Mijn man wil onze spaarrekening leegmaken voor een oude boot, en ik weet niet meer of ik hem tegenhoud of hem kwijtraak
Vorige week vond ik een geprint bankafschrift op de eettafel, half onder de krant. Hans laat normaal gesproken alles slingeren, dus dat was op zichzelf niet vreemd. Maar er stond een bedrag op omcirkeld: 18.500 euro. Daaronder had hij met zijn blauwe balpen geschreven: “aanbetaling, eventueel volgende week”.
Ik heb dat papiertje zeker tien minuten vastgehouden zonder dat ik iets deed. De waterkoker sloeg af, de kat miauwde bij de achterdeur, en ik stond daar maar in mijn sokken met dat vel A4 in mijn hand.
Het ging om een oude Hallberg-Rassy, bouwjaar 1978, die in Wemeldinge lag. Hans had er al vaker over gehad. Eerst was het een filmpje dat hij me stuurde via WhatsApp. Daarna een advertentie. Toen zei hij dat we “best eens konden gaan kijken, gewoon voor de lol”. Ik wist eigenlijk al dat het nooit gewoon voor de lol was.
Hans is 64 en sinds januari gestopt bij het installatiebedrijf waar hij 41 jaar gewerkt heeft. Hij had nog best langer door gekund, maar hij was er klaar mee. Zijn knieën speelden op, hij vond de nieuwe jongens op kantoor irritant met hun dashboards en tablets, en hij zei steeds vaker dat hij geen zin had om op zijn 68ste pas te ontdekken dat hij nergens meer energie voor had.
Dat begrijp ik ook wel. Echt. Ik ben geen vrouw die hem thuis wil opsluiten met een sudoku en de Geraniums, zoals hij soms overdreven zegt.
Maar wij hebben ons hele leven zuinig geleefd. Niet zielig zuinig, maar gewoon Nederlands zuinig. We gingen met de tent naar Frankrijk toen de kinderen klein waren. Een tweedehands auto totdat die echt niet meer door de APK kwam. We hebben extra afgelost op het huis in Amersfoort. Ik werkte drie dagen per week in de apotheek en legde ieder jaar iets opzij. Toen mijn moeder naar een verzorgingshuis moest, zag ik pas goed hoeveel geld er verdwijnt als je ouder wordt en zorg nodig hebt.
Mijn moeder had ook altijd gedacht dat ze het wel zou redden met haar AOW en pensioen. Tot ze viel, revalideerde en niet meer alleen kon wonen. Het huis waar ze uiteindelijk terechtkwam was niet eens bijzonder luxe. Toch moest er elke maand geld bij. Mijn zus en ik hadden daar veel gedoe over, niet eens omdat we haar niets gunden, maar omdat niemand had verwacht hoe snel het ging.
Hans weet dat allemaal. Hij heeft mijn moeder nog naar afspraken gereden.
Toen hij die avond thuiskwam van de jachthaven, heb ik het afschrift op tafel gelegd. Hij keek ernaar, pakte zijn bril af en zei alleen: “O ja. Die had ik daar neergelegd.”
Niet: wat is er. Niet: ik wilde het met je bespreken. Alleen dat.
Ik vroeg of hij werkelijk van plan was zonder mijn akkoord 18.500 euro over te maken.
“Zonder jouw akkoord?” zei hij. “Marijke, ik heb nog niks overgemaakt.”
“Maar je hebt het wel voorbereid.”
Hij ging zitten en wreef met zijn hand over zijn gezicht. Hij doet dat altijd als hij vindt dat ik iets groter maak dan het is. “Ik wilde die boot niet kwijt. Er zijn meer mensen die interesse hebben. Als ik een aanbetaling doe, hebben we tenminste even tijd.”
“Met achttieneneenhalve duizend euro hebben we tijd?”
Hij zuchtte. “Het is geen aanbetaling die weg is. Het wordt verrekend met de koop.”
Alsof dat de geruststelling moest zijn.
De boot kost 57.000 euro. Daarna komt er volgens Hans nog “wat werk” aan. De motor is volgens de eigenaar prima, maar Hans denkt dat de bedrading deels vervangen moet worden. Het teakdek moet op termijn gebeuren. Nieuwe kussens, een marifoon, veiligheidsmiddelen, winterstalling, verzekering. Iedere keer als ik voorzichtig vraag wat het totaal dan wordt, zegt hij dat je “niet alles vooraf kapot moet rekenen”.
