Sinds Kees met pensioen is, voelt onze vriendengroep ineens niet meer als vanzelfsprekend

Ik heb de groepsapp al drie dagen op stil staan. Niet omdat er ruzie is, al voelt het wel zo, maar omdat ik bij elk blauw bolletje in mijn maag kijk.

Het begon eigenlijk heel onschuldig. Of nou ja, misschien vertel ik mezelf dat omdat ik pas achteraf zie hoe lang het al speelde.

Kees en ik zitten al ruim dertig jaar met dezelfde mensen in een vriendengroep. Zes stellen waren we ooit, via de camping in Frankrijk. Inmiddels zijn we met vijf. Henk is twaalf jaar geleden overleden en Marja komt nog steeds alleen, meestal met haar elektrische fiets als het niet regent. We eten iedere eerste zaterdag van de maand bij iemand thuis. Om de beurt koken, niet te ingewikkeld doen. In de zomer wandelen we, in december gaan we ergens lunchen en doen we een klein cadeautje van tien euro. Het klinkt misschien burgerlijk, maar voor mij is het juist iets waar ik nooit over hoefde na te denken.

Je weet wie er komt. Je weet dat Anja altijd te veel knoflook in de tzatziki doet en dat Bert na twee glazen wijn weer over Feyenoord begint, ook al zegt hij vooraf dat hij het niet over voetbal zal hebben. We hebben elkaars kinderen zien studeren, scheiden, verhuizen. Toen mijn moeder in het verpleeghuis zat, zetten zij zonder veel woorden een pan soep voor de deur. Niet één keer, maar gewoon wekenlang, steeds iemand anders.

Kees was altijd degene die als eerste zei: ‘Zullen we anders bij ons doen?’ Hij regelde de barbecue, maakte wandelroutes, haalde Marja op als het donker was. Daarom snapte ik het misschien ook niet meteen toen hij na zijn pensioen zo veranderde.

Hij werkte bij de gemeente, op de afdeling beheer openbare ruimte. Geen baan waar hij thuis veel over opschepte, maar hij kon er goed in zijn. Planningen, mensen bij elkaar krijgen, iets oplossen als iedereen al zuchtend naar elkaar keek. Vorig voorjaar stopte hij. Hij had er zelf heel nuchter over gedaan. Geen groot feest willen hebben, gewoon koffie met collega’s en een cadeaubon van de Praxis.

Twee weken later zag hij een oproep van een stichting in Noord-Limburg. Ze zochten vrijwilligers voor vervoer en praktische begeleiding van Oekraïense gezinnen die daar tijdelijk wonen. Eerst zou hij één keer meehelpen met het inrichten van een opslagruimte. Daarna ging hij rijden. En daarna zat hij ineens bijna elke dinsdag, donderdag en soms een heel weekend in Venlo, Horst of ergens in de buurt waar ik de naam niet van kende.

Wij wonen in Amersfoort. Het is niet even om de hoek.

In het begin vond ik het mooi. Echt. Kees kwam thuis met verhalen over een jongen van negen die eindelijk een tweedehands fiets had gekregen, over een vrouw die voor het eerst zelf naar de huisarts durfde te bellen. Hij was weer wakker, op een manier die ik lang niet bij hem had gezien. Tijdens zijn laatste jaren bij de gemeente zat hij steeds vaker met een zucht aan de keukentafel. Nu stond hij ’s ochtends om half zeven al broodjes te smeren en zocht hij op zijn telefoon uit waar hij goedkoop kon tanken.

Maar de eerste zaterdag van de maand begon hij af te zeggen.

‘Deze keer echt niet anders,’ zei hij dan. ‘Ze hebben juist dat transport geregeld.’

De tweede keer zei hij dat hij na afloop misschien nog kon aansluiten, maar hij kwam pas om kwart voor elf binnen. Iedereen was al aan de koffie. Hij stond in de gang met rode wangen van het rijden, zei snel sorry en begon vervolgens tien minuten over een lekke band van een busje. Ik zag Anja kijken. Niet kwaad, meer iets van: o ja, daar gaan we weer.

Ik was degene die het steeds voor hem opnam. “Het is zinnig werk.” “Hij heeft het nodig.” “Hij is nog aan het zoeken naar een ritme.” Allemaal waar, denk ik. Tegelijk zat ik daar dan alleen. Mensen vragen anders hoe het met jullie gaat als je de helft van een stel bent die er niet is. Ze bedoelen het niet verkeerd, maar ik voelde me soms als een soort woordvoerder van mijn eigen man.

