Mijn man kocht een camper van ons spaargeld, maar ik weet niet of ik nog zes maanden van huis wil
De camper staat nu al drie weken voor ons huis en ik doe nog steeds alsof ik hem niet zie.
Hij is groot, wit met grijze strepen en heeft van die donkere ramen waardoor je niet naar binnen kunt kijken. Onze oprit lijkt er eigenlijk te klein voor, maar volgens Henk went dat. Hij loopt er elke ochtend even heen, ook als het regent. Dan gaat hij binnen zitten met een kop koffie, klikt hij kastjes open en dicht en zoekt hij op YouTube naar filmpjes van mensen die ergens in Portugal vrij staan met uitzicht op zee.
Ik ben 67, Henk is 69. We zijn allebei vorig jaar gestopt met werken. Ik werkte drie dagen per week bij de apotheek in het dorp, tot mijn knieën en mijn hoofd zeiden dat het mooi was geweest. Henk heeft bijna zijn hele leven bij een installatiebedrijf gewerkt. Hij was altijd degene die zei: eerst zorgen dat alles op orde is, dan pas iets leuks. Hypotheek aflossen. Geld opzij. Niet te gek doen.
Dus toen hij vorig voorjaar ineens zei dat hij een camper wilde, dacht ik eerlijk gezegd dat het een fase was. Net als die elektrische fiets die hij per se moest hebben en die nu vooral in de schuur staat omdat hij liever op zijn oude stadsfiets naar de supermarkt gaat.
Maar dit was geen fase. Hij had al advertenties opgeslagen, berekeningen gemaakt en contact gehad met een dealer in Barneveld. Ik wist dat wel een beetje, maar niet hoe ver het ging. Hij zei steeds: “We gaan gewoon kijken, Ria. Kijken mag toch?”
Op een dinsdagmiddag kwam hij thuis met de mededeling dat hij een aanbetaling had gedaan.
Ik stond aardappels te schillen. Ik weet nog dat er eentje uit mijn hand gleed en onder het kastje rolde. Zo’n stom detail, maar ik zie het nog precies.
“Een aanbetaling waarvan?” vroeg ik.
Hij keek alsof ik een grap maakte.
“Van die Bürstner. Die waar we het over gehad hebben. Ze hadden hem net binnen. Als ik wachtte, was hij weg.”
We hadden het er niet over gehad. Hij had erover gepraat. Dat is iets anders.
De uiteindelijke prijs was veel hoger dan ik had gedacht. Met luifel, fietsendrager, zonnepanelen, servies dat niet rammelt, stoelen, een ander navigatiesysteem en weet ik veel wat nog meer, zat hij ruim boven de tachtigduizend euro. Hij zei dat het uit ons spaargeld kon en dat de overwaarde van het huis ook nog bestond als het ooit nodig was.
Dat laatste maakt mij juist onrustig. Ik wil niet op mijn oude dag moeten denken: nou, dan verkopen we het huis maar als er iets gebeurt. We wonen hier al 34 jaar. Onze dochter Marloes woont tien minuten verderop met haar gezin. Ik haal de kleinkinderen soms uit school. Niet omdat het moet, maar omdat ik het heerlijk vind. Ik drink op donderdag koffie met Els en Nanda, ik ga op maandagavond naar aquagym. Het zijn geen wereldschokkende dingen, maar het is mijn leven.
Henk noemt dat mijn “vaste rondje”. Niet eens altijd gemeen, maar wel alsof het iets is waar ik vanaf zou moeten.
Onze zoon Daan vindt de camper fantastisch. Hij kwam met zijn vriendin kijken en zei meteen: “Pap, eindelijk. Jullie hebben je altijd suf gewerkt.” Hij maakte foto’s van de binnenkant en stuurde ze in de familie-app. Daarna kreeg Henk van alles terug: vlammetjes, duimpjes, opmerkingen over Slovenië en de Dolomieten.
Marloes reageerde pas de volgende dag. Ze stuurde mij apart een berichtje: Mam, weet je zeker dat dit verstandig is? Niet lullig bedoeld, maar jullie worden ook ouder. Als een van jullie zorg nodig heeft, is zo’n buffer sneller weg dan je denkt.
Dat raakte me, misschien omdat ik precies hetzelfde dacht. Tegelijk voelde ik me verraderlijk tegenover Henk. Alsof Marloes en ik achter zijn rug om een kamp vormden.
