Sinds het project van mijn man gaat onze vrijdagavond niet meer gewoon over wijn en kaarten

Ik heb vanmiddag voor het eerst gedacht: misschien moet ik gewoon zeggen dat de vrijdagavond een keer niet doorgaat.

Niet omdat ik geen zin heb in onze vrienden. Juist niet. Al 31 jaar komen we om de beurt bij elkaar. Eerst met kleine kinderen die boven niet wilden slapen, later met pubers die bier uit de schuur probeerden te halen en nu met foto’s van kleinkinderen op telefoons waar we allemaal nét te hard op moeten tikken.

Wij zijn met z’n zevenen, eigenlijk vier stellen minus één, omdat Ria sinds haar scheiding alleen komt. Vrijdag bij ons is meestal eenvoudig: borrelnootjes, kaas van de markt, wijn die Kees altijd te zuur vindt tenzij hij hem zelf heeft uitgezocht, en daarna kaarten of eindeloos praten over de gemeente, de kinderen en wie er weer een nieuwe heup heeft.

Het klinkt misschien saai. Voor mij is het juist iets waar ik op leun. Zeker sinds ik met pensioen ben. Ik werkte vroeger in de thuiszorg, soms zestien adressen op een dag, altijd haast. Nu zijn mijn dagen ineens groot en stil. De vrijdagavond geeft vorm aan de week.

Mijn man, Henk, is 67 en kan moeilijk stilzitten. Hij was docent natuurkunde op een middelbare school hier in de buurt. Sinds hij gestopt is, heeft hij eerst ons hele schuurtje geïsoleerd alsof er een bouwinspectie langskwam. Daarna kwam hij via de energiecoöperatie in contact met een plan voor een zonnedak op het oude bedrijfsverzamelgebouw aan de rand van het dorp. Niet alleen panelen plaatsen, maar de opbrengst deels gebruiken voor een potje waarmee huurders hun huis kunnen verduurzamen.

Ik vond het aanvankelijk een goed idee. Nog steeds, eigenlijk.

We hebben altijd netjes geleefd. Niet rijk-rijk, maar ons huis is afbetaald, we hebben spaargeld en een pensioen waar we van rondkomen. Henk zei dat we best een flink bedrag konden investeren. Hij had alles in Excel gezet. Rendement, risico’s, scenario’s. Ik snapte misschien de helft, maar ik wist vooral dat hij er weer licht van in zijn ogen kreeg.

We hebben uiteindelijk 45.000 euro ingelegd.

Dat is veel geld. Ik heb daar ook wakker van gelegen, hoor. Niet omdat ik bang ben dat we morgen onder een brug slapen, maar omdat geld bij mij nog altijd voelt als iets dat je achter de hand moet houden. Mijn vader was loodgieter en mijn moeder poetste bij mensen. Bij ons thuis werd een kapotte wasmachine niet vervangen als hij nog één keer gerepareerd kon worden.

Henk zei: “Wanneer moeten we het anders doen, Marjan? Als we tachtig zijn en nergens meer heen kunnen?”

Daar had hij natuurlijk een punt.

De eerste keer dat hij er op vrijdag over vertelde, reageerden mensen eigenlijk best vriendelijk. Peter zei dat hij het “mooi ambitieus” vond. Els vroeg hoe zo’n coöperatie dan precies werkt. Ria, die in een huurappartement woont waar het tocht bij de balkondeur, zei meteen dat ze wel eens wilde komen luisteren.

Maar daarna veranderde er iets kleins. Of misschien zag ik het pas later.

Kees maakte een opmerking toen Henk zei dat het niet alleen om rendement ging.

“Nou, heerlijk dat jullie je kunnen veroorloven om principieel te beleggen,” zei hij, terwijl hij een stukje oude kaas afsneed.

Hij lachte erbij. Iedereen lachte een beetje mee, ook ik. Alleen Henk niet direct. Hij deed alsof hij zijn glas moest bijvullen.

Een paar weken later zei Els dat ze ook wel mee wilde doen met geld, maar dat ze eerst haar zoon moest vragen, “want die begrijpt zulke dingen tenminste.” Peter begon vervolgens over warmtepompen en belastingvoordelen. Ineens zat de helft van de avond over subsidies te praten. Ria had iemand van haar flat meegenomen naar de informatieavond van de coöperatie en was daar heel enthousiast over.

En Kees werd stiller.

