Toen onze vriendschap langzaam een zorgrooster werd

Vorige week vond ik in de keukenla een pakje ingevroren gehakt liggen dat over de datum was. Niet dramatisch, gewoon zo’n pakje dat ik normaal op zondag in een pan zou gooien voor spaghetti. Ans en ik keken er allebei naar alsof het bewijs was van iets groters.

We waren vergeten boodschappen te doen. Wéér.

Sinds januari helpen we Henk en Mirjam drie dagen per week. Tenminste, zo is het begonnen. Officieel was het maandag, woensdag en vrijdag, steeds een paar uur. In werkelijkheid ging mijn telefoon op dinsdag ook, en op donderdag, en soms zondagavond omdat Henk niet wist waar de schone incontinentiematerialen lagen of omdat Mirjam uit bed was gegleden en hij haar niet alleen overeind kreeg.

Henk en Mirjam kennen we al sinds 1987. We woonden toen allebei in dezelfde straat in Amersfoort, in van die rijtjeshuizen met dunne muren en voortuinen waar iedereen een mening over had. Onze kinderen speelden samen op het pleintje. We gingen jarenlang met de caravan naar Zeeland, niet eens altijd op dezelfde camping, maar toch eindigden we meestal samen bij de friettent in Renesse.

Zij waren onze vaste mensen. Niet van elke week borrelen of overdreven veel appen, dat past ook niet zo bij ons. Maar als er iets was, dan wist je elkaar te vinden. Toen mijn moeder overleed, stond Mirjam op een dinsdagmorgen met een pan macaroni voor de deur. Ze zei niet veel. Dat hoefde ook niet.

Mirjam heeft Parkinson. Eerst was het een trillende hand en langzamer lopen. Daarna ging het ineens sneller dan wij allemaal dachten. Ze viel in november in de badkamer en brak haar heup. Na de revalidatie kwam ze wel weer thuis, maar niet zoals daarvoor. Ze loopt nu met een rollator een paar meter, op goede dagen. Ze raakt sneller in de war als ze moe is. Douchen lukt niet zonder hulp. Aankleden ook nauwelijks.

Henk is 71, twee jaar ouder dan ik. Hij heeft zelf slechte knieën en slaapt slecht. Ik snap dat allemaal. Echt. Hij was altijd degene die alles regelde: belastingaangifte, de auto, de tuin, de administratie, de afspraken. Nu stond hij soms in zijn eigen keuken met een lege blik, alsof hij daar voor het eerst kwam.

In het begin belde hij voorzichtig.

‘Zou jij misschien woensdag even bij Mirjam kunnen blijven? Dan kan ik naar de apotheek en misschien ook nog naar de huisarts.’

Natuurlijk, zei ik. Ans ging mee. We dronken koffie met Mirjam, al werd die koud omdat ze zo lang over haar woorden deed. We maakten een soepje. Ans zette een was aan. Daarna kwamen we thuis en hadden we het gevoel dat we iets nuttigs hadden gedaan.

Maar de hulp werd groter zonder dat er ooit echt over gesproken werd. Henk stuurde lijstjes via WhatsApp. Melk, beschuit, kattenvoer, vuilniszakken. Of hij belde met de vraag of ik de badkamer even kon schoonmaken, want er was iets misgegaan. Ans hielp Mirjam met haar haar wassen, eerst een keer omdat de thuiszorg later kwam, daarna omdat Mirjam zei dat Ans het rustiger deed.

Dat vond Ans moeilijk. Ze is geen vrouw die snel nee zegt, zeker niet tegen iemand die ze al zo lang kent. Maar ik zag dat ze na zo’n ochtend stil op de bank zat. Ze heeft artrose in haar handen en toch stond ze daar bedden te verschonen en ritsen van steunkousen dicht te trekken.

Ik deed alsof het mij minder raakte. Ik ben veertig jaar conciërge geweest op een middelbare school. Daar leer je oplossen, sjouwen, bellen, nog even blijven omdat er weer een leerling niet is opgehaald. Maar sinds mijn pensionering had ik eindelijk weer tijd om te fietsen. Op woensdag ging ik normaal met een clubje mannen een rondje richting Leusden of Soest. Eerst haakte ik één keer af. Daarna drie keer. Uiteindelijk vroegen ze niet meer of ik kwam.

Dat klinkt misschien kinderachtig, maar ik miste het. Niet alleen het fietsen. Ook dat flauwe gedoe bij de koffie, de verhalen over kleinkinderen en lekkende daken. Ik werd steeds iemand die thuis op zijn telefoon keek of Henk alweer had gebeld.

