Na 32 jaar vriendengroep zei ik eindelijk dat ik me niet meer welkom voelde, en nu vindt mijn vrouw dat ik alles op het spel heb gezet

Ik wist eigenlijk dat het mis was toen ik vorige maand op een donderdagavond mijn jas aanhield bij Henk en Marijke thuis. Niet omdat ik weg wilde. Of nou ja, misschien ook wel. Maar vooral omdat ik geen zin had om weer mijn schoenen uit te doen, te gaan zitten en drie uur lang te luisteren naar plannen waar ik blijkbaar al aan mee zou doen.

We zijn met acht. Mijn vrouw Els en ik, Henk en Marijke, Rob en Anita, en Kees en Yvonne. We kennen elkaar sinds eind jaren tachtig, via de tennisvereniging en later via de kinderen, die inmiddels allemaal ergens wonen met hun eigen levens en problemen. Eerst zagen we elkaar met kleine kinderen die door de kamer renden. Daarna met pubers die boven zaten te gamen. Nu hebben we het meestal over knieoperaties, kleinkinderen, verbouwingen en wie er weer een te hoge energierekening heeft gehad.

Iedere donderdag is niet helemaal letterlijk gelukt door de jaren heen, maar gemiddeld eens in de twee weken eten we samen of doen we Rummikub, Hitster tegenwoordig ook weleens, al snap ik nog steeds niet waarom iedereen daar zo fanatiek van wordt. Het was altijd vertrouwd. Els bakt vaak een quiche. Anita neemt standaard te veel wijn mee. Kees vertelt hetzelfde verhaal over zijn tijd bij de gemeente, en wij lachen toch.

Henk en Marijke waren vroeger ook al aanwezig, laat ik het zo zeggen. Henk had een groot autobedrijf en was gewend dat mensen luisterden als hij iets zei. Marijke is niet onaardig, integendeel. Als je ziek bent, staat ze als eerste met een pannetje soep voor de deur. Maar ze kan ook op een toon zeggen: ‘Nee joh, dat is niets voor jullie,’ alsof zij beter weet wat goed voor je is dan jijzelf.

Ik denk dat we het lang hebben laten lopen omdat er altijd iets om te lachen viel. En omdat het makkelijker is om mee te bewegen dan op donderdagavond op je 64ste ineens moeilijk te gaan doen.

Maar de laatste paar jaar werd het steeds duidelijker. De vakanties moesten naar plekken waar Henk en Marijke al eens waren geweest en waar Marijke ‘een leuk huisje wist’. Als Rob voorstelde om een keer naar de Veluwe te gaan in plaats van weer naar Limburg, zei Henk dat daar ‘geen reet te beleven’ was. Toen Els en ik vorig jaar afzegden voor een lang weekend omdat onze dochter net was bevallen en we wilden helpen, zei Marijke lachend dat we ons kleinkind ook niet moesten opvoeden alsof het van porselein was.

Iedereen lachte toen. Ik ook, geloof ik. Dat is misschien nog het vervelendste. Je lacht mee en pas in de auto naar huis voel je hoe rot zo’n opmerking eigenlijk was.

Els had er minder last van. Zij zei vaak: ‘Ach, Marijke bedoelt het niet zo.’ En dat geloof ik ook best. Niet alles is kwaad bedoeld. Maar als iemand jou steeds onderbreekt, jouw plannen wegwuift en vervolgens verwacht dat je enthousiast meedoet aan de hare, dan maakt de bedoeling op een gegeven moment niet zoveel meer uit.

In januari hadden we afgesproken een weekend naar Zuid-Limburg te gaan. Een groot vakantiehuis bij Gulpen, geregeld door Marijke uiteraard. Ik had er eerlijk gezegd geen zin in, maar Els keek ernaar uit. Ze had het over de wandelingen, samen ontbijten, eindelijk weer eens met z’n allen weg nu iedereen nog redelijk goed ter been was. Dus ik ging mee.

De eerste dag ging prima. We dronken koffie in Valkenburg, veel te duur allemaal, en ’s avonds kookten Rob en ik pasta voor de groep. Henk vond dat er te weinig zout in zat, maar dat zei hij gelukkig pas toen zijn bord leeg was.

De zaterdagmiddag was het omslagpunt. We zaten aan de grote tafel met bier, nootjes en een schaal blokjes kaas die al een beetje zweterig werd. Marijke had een lijstje gemaakt voor de komende maanden. Paasbrunch bij hen. In juni een barbecue. In september weer een weekend weg, waarschijnlijk naar de Moezel, want daar konden Henk en zij via kennissen iets regelen.

