Mijn vrouw wil na veertig jaar huwelijk een jaar in Rotterdam wonen, en ik weet niet of ik haar moet tegenhouden

Ik had nooit gedacht dat ik jaloers zou worden op een stad. Niet op een persoon, niet op een ex of zoiets. Op Rotterdam.

Wij wonen in een dorpje tussen Gouda en Woerden, aan een weg waar na tienen ’s avonds eigenlijk alleen nog katten en bezorgscooters langskomen. Veertig jaar geleden kochten we hier een rijtjeshuis. Niet groot, wel van ons. De kinderen zijn er opgegroeid, mijn moeder heeft hier nog een tijd haar was gedaan toen ze zelf niet meer goed kon bukken, en in de schuur staan dingen waarvan ik niet eens weet waarom we ze bewaren.

Mijn vrouw, Marieke, is 64. Ik ben 67 en sinds januari met pensioen. Ik heb bijna mijn hele werkzame leven bij een installatiebedrijf gezeten. Eerst buiten, later planning en werkvoorbereiding. Ik keek uit naar rust. Niet dat ik iedere dag naast haar op de bank wilde zitten, daar zijn we allebei niet naar, maar gewoon: samen koffie drinken zonder dat iemand op zijn horloge keek. Eropuit met de camper die we tweedehands hadden gekocht. Misschien een paar weken naar Frankrijk, buiten het hoogseizoen.

Marieke werkte vroeger in de thuiszorg, tot haar rug te veel opspeelde. Daarna heeft ze jaren in een drogisterij gewerkt. Ze deed altijd veel voor anderen, maar meestal dicht bij huis en tussendoor. Voor de kinderen, voor haar vader toen die alleen kwam te staan, voor mij ook wel, al zeg ik dat niet graag omdat het meteen klinkt alsof ik niets deed.

Toen onze dochter vorig voorjaar zei dat ze vrijwilligers zochten bij een inloophuis in Rotterdam, is Marieke een keer meegegaan. Het was eerst één dag in de week. Daarna twee. Nu gaat ze meestal maandag vroeg weg, slaapt ze twee nachten bij onze dochter in Kralingen, en komt ze woensdagavond terug met een tas die ruikt naar koffie, regen en de stad.

Ik zag dat het haar goeddeed. Echt. Ze kwam thuis met verhalen over mensen die ze had gesproken, over een man die eindelijk weer naar de huisarts durfde, over een vrouw uit Oekraïne die Nederlands oefende door etiketten op de voorraadpotten te lezen. Marieke lachte vaker. Ze kocht andere kleren ook. Geen rare dingen, maar ineens een wijde groene broek waarvan ik eerst dacht: waar heeft ze die nou weer vandaan.

Ik vond het prima, zei ik altijd. En dat meende ik ook, voor een groot deel.

Alleen werd ons huis op maandag anders. Te stil misschien. Ik zette de radio aan tijdens het koken en deed hem dan weer uit omdat ik er zenuwachtig van werd. Ik ging wandelen, sprak met Henk van hiernaast over zijn nieuwe heup, maakte de camper schoon terwijl die al schoon was. Ik merkte dat ik wachtte op woensdagavond. Niet eens omdat we dan iets bijzonders deden. Gewoon omdat zij weer in de keuken stond en vroeg of er nog melk was.

Vorige week kwam ze binnen met een envelop van het inloophuis. Ze had die al opengemaakt, dat zag ik aan de scheurrand. Ik was aardappels aan het afgieten.

‘Ze willen me een betaalde functie aanbieden,’ zei ze.

Ik zei: ‘Nou, dat is toch prachtig?’

En dat vond ik ook. Tenminste, de eerste minuut.

Het ging om coördinatie. Drie dagen, soms vier, met een jaarcontract en uitzicht op verlenging. Ze zouden haar niet rijk maken, zei ze, maar genoeg om er echt van te kunnen leven. Ze vertelde het snel, met rode vlekken in haar hals zoals ze vroeger had als ze zenuwachtig was. Ik vroeg of ze dan iedere dag heen en weer moest. Ze keek naar haar handen en zei dat dat niet te doen was. De eerste trein vanuit hier, een tram erachteraan, en ’s avonds weer terug. Zeker niet als er iets uitliep.

Toen kwam het.

