Sinds mijn pensioen wil ik stilte, maar mijn vrouw wil dat ik mee blijf doen met onze vriendengroep
Het gekke is dat ik vroeger degene was die nooit nee zei.
Veertig jaar lang werkte ik als accountmanager bij een technisch bedrijf in Nieuwegein. Klanten eten geven, handen schudden, belangstelling veinzen voor iemands verbouwing of kleinkind, altijd opletten wie je vergat te begroeten. Ik kon dat goed. Althans, ik deed het goed genoeg dat mensen dachten dat ik er energie van kreeg.
Toen ik twee jaar geleden met pensioen ging, dacht iedereen dat ik eindelijk tijd zou hebben voor leuke dingen. Vooral Marijke. Zij stopte een halfjaar na mij met haar werk op de administratie van een basisschool. We waren 62 en 63, gezond, hypotheek bijna af, kinderen het huis uit. De wereld lag zogenaamd open.
In die periode is onze vriendengroep echt ontstaan. We kenden Henk en Els al van de camping in Frankrijk, en via hen kwamen Rob en Fatima erbij, later Kees en Ingrid. Eerst dronken we af en toe een wijntje op vrijdag. Daarna werd het om de week eten bij iemand thuis. Daarna een vaste wandeling op dinsdag, museumbezoekjes, verjaardagen die steeds uitgebreider werden en een groepsapp waar vanaf halfacht ’s morgens foto’s van cappuccino’s en aanbiedingen bij de Lidl in kwamen.
Marijke bloeide ervan op. Dat meen ik zonder sarcasme. Zij is goed met mensen. Ze onthoudt wie last heeft van een knie, wie een dochter heeft die in scheiding ligt, wie geen koriander lust. Als er gedoe is, stuurt zij precies het juiste berichtje. Niet te zwaar, niet te lollig. Iedereen belt haar ook. ‘Even met Marijke overleggen.’
Ik vond het aanvankelijk prima. Na mijn werk voelde het bijna als een beloning om niet meer alleen met mijn agenda en mijn telefoon bezig te zijn. Maar ergens is dat veranderd.
Ik begon op zaterdagmorgen pas echt ontspannen te worden als ik wist dat er die dag niets hoefde. Geen lunch, geen borrel, geen afspraak waar je je toch voor moet douchen en aankleden terwijl je daar eigenlijk geen zin in hebt. Ik ging fietsen langs de Lek, soms met een thermoskan koffie in mijn tas. Of ik rommelde in de schuur. Ik ben niet eens bijzonder handig, maar een middag een lade opruimen of de bandenspanning van de auto controleren kan me tegenwoordig oprecht tevreden maken.
Marijke snapte dat eerst niet zo goed.
‘Maar je vindt Henk toch hartstikke aardig?’ vroeg ze als ik weer eens zei dat ik niet mee wilde.
Dat klopt ook. Henk is een aardige vent. Alleen kan iemand aardig zijn en kun je hem toch niet iedere woensdagavond drie uur lang aanhoren over zijn zonnepanelen.
In het begin ging Marijke alleen als ik afzegde. Ze zei dan luchtig dat ik moe was of dat ik nog iets aan de tuin moest doen. Daarna merkte ik dat ze stiller werd als er een uitnodiging binnenkwam. Ze ging dan op haar telefoon kijken, legde hem weg en vroeg pas na een tijdje: ‘Zullen we zaterdag naar Rob en Fatima?’
Als ik nee zei, knikte ze vaak alsof ze het al wist. Maar ik zag aan haar mond dat ze zich inhield.
Het werd vervelender toen de anderen er opmerkingen over begonnen te maken. Niet eens gemeen, eerder dat Nederlandse plagerige waar je geacht wordt om te lachen.
‘Peter heeft zeker weer een vergadering met zichzelf?’ zei Ingrid een keer toen Marijke alleen kwam.
Of Kees in de groepsapp: ‘We missen onze rustige kracht weer.’ Met een knipoog erachter.
Marijke liet die berichten aan mij zien, alsof ze wilde dat ik zelf zou merken dat het haar raakte. Ik reageerde meestal met iets flauws. Dat was laf, zie ik nu wel. Ik wilde niet toegeven dat ik me schuldig voelde, omdat schuld meteen voelde als een verplichting om toch weer mee te gaan.