Ik zei dat ik daar misschien niet bij wilde zijn, omdat Els en ik ook graag eens met onze camper naar Drenthe wilden. Niet als groep, gewoon met z’n tweeën.

Marijke keek me aan alsof ik zei dat ik ging emigreren.

‘Maar dan kan dat toch een week later? Iedereen heeft die datum nu al vrijgehouden.’

Ik zei dat wij niets hadden vrijgehouden. Henk zuchtte en zei: ‘Theo, je hoeft niet altijd zo dwars te doen. Het is juist leuk als we met z’n allen gaan.’

Daar ging iets bij mij mis. Of goed, ik weet het nog steeds niet.

Ik zei dat ik niet dwars wilde doen, maar dat het me opviel dat ‘met z’n allen’ meestal betekende dat zij tweeën iets bedachten en wij ja moesten zeggen. Dat ik me soms meer een gast voelde in een groep waar ik al ruim dertig jaar bij hoorde.

Het werd meteen stil. Niet een fijne stilte. Eerder zo’n stilte waarin je het zoemen van de koelkast ineens hoort.

Henk werd rood. Hij zei dat hij zich aangevallen voelde en dat hij alleen maar initiatief nam omdat de rest altijd afwachtte. Daar had hij niet helemaal ongelijk in. Ik ben ook geen man die spontaan een groepsapp aanmaakt en een huisje boekt. Maar ik zei dat initiatief nemen iets anders is dan besluiten voor anderen.

Marijke begon te huilen. Zomaar, midden aan tafel. Ze zei dat zij altijd haar best deed voor iedereen en dat ze nu blijkbaar de boeman was. Els keek naar mij met zo’n blik die ik goed ken: niet boos, maar wel geschrokken en teleurgesteld dat ik niet eerder iets tegen haar had gezegd.

Rob zei voorzichtig dat hij wel begreep wat ik bedoelde. Anita knikte. Kees zei niets. Yvonne ging glazen afwassen terwijl de vaatwasser nog halfleeg was.

De rest van het weekend was verschrikkelijk lang. We deden alsof het weer normaal kon worden. We wandelden. We aten vlaai. Henk en ik hebben geen moment alleen gepraat. Marijke was overdreven vrolijk tegen Els, wat nog ongemakkelijker was.

Thuis zei Els eerst helemaal niets. Ze hing haar jas op, zette de verwarming hoger en vroeg of ik thee wilde. Pas toen we in bed lagen, zei ze: ‘Je had gelijk dat je je niet prettig voelde. Maar moest het daar, op dat moment, op die manier?’

Ik kon daar geen goed antwoord op geven. Misschien niet. Ik had het eerder met Henk kunnen bespreken. Of met Els. Ik had zelf vaker iets kunnen organiseren, in plaats van stil te hopen dat anderen vanzelf rekening met me zouden houden.

Maar ik was ook moe van het inslikken. Moe van doen alsof gezelligheid alleen bestaat als niemand iets zegt wat de boel kan verstoren.

Sinds dat weekend is de groepsapp bijna dood. Marijke stuurde nog een bericht dat ze voorlopig even afstand wilde. Henk heeft niets gestuurd. Rob belde me en zei dat hij blij was dat ik het had uitgesproken, maar vervolgens ging hij wel gewoon bij Henk en Marijke eten. Dat neem ik hem niet eens kwalijk. Iedereen probeert blijkbaar te redden wat er te redden valt.

Els mist het vreselijk. Vooral de vanzelfsprekendheid. Op donderdag kijkt ze vaker op haar telefoon dan vroeger. Gisteren zei ze dat we misschien gewoon excuses moesten maken, niet omdat alles onze schuld is, maar omdat zij geen zin heeft om op deze leeftijd vrienden kwijt te raken.

Ik snap dat. Echt. Ik ben ook bang dat we straks alleen nog verjaardagen hebben met familie en praatjes met buren bij de kliko.

Maar excuses maken waarvoor precies? Voor mijn toon kan ik best sorry zeggen. Voor het feit dat ik iets heb gezegd, weet ik het niet.

Vanavond zouden we normaal bij Kees en Yvonne kaarten. Nu heb ik de caravan schoongemaakt, terwijl het regende en er nergens heen te gaan viel. Els heeft uiteindelijk zelf pasta gemaakt. We hebben aan de keukentafel gegeten, met de radio aan. Het was stil, maar niet per se slecht stil.

Alleen wel anders.