Ze had met onze dochter gesproken over een kleine huurwoning in Rotterdam. Tijdelijk. Voor een jaar. Ze wilde doordeweeks daar wonen en in het weekend naar huis komen. Of ik kon natuurlijk ook vaker komen, zei ze. De camper konden we misschien opgeven, want die stond toch vooral stil.

Ik weet nog dat de aardappels al in de pan lagen en dat ik de kraan liet lopen. Dat is zo’n onbenullig detail, maar ik bleef ernaar kijken.

‘Dus jij gaat gewoon verhuizen,’ zei ik.

‘Niet gewoon. En niet voorgoed.’

‘Maar wel zonder mij.’

Ze zuchtte toen. Niet boos, eerder moe. ‘Pieter, ik vraag je niet om achter te blijven. Ik vraag je om te begrijpen dat dit voor mij belangrijk is.’

Dat was precies waar ik kwaad van werd, denk ik. Alsof ik het niet begreep. Ik begreep het juist heel goed. Misschien te goed. Ik zag hoe ze daar iemand was die niet alleen iemands vrouw, moeder of oma was. En ik schaam me dat ik daar iets kleins en zuurs bij voelde.

Ik zei dat we ons hele leven rekening met elkaar hadden gehouden. Dat pensioen voor mij niet betekende dat ik alleen de kliko buiten wilde zetten en op woensdag op de kleinkinderen passen. Ze zei dat ik deed alsof zij een vakantiehuisje in Spanje had gekocht met mijn spaargeld.

‘Je hebt hier ook een leven,’ zei ik.

‘Ja,’ zei ze. ‘Maar ik heb daar blijkbaar ook een leven.’

Daarna hebben we twee dagen nauwelijks gepraat. Niet op een filmachtige manier. We zeiden gewoon praktische dingen. Of er nog brood was. Dat de tandarts had gebeld. Dat onze zoon zondag misschien langskwam. Maar alles klonk alsof we via een buurman met elkaar communiceerden.

Vrijdagavond zat ik met een biertje in de schuur, wat ik bijna nooit doe. Marieke kwam erbij zitten met haar jas nog aan. Ze had die dag gehoord dat ze uiterlijk donderdag moest tekenen. Er waren meer kandidaten, zei ze. Ze keek me niet aan toen ze dat vertelde.

Ik vroeg haar of ze al wist wat ze wilde.

‘Ja,’ zei ze na een tijdje. ‘Maar ik weet niet of ik het durf als jij er zo ongelukkig van wordt.’

Dat kwam hard binnen. Want ik wilde niet de reden worden waarom ze iets liet schieten. Tegelijk dacht ik: en ik dan? Mag ik niet ongelukkig zijn? Mag ik niet vinden dat een huwelijk na veertig jaar iets anders is dan elkaar in het weekend inplannen?

Ik heb haar gezegd dat ik me niet kan voorstellen dat ik hier een jaar alleen woon. Dat klinkt misschien dramatisch, maar het is gewoon waar. Ik heb geen hekel aan alleen zijn. Ik heb alleen nooit bedacht dat het de hoofdvorm van mijn dagen zou worden.

Ze zei dat ze ook niet alleen wilde zijn. Alleen wilde ze niet weer kleiner worden om het voor mij overzichtelijk te houden. Die woorden bleven hangen. Want ik herken mezelf daar niet in, als iemand die haar klein houdt. Maar misschien heb ik haar al die jaren niet bewust klein gehouden. Misschien heb ik gewoon aangenomen dat ons gezamenlijke leven vanzelf belangrijker was dan wat zij zelf nog wilde worden.

Zondag komen de kinderen eten. Marieke wil het hun nog niet vertellen voordat zij heeft getekend. Ik snap dat, al voelt het vreemd om aan tafel te zitten en te doen alsof er niets speelt.

De camper staat sinds januari onder een hoes bij de stalling. Ik had hem deze week uit de stalling kunnen halen voor een eerste ritje, maar ik heb het niet gedaan. Ik weet niet eens meer of ik nog zin heb in Frankrijk.

Donderdag moet Marieke bellen. Ze heeft de pen en het contract op de eettafel laten liggen, naast de folder van de camperplaats in de Dordogne die ik vorige maand had meegenomen. Geen van ons heeft die spullen opgeruimd.