nog geen harde diagnose uitgesproken. Ze zeggen ‘cognitieve klachten’, verder onderzoek, een MRI, gesprekken. Henk onthoudt vooral dat niemand hem heeft verteld dat hij niet meer mag rijden. Daar heeft hij feitelijk gelijk in. De huisarts heeft geadviseerd om voorzichtig te zijn en een rijtest te overwegen. Henk noemt dat onzin. Hij heeft nooit een schade gereden, zegt hij. Hij heeft meer kilometers gemaakt dan die jonge gasten die met hun telefoon in de hand rijden.
Vorige week dinsdag ging het mis. Niet echt mis, gelukkig, maar dichtbij genoeg.
Hij was naar de bouwmarkt geweest voor een nieuw slot voor de schuurdeur. Ik was thuis gebleven, want ik had die ochtend slecht geslapen. Hij kwam terug en vertelde het pas terloops, alsof het over iemand anders ging. Bij de kruising bij de Stadsring was hij door rood gereden. Volgens hem sprong het licht net op rood toen hij al bijna over de streep was.
Een jongen op een fiets had moeten uitwijken. Henk zei dat die jongen zelf veel te hard reed en ook nog zonder licht, wat best kan. Maar vervolgens zei hij: “Ik wist even niet meer welke kant ik op moest. Die fietser kwam van links of rechts, ik weet het niet.”
Ik stond met een theedoek in mijn handen. Hij pakte een krentenbol uit de zak, smeerde er boter op en keek niet eens naar me.
“Henk, je had iemand kunnen raken.”
“Nou, dat heb ik niet gedaan.”
“Maar je wist niet waar je was.”
Hij sloeg met zijn vlakke hand op het aanrecht. Niet hard, maar ik schrok toch. “Hou nou eens op met dat gezeur. Ik ben niet achterlijk.”
Die avond heb ik onze kinderen gebeld. Marije woont in Zwolle en werkt in het onderwijs. Ze was meteen stil en daarna heel praktisch. Ik moest de sleutels weghalen, zei ze. De huisarts bellen. Desnoods met de casemanager dementie overleggen zodra die er was. Ze zei ook dat ik niet alleen naar hem moest kijken als haar vader, maar als iemand die anderen kon verwonden.
Onze zoon Bas reageerde heel anders. Hij is 39, woont met zijn vriend in Utrecht en heeft altijd al moeite gehad met mensen die voor hem beslissen. Hij zei: “Mam, pap is geen kind. Als hij nog geen rijverbod heeft, kun jij toch niet ineens zijn leven gaan besturen?”
Ik zei dat het niet om besturen ging.
“Zo voelt het voor hem wel. En eerlijk: voor mij ook een beetje. Jullie hebben altijd alles zelf gedaan. Nu ga jij achter zijn rug om dingen regelen.”
Daar werd ik kwaad om. Ik zei dat hij makkelijk praten had, omdat hij niet elke dag zag hoe Henk soms in de woonkamer stond en niet meer wist waarvoor hij daarheen was gelopen. Of hoe hij vorige maand het gas onder de pan had laten branden terwijl hij naar de garage was gegaan. Bas zei toen, zachter, dat hij dat snapte. Maar hij bleef erbij dat Henk recht had op zijn eigen keuzes, zolang hij nog kon begrijpen wat hij deed.
Dat ‘zolang’ blijft in mijn hoofd hangen. Wie bepaalt dat eigenlijk? Henk vindt zelf dat er niets aan de hand is. Ik zie hem soms nog heel helder de belastingpapieren doornemen of een kapotte lamp vervangen. Dan schaam ik me bijna voor mijn angst. Misschien maak ik hem kleiner omdat ik bang ben om alleen te komen staan.
Maar ik zie ook andere dingen. Hij heeft de laatste tijd zo’n korte lont. Hij zegt dat ik spullen verplaats terwijl ik ze niet heb aangeraakt. Vorige zondag zocht hij zijn portemonnee en beschuldigde hij mij ervan dat ik hem ‘wegmoffelde’. Hij lag uiteindelijk in zijn eigen jaszak, precies waar hij altijd zit. Hij bood geen excuses aan. Hij zei alleen: “Nou ja, dan heb jij geluk gehad.”
Na dat bijna-ongeluk heb ik twee nachten niet geslapen. Dinsdagavond lag Henk te snurken en ik lag ernaast te luisteren naar elke ademhaling, wat natuurlijk nergens op slaat. De volgende ochtend ging hij douchen. Zijn broek lag over de stoel. Ik pakte zijn sleutelbos uit zijn zak en legde hem in die koektrommel.
Om half elf stond hij in de gang met zijn jas aan.
“Waar zijn mijn sleutels?”
Ik zei eerst dat ik het niet wist. Daar heb ik nu het meeste spijt van. Niet eens van het verstoppen, maar van dat liegen terwijl hij me aankeek.
Hij zocht overal. In zijn jas, de fruitschaal, de badkamer, zelfs tussen de post. Ik stond erbij alsof ik naar een vreemde keek die ons huis doorzocht. Uiteindelijk zei ik dat ik ze had weggehaald.
Hij werd niet boos op de manier die ik verwachtte. Hij ging gewoon op de trap zitten. Zijn jas nog aan, één schoen half los. Hij keek naar de vloer.
“Dus jij vindt dat ik gevaarlijk ben.”
Ik zei dat ik bang was. Dat ik niet wist wat ik anders moest doen.
Toen keek hij wel naar mij. Zijn ogen waren nat, maar zijn gezicht stond hard. “Ik ben je man, Els. Ik ben niet iemand die jij opbergt omdat het lastig wordt.”
Daarna belde hij Bas. Ik hoorde hem in de bijkeuken praten, zacht eerst, later feller. Bas kwam die avond langs. Marije kwam ook, na haar werk, rechtstreeks met een tas van het station. We zaten aan de eettafel waar we vroeger verjaardagen vierden en waar de kleinkinderen met stiften op gekleurde placemats tekenden.
Bas zei dat ik de sleutels terug moest geven. Marije zei dat ik juist veel te lang had gewacht. Henk zei bijna niets meer. Alleen dat hij geen zorgcoach in huis wilde, geen woonvorm wilde bekijken en niet behandeld wilde worden alsof hij al weg was.
Ik heb uiteindelijk de autosleutel niet teruggegeven. Wel heb ik gezegd dat ik de huisarts zou bellen en dat we samen zouden vragen wat verstandig is. Henk antwoordde niet. Hij zette zijn kopje in de vaatwasser, terwijl dat kopje niet vaatwasserbestendig is en hij dat altijd wist.
De Volvo staat nog steeds voor de deur. Gisteren heeft Henk hem gewassen. Zonder sleutel natuurlijk, alleen met een emmer en diezelfde oude zeem. Ik keek vanuit de keuken toe. Hij maakte ook de spiegels schoon, heel zorgvuldig.
Vanavond komt Bas weer. Henk heeft gevraagd of hij hem naar de bouwmarkt wil brengen. Ik weet niet of ik daar blij mee moet zijn of juist bang dat we nu allemaal om de auto heen gaan draaien, alsof dat het enige is wat er speelt.
De koektrommel staat nog achter de rijst. Ik heb hem vandaag één keer opengemaakt, alleen om te kijken of de sleutels er nog lagen.