Vorige maand gingen we met z’n allen eten bij een Italiaan in Houten. Ik was mee, vooral omdat Marijke jarig was geweest en ik wist dat ze het belangrijk vond. De tafel was lang, het was warm in het restaurant en iedereen praatte door elkaar. Rob wilde weten of we volgend voorjaar niet met de hele club naar Puglia konden. Tien dagen, huisjes bij elkaar, huurauto’s, gezamenlijke diners. Hij had al iets gevonden via een kennis van zijn zwager.
Iedereen werd meteen enthousiast. Er werden foto’s bekeken van een zwembad, olijfbomen, een terras met lampjes. Fatima zei dat we er niet te lang over moesten nadenken, want voor acht personen was het lastig boeken.
Toen keek Els mij aan.
‘Peter, jij gaat toch ook gewoon mee deze keer? Anders is het niet compleet.’
Ik weet niet waarom juist die woorden me zo tegen de borst stuitten. Misschien omdat ik ineens weer die accountmanager was die ergens verwacht werd om de tafel gezellig te houden. Misschien omdat niemand vroeg of ik er zin in had.
Ik zei: ‘Nee, waarschijnlijk niet.’
Het werd even stil. Niet heel lang, misschien drie seconden. Maar ik voelde Marijke naast me verstijven.
Rob lachte nog. ‘Ach joh, in Italië kun je ook prima niks doen.’
‘Dat is het hem juist,’ zei ik. ‘Als ik niks wil doen, kan ik thuisblijven. Dan hoef ik niet tien dagen in een groep rekening te houden met wie wanneer wil ontbijten.’
Ingrid zei dat niemand iets van me verwachtte. Daar werd ik alleen maar bozer van, terwijl zij het goed bedoelde. Want natuurlijk verwachten mensen iets. Je eet samen, je rijdt samen, je praat samen. En als je je terugtrekt op je kamer ben je de ongezellige man die zijn vrouw alleen laat zitten.
Marijke zei de rest van de avond bijna niets. In de auto naar huis vroeg ze eerst of ik nog koffie wilde. Dat vond ik erger dan wanneer ze meteen was begonnen.
Thuis zei ze: ‘Je had ook gewoon kunnen zeggen dat je erover na wilde denken.’
Ik zei dat ik daar niet over na hoefde te denken.
Toen kwam het eruit. Dat zij zich al maanden voor mij stond te verantwoorden. Dat mensen haar vragen of alles wel goed zit tussen ons. Dat zij niet alleen met vrienden wil reizen alsof ze een weduwe is terwijl ik thuis zit te puzzelen, zoals zij het formuleerde.
Dat laatste was oneerlijk, want ik puzzel helemaal niet. Maar ik reageerde meteen: ‘Dus ik moet mee zodat jij niet zielig overkomt?’
Ze keek me aan alsof ik iets had stukgemaakt dat ze nog voorzichtig vast had gehouden.
‘Nee,’ zei ze. ‘Ik wil niet steeds hoeven kiezen tussen jou en de mensen bij wie ik me welkom voel.’
Dat kwam wel binnen. Ik heb haar daarna niet meer willen kwetsen, maar ik wist ook niet wat ik moest zeggen. Want ik wil niet dat ze thuisblijft. Ik wil juist dat ze gaat wandelen, eten, naar die reis desnoods. Alleen wil ik niet dat mijn behoefte aan rust wordt behandeld als een gebrek dat we samen moeten verbergen.
Twee dagen later heeft Marijke in de groepsapp gezet dat zij in principe mee wil naar Puglia en dat ik nog niet weet of ik ga. Ik zag het bericht toevallig toen haar telefoon op tafel lag. Daaronder kwamen meteen hartjes en berichten als: ‘Natuurlijk ga jij mee!’ en ‘Peter draait vast nog wel bij.’
Ik heb niets gezegd. Zij ook niet.
Gisteren lag er een folder van een reisverzekering op het aanrecht, naast de boodschappen. Marijke had er met pen een datum op geschreven waarop er geboekt moet worden. Ik heb hem niet weggegooid, maar ook niet ingevuld.
Vanmiddag gaat zij met Els naar de stad om naar sandalen te kijken. Ik heb gezegd dat ik misschien naar de bouwmarkt ga. Misschien doe ik dat ook. Misschien ga ik gewoon een stuk fietsen.
Ik weet alleen dat ik haar niet kwijt wil raken aan een groep waar ik zelf steeds minder in pas. En ik ben bang dat zij inmiddels denkt dat ik haar juist kwijt wil raken aan de stilte die ik zo hard verdedig.