Mijn vader wilde één weekend weg, maar mijn moeder hoorde alleen dat hij haar niet meer aankon
Mijn vader heeft sinds kort een agenda op de keukentafel liggen die hij nergens meer voor gebruikt. Vroeger stond die vol: golf op woensdagavond, koffie met Kees en de andere mannen van zijn oude werk op vrijdag, verjaardagen waar hij altijd te vroeg heen ging omdat hij hielp met stoelen neerzetten. Nu schrijft hij er alleen nog afspraken van mijn moeder in. Fysiotherapie. Huisarts. Podotherapie. Soms zet hij er ook ‘was draaien’ in, alsof hij bang is dat hij anders vergeet dat er handdoeken nodig zijn.
Mijn ouders zijn allebei 67. Ze wonen nog steeds in het rijtjeshuis in Amersfoort waar mijn broer en ik zijn opgegroeid. Mijn broer woont al jaren in Canada, dus in de praktijk ben ik enig kind geworden, al klinkt dat vervelender dan ik bedoel. Ik woon in Utrecht, heb een baan bij een verzekeraar en een dochter van negen. Ik kom bijna ieder weekend langs, meestal met boodschappen uit de supermarkt en een tas wasgoed van mijn dochter die ze bij opa en oma wil laten liggen omdat ze daar ook een pyjama heeft.
Mijn moeder, Els, kreeg afgelopen voorjaar een dwarslaesie-achtige beschadiging na een operatie. Het is niet zo dat ze helemaal niet meer kan lopen. Juist dat maakt het verwarrend voor buitenstaanders. Met haar rollator kan ze een paar meter, als ze uitgerust is. Ze kan soms zelf haar boterham smeren. Maar douchen, aankleden, naar het toilet als ze een slechte dag heeft, in en uit bed komen: daar is vaak mijn vader bij nodig. En slechte dagen zijn er meer dan goede.
Mijn vader heet Henk en heeft altijd alles zelf opgelost. Lekkende kraan, belastingaangifte, mijn fietsband toen ik zestien was en huilend naar huis kwam. Hij zegt niet snel dat iets hem teveel is. Hij zegt: ‘Ach, het komt wel.’ Of: ‘We redden ons.’
Maar de laatste maanden zie ik dingen die hij zelf niet zegt. Hij draagt steeds dezelfde beige trui omdat hij blijkbaar niet toekomt aan wassen. Hij is afgevallen. Als mijn moeder vanuit de woonkamer roept, schrikt hij soms echt, alsof er een alarm afgaat. Een keer vond ik hem om kwart over twee ’s middags slapend in de auto op de oprit. Hij zei dat hij alleen even zijn ogen dichtdeed voordat hij naar de apotheek ging.
Mijn moeder ziet dat volgens mij ook wel. Alleen geeft ze er een andere betekenis aan.
Toen ik voor het eerst voorzichtig over thuiszorg begon, stond ze aardappels te schillen aan tafel. Nou ja, ze hield een aardappel vast en mijn vader schilde hem uiteindelijk omdat haar handen niet meewerkten.
‘Mam, je weet dat je via de wijkverpleging hulp kunt krijgen met douchen en aankleden?’ zei ik. ‘Dan hoeft pap niet alles alleen te doen.’
Ze keek me aan alsof ik had voorgesteld haar ergens onder te brengen.
‘Een vreemde die mij onder de douche zet? Nee, dank je.’
Ik zei dat het geen vreemde hoefde te blijven. Dat je vaak een klein vast team krijgt. Dat het juist heel normaal is.
‘Normaal voor wie?’ vroeg ze. ‘Voor mensen die niemand hebben misschien. Ik heb mijn man.’
Mijn vader zat tegenover haar en zei niets. Hij roerde in een pan sperziebonen die al lang gaar waren.
Ik snap mijn moeder ergens wel. Ze is van zichzelf altijd netjes geweest. Geen make-up, maar wel iedere ochtend haar haar geföhnd. Ze werkte vroeger in een bibliotheek en kon zich oprecht druk maken als iemand een boek met ezelsoren terugbracht. Sinds die operatie is haar wereld kleiner geworden dan die van haarzelf, denk ik. Haar lichaam doet ineens dingen waar ze geen zeggenschap over heeft. Mijn vader weet hoe ze het liefst haar nachthemd aantrekt, welke crème ze verdraagt, wanneer ze zich schaamt en wanneer ze vooral niet wil dat iemand daar woorden aan geeft.
Alleen is liefde niet hetzelfde als beschikbaarheid, en ik weet niet hoe ik dat tegen haar moet zeggen zonder hard te klinken.