Toen we met z’n allen bij ons aten, ging het alsnog mis. Niet met geschreeuw of zo, eerder met van die zinnen die steeds scherper worden. Henk vertelde enthousiast dat hij vanaf april een route had gemaakt: België, Frankrijk, Noord-Spanje, Portugal, terug via Italië, Oostenrijk en Duitsland. Zes maanden. Hij had zelfs al uitgezocht waar we de camper konden laten wassen.
“Zes maanden?” zei ik. Ik wist dat hij lang wilde, maar ik dacht aan zes weken, misschien twee maanden.
Hij keek me aan. “Dat heb ik toch gezegd?”
Nee. Dat had hij niet. Of misschien had hij het wel eens terloops gezegd terwijl ik de afwas deed. Ik weet het niet meer. Maar ik voelde mijn gezicht warm worden.
Marloes legde haar vork neer. “Pap, dat is wel heel lang. Mam wil toch ook gewoon bij de kinderen zijn?”
Daan zuchtte meteen. “Jullie doen alsof ze naar de andere kant van de wereld gaan. Ze hebben een telefoon. En mam kan toch gewoon mee genieten?”
“Ik heb niet gezegd dat ik niet mee wil,” zei ik. “Ik weet alleen niet of ik zes maanden weg wil.”
Henk werd stil. Dat is bij hem meestal erger dan boos worden. Hij at door, heel netjes, en vroeg daarna of iemand nog koffie wilde.
Later, toen iedereen weg was, zei hij: “Je laat me voor gek staan waar de kinderen bij zijn.”
Ik zei dat hij mij voor een voldongen feit stelde. Dat zei ik te hard. Hij zei dat ik overal een probleem van maak en dat we niet twintig jaar kunnen blijven wachten op een toekomst waarin we misschien ziek worden.
Daar had hij natuurlijk ook gelijk in, en daar word ik zo kwaad van. Want ik wil niet leven vanuit angst. Ik heb bij de apotheek genoeg mensen gezien die na hun pensioen alleen maar thuis bleven zitten tot er niks meer over was dan afspraken bij de huisarts en een rondje om het blok. Dat wil ik ook niet.
Maar Henk lijkt te denken dat er maar twee keuzes zijn: óf we rijden nu heel Europa door, óf we zitten hier weg te kwijnen achter de geraniums. Terwijl ik best drie weken naar Frankrijk wil. Of in het najaar naar Duitsland. Misschien eens overwinteren, maar dan geen half jaar achter elkaar. Ik wil ook kunnen zeggen: ik ga naar huis, want Finn heeft zijn zwemdiploma of omdat mijn zus jarig is, zonder dat het voelt alsof ik zijn grote droom kapotmaak.
Vorige week heb ik de bank gebeld. Niet om iets terug te draaien, dat kan natuurlijk niet zomaar, maar om helder te krijgen hoeveel we werkelijk achter de hand hebben. Henk vond dat overdreven. Hij zei dat ik hem blijkbaar niet vertrouw.
Dat is niet helemaal waar. Ik vertrouw hem met veel dingen. Als de cv-ketel stuk is, als er iets aan de auto mankeert, als iemand in de familie geholpen moet worden, staat hij er. Maar met deze camper heeft hij iets besloten voordat ik er klaar voor was. En nu verwacht hij dat ik enthousiast word omdat het ding eenmaal op de oprit staat.
Vanavond wil hij de eerste proefnacht doen op een camperplaats bij de Utrechtse Heuvelrug. Eén nacht maar. Hij heeft boodschappen gehaald: broodjes, wijn, van die kleine potjes jam. Hij is er zichtbaar zenuwachtig voor, alsof we pas getrouwd zijn.
Ik heb mijn tas nog niet ingepakt.
Niet omdat ik hem wil straffen. Ik weet alleen dat ik, als ik instap zonder iets te zeggen, waarschijnlijk ook instap in die zes maanden. En misschien in nog veel meer plannen waar ik later pas van hoor.
Straks moet ik hem vertellen dat ik mee wil op proef, maar niet op zijn voorwaarden. Dat we naar een financieel adviseur gaan, dat we een bedrag afspreken dat echt onaantastbaar blijft, en dat zes maanden voor mij voorlopig geen optie zijn.
Ik ben alleen bang dat hij dan naar die camper kijkt alsof ik het mooiste wat hij nog voor zich zag, kleiner maak.