Kees zei juist dat ik ook zonder hem moest gaan. Alsof dat het punt was.

‘Je hoeft toch niet thuis te blijven omdat ik weg ben?’ zei hij een keer.

Ik zei: ‘Dat doe ik ook niet.’

Hij keek me aan alsof ik moeilijk deed. ‘Nee, maar je doet wel alsof ik iets van je afpak.’

Daar werd ik heel boos om. Ik heb mijn jas gepakt en ben een rondje gaan lopen, langs de singel. Het regende zacht en ik had geen paraplu mee. Kinderachtig, eigenlijk. Maar ik kon op dat moment niet uitleggen dat het mij niet ging om één zaterdagavond. Het ging erom dat alles wat altijd van ons samen was, ineens iets werd waar ik in mijn eentje moest verschijnen.

Vorige maand kwam het onderwerp bij Ria en Bert op tafel. We zaten aan hun grote eettafel. Ria had stoofperen gemaakt en niemand at ze op omdat we al te veel hadden gegeten. Kees was er niet; hij hielp dat weekend bij een verhuizing van een gezin naar een andere opvanglocatie.

Bert zei dat ze misschien moesten kijken naar een andere vaste dag. Niet speciaal vanwege Kees, zei hij snel, maar omdat de zaterdagen voor een paar mensen lastiger werden. Anja past tegenwoordig vaak op haar kleindochter en Pieter werkt nog twee zaterdagen per maand in zijn winkel.

‘De derde donderdagavond zou bijna altijd kunnen,’ zei Ria. ‘Behalve voor Kees, geloof ik.’

Het werd even stil. Ik wist dat Kees op donderdag standaard naar Limburg ging.

Marja roerde in haar thee. ‘We kunnen niet met z’n allen blijven schuiven voor iemand die toch steeds niet kan.’

Ze zei het niet gemeen. Dat maakt het misschien erger. Niemand wilde hem eruit werken. Ze waren alleen moe van het rekening houden met een man die niet meer terugbelde, afspraken afzegde en in de app vaak pas de volgende dag reageerde met een duimpje.

Ik hoorde mezelf zeggen dat ik het met Kees zou bespreken. Meteen daarna had ik spijt, want daarmee werd ik weer degene die het moest oplossen.

Thuis reageerde hij precies zoals ik ergens al verwachtte.

‘Dus nu moet ik mijn donderdagen opgeven zodat Bert niet één keer per maand op zaterdag hoeft?’

‘Zo heb ik het niet gezegd.’

‘Maar zo komt het wel neer.’

Hij stond met zijn handen op het aanrecht, nog in zijn fleecevest. Ik weet nog dat er een mandarijnenschilletje naast de vuilnisbak lag. Zo’n stom detail dat in mijn hoofd is blijven hangen.

Ik zei dat het niet alleen om donderdag ging. Dat mensen hem misten. Dat ík hem miste in die groep. Dat het raar was dat hij zich voor mensen die hij nog geen jaar kende verantwoordelijk voelde, maar voor vrienden van dertig jaar blijkbaar niet.

Daarop werd hij stil. Echt stil. Toen zei hij: ‘Daar ben ik dus bang voor. Dat ik na mijn pensioen alleen nog maar Kees van de etentjes en de wandelingen ben. Dat iedereen al weet hoe mijn weken eruit moeten zien.’

Ik vond het een oneerlijke zin. Alsof wij hem klein hielden. Alsof die vriendengroep een soort verplicht nummer was geweest. Maar ik zag ook dat hij het meende. Hij was niet bezig ons te straffen. Hij wilde ergens nodig zijn, denk ik. Misschien was hij dat bij zijn werk minder kwijtgeraakt dan ik had gedacht.

In de app is inmiddels besloten dat we vanaf september de derde donderdag doen. Er kwamen veel duimpjes onder. Ik heb er zelf ook een gestuurd, terwijl ik op dat moment op de bank zat en moest huilen. Niet heftig, geen drama. Gewoon tranen die bleven komen terwijl het journaal aanstond.

Kees zei later dat hij best af en toe een donderdag vrij kon houden. ‘Als er iets bijzonders is.’ Dat klonk lief bedoeld, maar ook als een uitnodiging waarvoor wij dankbaar moesten zijn.

Volgende week gaan we voor het eerst op donderdag naar Marja. Kees rijdt die ochtend naar Venlo en blijft daar waarschijnlijk slapen, omdat hij vrijdag vroeg weer ergens naartoe moet. Hij heeft gevraagd of ik een foto maak van de groep.

Ik weet nog niet of ik dat ga doen.