Dat is precies wat ik wel doe. Ik reken alles vooraf kapot. Misschien is dat mijn gebrek.
We hebben het geld. Dat maakt het ook zo lastig. We zijn niet arm. Het huis is bijna afbetaald, de kinderen redden zichzelf, en we hebben samen ongeveer 240.000 euro aan spaargeld en beleggingen naast onze pensioenen. Als ik het zo opschrijf, klinkt het alsof ik me aanstel. Maar ik zie dat bedrag niet als een grote pot waar je vrolijk uit kunt scheppen. Ik zie er onze komende twintig jaar in. Een lekkend dak. Een aangepaste badkamer. Hulp aan huis als een van ons iets krijgt. Misschien een plek waar je nog een beetje prettig woont als traplopen niet meer gaat.
Hans ziet er kennelijk een boot in. Een lange zomer in Bretagne. Havens in Denemarken. Wakker worden met water tegen de romp. Hij praat er anders over dan over welk onderwerp dan ook. Jonger bijna. Zijn ogen worden helder, hij laat filmpjes zien van mensen die met grijs haar in regenjassen aan een steiger staan en daar zichtbaar gelukkig mee zijn.
Ik heb hem eens gevraagd waarom het per se nu moest.
Hij zei: “Omdat ik nu nog zonder hulp een motorruimte in kan kruipen.”
Dat kwam hard aan. Niet omdat het manipulatief was, al voelde het wel een beetje zo. Maar omdat het waar was.
Twee dagen na die ruzie ging hij toch weer naar Wemeldinge. Hij zei dat hij alleen nog wat wilde nameten. Ik zei: “Doe wat je niet laten kunt.” Dat was kinderachtig, dat weet ik. Hij antwoordde: “Dat doe ik dus al veertig jaar niet.”
Toen was hij weg.
Die middag heb ik online gekeken naar zorgappartementen, alsof ik mezelf wilde bewijzen dat ik gelijk had. Ik werd er niet wijzer van. Mooie foto’s van senioren met wijn op een balkon, en overal woorden als servicekosten, zorg op afroep, indicatie, beschikbaarheid op aanvraag. Ik kreeg er vooral een naar gevoel van, alsof ik al bezig was met een leven waar Hans en ik niet meer echt in voorkwamen.
Onze dochter Eva belde die avond. Ik had haar niks willen vertellen, maar ze merkte aan mijn stem dat er iets was. Zij zei meteen dat haar vader altijd al van boten had gedroomd. Dat klopt. Vroeger huurden we soms een sloepje op de Loosdrechtse Plassen, één middag per jaar als het mooi weer was. Hans was dan een andere man.
Maar Eva zei ook: “Mam, koop dan niet meteen een boot van bijna zestigduizend euro. Kunnen jullie niet eerst een seizoen huren?”
Dat heb ik aan Hans voorgesteld. Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat hij eerst een proefhuwelijk moest doen voordat hij met mij trouwde.
“Een huurboot is niet hetzelfde,” zei hij. “Dan ben je een toerist. Ik wil iets opbouwen. Er zelf aan werken.”
Ik zei dat ik geen zin had om de rest van mijn leven op een tochtige boot door te brengen.
“Dat vraag ik ook niet,” zei hij. “Je hoeft niet mee als je niet wilt.”
En daar zit misschien het echte probleem. Ik weet niet of ik bang ben voor die boot, of voor het feit dat hij er zonder mij een toekomst in kan zien.
Gisteren kwam hij met een map thuis. Foto’s, onderhoudsrapporten, een berekening die hij blijkbaar met de verkoper had gemaakt. Hij had koffie voor mij meegenomen van het station, mijn favoriete met havermelk, alsof dat iets goedmaakte. Hij schoof de map naar me toe en zei: “Ik wil dit niet achter je rug om doen. Maar ik wil ook niet doen alsof ik geen verlangen meer mag hebben omdat we ouder worden.”
Ik heb de map nog niet opengemaakt. Hij ligt nu op de kast in de woonkamer, naast een stapel folders van een badkamerbedrijf die ik vorige maand zelf had aangevraagd.
Vanavond gaan we eten bij mijn broer, dus we doen waarschijnlijk allebei alsof er niets aan de hand is. Hans zal vragen wie er een biertje wil. Ik zal helpen met afruimen. Morgen moet ik werken.
Maar die aanbetaling moet vrijdag wel of niet gedaan worden. En ik merk dat ik nog steeds niet weet wat erger voelt: dat hij het doet, of dat hij het laat omdat ik het niet aankan.