Er was thuiszorg, dat wel. Twee keer per dag kwamen ze voor de noodzakelijke zorg. De wijkverpleegkundige had ook met Henk gesproken over extra ondersteuning en een aanvraag via de Wmo voor huishoudelijke hulp. Maar Henk vond het allemaal ingewikkeld, en eerlijk gezegd duurde het ook lang. Hij zei vaak: ‘Ze komen vijf minuten binnen, doen hun ding en zijn weer weg. Jullie kennen haar tenminste.’

Dat was waar. En juist daardoor kwam alles wat niet in die vijf minuten paste bij ons terecht.

Begin april kreeg Ans een rare pijn op haar borst. Geen hartaanval, gelukkig, maar de huisarts zei wel dat haar bloeddruk te hoog was en dat ze rustiger aan moest doen. Diezelfde avond belde Henk. Hij klonk kapot. Mirjam had haar drinken omgestoten, hij had de hele middag gedweild en zij wilde niet eten.

Ans keek me aan terwijl mijn telefoon overging. Ze zei niet dat ik niet moest opnemen. Ze zei helemaal niets. Ik nam wel op.

Na dat weekend hebben we aan de keukentafel gezeten met onze agenda tussen ons in. Ik weet nog dat er kruimels lagen van een cracker. We zeiden allebei dingen die we eigenlijk al weken voelden.

‘Dit houden we niet vol,’ zei Ans.

Ik zei eerst nog: ‘Het is tijdelijk.’ Maar ik geloofde het zelf niet.

We besloten Henk uit te nodigen. Niet om hem af te vallen, zo voelde het voor ons niet. We wilden zeggen dat we nog steeds wilden helpen, maar één vaste dag per week. Op maandag boodschappen, een warme maaltijd maken, wat huishoudelijke dingen. En bij echte nood natuurlijk bellen. We wilden hem ook helpen met de formulieren voor extra hulp, als hij dat wilde.

Henk kwam zonder jas binnen, hoewel het koud was. Hij ging aan onze tafel zitten en keek vooral naar zijn handen.

Ik begon er onhandig aan. Dat weet ik zelf ook. Ik zei dat we moesten ‘afschalen’. Alsof Mirjam een project was.

Henk keek op. ‘Afschalen?’

Ik probeerde het anders te zeggen. Dat Ans niet goed in haar vel zat. Dat ik mijn eigen afspraken steeds afzegde. Dat we bang waren dat we zelf om zouden vallen.

Hij werd niet boos op de manier waarop mensen in films boos worden. Hij sprak juist zacht. Dat was erger.

‘Dus nu Mirjam echt niet meer zonder kan, gaan jullie minder doen.’

‘Nee,’ zei Ans meteen. ‘We gaan niet weg. Maar drie dagen lukt niet meer.’

Henk lachte één keer kort. ‘Jullie hebben tenminste nog een leven dat je kunt beschermen.’

Daar zat ik daarna vooral mee. Want het was gemeen, maar ook niet helemaal onwaar. Hij had geen avond meer voor zichzelf. Hij sliep op de bank omdat Mirjam vaak wakker werd en hij bang was dat hij haar niet hoorde. Hij was zijn vrouw aan het kwijtraken terwijl ze nog naast hem zat.

Ik zei dat we geen professionele zorg konden vervangen. Hij zei: ‘Dat vraag ik ook niet.’ Maar dat was precies wat het wel was geworden, alleen zonder dat iemand het hardop had uitgesproken.

Hij vertrok na twintig minuten. Bij de voordeur zei hij nog dat hij wel zou zien hoe hij het regelde. Mirjam appte Ans die avond een hartje en: sorry dat Henk zo moeilijk doet. Ans heeft niet meteen gereageerd. Ik vond dat eerst hard, maar ik snapte het nu wel. Als ze reageert, begint er weer iets nieuws.

We zijn afgelopen maandag toch gegaan. We hebben lasagne meegenomen, de vuilnis buiten gezet en Mirjam geholpen haar nagels te vijlen. Henk was beleefd, bijna té beleefd. Hij had via de huisarts contact gehad met een mantelzorgondersteuner en er kwam iemand van de gemeente langs voor de huishoudelijke hulp. Hij vertelde het alsof hij het weerbericht voorlas.

Toen we weggingen, zei hij: ‘Volgende week hoef je niet, denk ik.’

Ans knikte. In de auto zei ze dat ze zich opgelucht voelde. Daarna begon ze te huilen, heel stil, met haar gezicht naar het raam.

Vrijdag ga ik weer fietsen, heb ik de mannen geappt. Als het droog blijft tenminste. Maandag staat nog steeds in onze agenda voor Henk en Mirjam. Alleen niet de hele dag meer. Ik hoop dat dat verschil genoeg is, maar ik weet eerlijk gezegd niet of hij ons ooit weer op dezelfde manier zal zien.