Vorige maand belde mijn vader mij op een donderdagavond. Heel zacht, want mijn moeder lag al in bed.
‘Zeg eens eerlijk,’ zei hij, ‘vind jij het raar als ik een nachtje weg zou willen?’
Ik dacht eerst dat er iets gebeurd was. Mijn vader gaat nooit weg zonder mijn moeder. Zelfs voor de jaarlijkse reünie van zijn technische school is hij de afgelopen twee jaar afgezegd.
Hij vertelde dat Kees zestig jaar getrouwd was en met vier oude vrienden een weekend naar een huisje bij de Veluwe wilde. Vrijdagmiddag heen, zondag na het ontbijt terug. Ze wilden wandelen, kaarten en waarschijnlijk te veel bier drinken. Mijn vader zei het met een soort verontschuldiging, alsof hij vroeg of hij een fout mocht maken.
‘Pap, natuurlijk is dat niet raar,’ zei ik. ‘Dat moet je juist doen.’
Hij bleef stil.
‘Mam kan die dagen hulp krijgen. Ik kom zaterdag met Lotte. We kunnen het regelen.’
‘Je moeder zal dat niet willen.’
Dat klopte. Toen hij het die zaterdag aan haar vertelde, zat ik erbij. Misschien had ik weg moeten gaan. Ik dacht dat mijn aanwezigheid zou helpen, maar achteraf voelde het alsof ze zich tegen twee mensen moest verdedigen.
Hij begon voorzichtig. Dat Kees had gevraagd. Dat hij het eigenlijk wel leuk zou vinden. Dat ik zaterdag zou komen en dat er voor de ochtend en avond iemand van de thuiszorg kon langskomen.
Mijn moeder liet hem uitpraten. Ze keek naar haar handen in haar schoot.
‘Dus je wilt weg,’ zei ze toen.
Mijn vader zei meteen: ‘Niet omdat ik bij jou weg wil.’
‘Maar wel omdat het je teveel is.’
Hij zei niets. Dat was het ergste moment. Niet omdat hij haar gelijk gaf, maar omdat hij niet kon liegen.
Mijn moeder begon niet te schreeuwen. Ze werd juist heel rustig. Ze zei dat ze hem niet tegen wilde houden als hij zo nodig naar een huisje moest. Dat ze geen last wilde zijn. Dat ze dan maar zou kijken hoe ze zich redde met “een mevrouw met een rooster”.
Ik werd boos. Veel bozer dan ik van plan was.
‘Mam, pap is al maanden dag en nacht bezig. Hij mag toch ook gewoon even Henk zijn?’
Ze keek mij aan met natte ogen. ‘En ik dan? Mag ik nog wel Els zijn, of ben ik alleen nog een planning die opgelost moet worden?’
Daar had ik niets goeds op terug. Ik zei iets als dat niemand dat bedoelde, maar dat klinkt altijd zwak als je al iemand pijn hebt gedaan.
Mijn vader heeft dat weekend uiteindelijk niet geboekt. Hij zei tegen Kees dat hij last van zijn rug had. Kees stuurde een foto van de mannen bij een vuurkorf, allemaal met van die te dunne jassen aan. Mijn vader keek ernaar op zijn telefoon en legde hem met het scherm naar beneden op tafel.
Sindsdien is het onderwerp niet echt verdwenen, maar het wordt ook niet besproken. Mijn moeder heeft een intake gehad met de wijkverpleegkundige, vooral omdat de huisarts daar op aandrong. Een aardige vrouw, Marloes, kwam langs voor een gesprek. Mijn moeder deed beleefd, schonk koffie in met mijn vader naast zich, en zei daarna dat ze er nog over na wilde denken.
Mijn vader zegt nu soms dat hij best een middag kan gaan fietsen zodra het weer beter wordt. Vervolgens regent het, of mijn moeder heeft pijn, of er is een controle-afspraak. Hij heeft zijn agenda nog steeds op tafel liggen.
Afgelopen zondag heb ik er, zonder veel nadenken, ‘vrijdag 14.00 koffie Kees’ in gezet. Met potlood. Mijn vader zag het toen hij de tafel afruimde. Hij veegde met zijn duim over de letters, maar gumde het niet uit.
Mijn moeder zat in de woonkamer en vroeg of ik de plaid wat hoger over haar benen wilde leggen. Ik deed dat, iets te zorgvuldig misschien. Daarna hoorde ik mijn vader in de keuken de waterkoker aanzetten. Niemand zei iets over vrijdag.