Zijn vrouw, Anja, ook. Zij hebben een klein bedrijfje gehad in zonwering. Het ging een paar jaar terug niet goed. Ze hebben hun huis moeten verkopen en wonen nu in een appartement in de nieuwbouw. Ze redden het, dat zeggen ze tenminste, maar ik weet dat geld voor hen geen onderwerp is waar je luchtig mee omgaat.

Ik denk dat Henk dat te weinig heeft gezien. Hij zag vooral kansen. Hij heeft altijd gedacht dat als je mensen meeneemt in een goed idee, ze vanzelf aanhaken. Als docent werkte dat misschien ook vaak zo. Maar vrienden zijn geen klaslokaal.

Vorige vrijdag kwam het eruit, al was het niet eens een echte ruzie. Dat maakt het misschien vervelender.

Henk zei dat hij met de bibliotheek had gesproken. Daar is een zaaltje dat je op vrijdagavond kunt gebruiken. Hij stelde voor om onze vaste avond één keer per maand daar te houden, open voor buurtbewoners die vragen hebben over het project. Niet als officiële bijeenkomst, zei hij, maar gewoon laagdrempelig. Koffie, een drankje, praten.

“Dan kunnen jullie toch ook gewoon blijven komen,” zei hij. “Alleen komen er misschien wat nieuwe mensen bij.”

Kees keek hem aan en zei: “Dus onze kaartenavond wordt een informatieavond?”

“Dat zeg ik toch niet.”

“Nou ja, je zegt alleen komen er nieuwe mensen bij. Dat klinkt ongeveer hetzelfde.”

Ria vond het juist een leuk idee. Els ook. Peter zei dat de groep best wat open mocht, dat we niet in een stolp hoefden te zitten. Anja zei niets. Ze vouwde alleen steeds het servetje op haar schoot in kleinere vierkantjes.

Ik voelde mijn hart sneller gaan, heel kinderachtig eigenlijk. Niet vanwege die bibliotheek. Een zaaltje van de bieb is geen ramp. Maar omdat ik ineens voor me zag dat onze vrijdagavonden zouden verdwijnen in iets waar ik geen grip op had. Mensen die ik niet ken, gesprekken waarin je beleefd moet blijven, Henk die uitlegt hoe alles werkt. En ik die glazen ophaal en glimlach alsof ik dit ook allemaal wil.

Ik zei dat ik niet vond dat we onze vaste avond moesten veranderen.

Henk keek me echt verbaasd aan. “Maar jij vindt het project toch belangrijk?”

“Dat vind ik ook. Maar niet alles hoeft overal doorheen.”

Toen zei Peter: “Marjan heeft wel een punt. Niet iedere vriendschap hoeft een functie te krijgen.”

Dat was vriendelijk bedoeld, maar Henk werd er zichtbaar kwaad van. Hij zei: “Een functie? Het gaat om mensen die hun energierekening niet kunnen betalen.”

En daar zat ik dan. Alsof ik had gezegd dat die mensen me niets konden schelen.

Na afloop, toen iedereen weg was, hebben we nauwelijks gepraat. Henk zette de vaatwasser aan met meer lawaai dan nodig was. Ik heb de schaaltjes afgewassen die er prima ook in hadden gekund. Op een gegeven moment zei hij dat hij het zat was dat goede bedoelingen meteen als arrogant worden gezien.

Ik zei dat hij misschien niet doorheeft hoeveel ruimte hij inneemt zodra hij ergens in gelooft.

Dat kwam harder uit dan ik wilde. Hij zei niets meer.

De volgende ochtend had ik een appje van Ria. Ze schreef dat ze hoopte dat wij ons niet door Kees lieten tegenhouden, want zij voelde zich door het project voor het eerst sinds lange tijd ergens bij betrokken. Vijf minuten later appte Anja mij apart: “Kees is soms bot, maar hij heeft het gevoel dat er geen plek meer is voor gewoon gezellig doen.”

Ik heb op allebei nog niet gereageerd.

Henk gaat komende week weer naar de coöperatie. Hij wil dat zaaltje in de bibliotheek voorlopig vastleggen, voor één vrijdag per maand. Hij heeft me niet gevraagd of ik meega. Ik heb hem ook niet gezegd dat ik misschien toch zou kunnen helpen met koffie schenken, en dat ik daar meteen boos op mezelf om word.

Komende vrijdag zijn we bij Peter en Els. Ik weet niet of iedereen komt. Ik weet ook niet of we over iets anders kunnen praten zonder dat het er toch onder blijft zitten. Misschien neem ik gewoon een fles wijn mee en vraag ik Els vooraf of ze normale borrelnootjes heeft. Alsof dat nog iets oplost.