Mijn man wil alleen nog komen als het hem uitkomt, en onze vrienden zijn daar klaar mee
Vorige week stond ik met zes glazen op een dienblad in onze keuken terwijl ik eigenlijk al wist dat er maar vijf gebruikt zouden worden.
Henk was die ochtend met zijn busje naar Drenthe vertrokken. Hij is sinds januari vrijwilliger bij een stichting die oude hoogstamfruitbomen in kaart brengt en snoeit. Als ik het zo opschrijf, klinkt het nog steeds een beetje absurd, maar hij is er oprecht gelukkig van. Hij rijdt naar boomgaarden, volgt cursussen over enttechnieken en komt thuis met modder aan zijn broek en verhalen over perenrassen waar ik nog nooit van gehoord had.
Die dinsdagavond zouden we bij ons eten met de vaste club. Wij noemen het zelf niet eens een vaste club, maar dat is het natuurlijk wel. Sinds 1987, toen we allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort kwamen wonen: wij, Kees en Marjan, Joost en Ellen, en vroeger ook Rob en Anita. Rob is overleden, Anita woont nu bij haar dochter in Zwolle, maar de rest is gebleven. Eerst met kleine kinderen die door de woonkamer renden, later met pubers die alleen voor eten naar beneden kwamen, en nu met foto’s van kleinkinderen op telefoons die niemand goed rechtop houdt.
Elke dinsdag om half acht. Soms een borrel, soms eten, soms alleen koffie omdat iedereen moe is. We plannen de vakanties eromheen, we weten wie slecht slaapt, wie gedoe heeft met een heup, wie bang is voor de uitslag van een ziekenhuiscontrole. Het klinkt misschien benauwend, maar voor mij is het nooit zo geweest. Het was gewoon een deel van ons leven.
Ik ben degene die de appgroep bijhoudt. Niet officieel. Ik stuur alleen dingen als: ‘Wie neemt er zaterdag een salade mee?’ of ‘Ellen, hoe ging het gesprek bij de hypotheekadviseur?’ Ik onthoud verjaardagen. Ik zorg dat niemand twee avonden achter elkaar wordt overgeslagen als we bij iemand thuis eten. Dat soort dingen.
Henk heeft daar altijd vrolijk in meegedaan. Hij was nooit de man van lange gesprekken, maar hij zette muziek aan, schonk wijn in en wist precies wanneer Joost te ver doorging met zijn grappen. Dan zei hij iets droogs en lachte iedereen weer.
Tot hij met pensioen ging.
De eerste maanden waren eigenlijk heel onrustig. Henk liep door het huis alsof hij ergens te laat voor was. Hij ruimde de schuur drie keer op, maakte lijstjes, ging op dinsdagmiddag al boodschappen doen omdat hij ‘toch tijd zat’ had. Toen zag hij een oproep van die fruitboomstichting in de krant. Hij meldde zich aan voor een kennismakingsdag en kwam thuis alsof hij weer twintig was.
Ik vond het mooi voor hem. Echt. Henk had veertig jaar bij dezelfde technische groothandel gewerkt. Altijd vroeg weg, altijd verantwoordelijk, altijd bereikbaar voor mensen die hun bestelling verkeerd hadden ingevoerd. Hij zei vaak dat hij na zijn pensioen eindelijk niets meer hoefde. Ik dacht dat hij daarmee bedoelde: rustig aan doen. Hij bedoelde blijkbaar: niemand meer uitleggen waar hij is.
Eerst zei hij af en toe een dinsdag af.
‘Ze organiseren net die avond een snoeicursus,’ zei hij dan.
Of: ‘Ik moet woensdag om zeven uur bij een boomgaard in Epe zijn, dus ik ga daar slapen.’
Niemand maakte er meteen een punt van. We werden allemaal ouder, we hadden onze eigen dingen. Maar Henk begon ook op het laatste moment af te zeggen. Soms om zes uur, wanneer ik al pan met soep op het vuur had. Soms kwam hij wel, maar zat hij na drie kwartier op zijn telefoon foto’s van knoppen en takken te bekijken.
En als iemand vroeg of hij er volgende week bij was, zei hij: ‘Geen idee, ik kijk wel even.’
Dat zinnetje is het probleem geworden. Niet die bomen.
Marjan zei het als eerste tegen mij, bij de Albert Heijn nota bene, tussen de bloemkool en de voorgesneden groenten.
‘Ik vind het lastig hoor, met Henk,’ zei ze. ‘Alsof wij een soort wachtkamer zijn geworden voor wanneer hij niks beters heeft.’
Ik verdedigde hem meteen. Ik zei dat hij eindelijk iets voor zichzelf had, dat het wennen was na zijn werk. Marjan knikte, maar niet echt.
‘Prima, maar dan moet hij dat gewoon zeggen. Nu houden we steeds rekening met hem.’
Thuis vertelde ik het aan Henk terwijl hij aan de eettafel zijn agenda invulde. Hij had een loepbril op die hij sinds kort gebruikt voor het enten. Ik zei het voorzichtig, waarschijnlijk te voorzichtig.
Hij keek niet eens op.
‘Dus Marjan vindt dat ik toestemming moet vragen om mijn eigen week in te delen?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Nou, zo komt het wel over.’
Ik voelde me meteen klein en boos tegelijk. Alsof ik de boodschapper was van iets waar ik zelf ook ongemakkelijk van werd.
‘Het gaat erom dat mensen niet weten waar ze aan toe zijn,’ zei ik. ‘Als jij iedere keer zegt “ik kijk wel”, dan voelt het alsof het je niet interesseert.’
Hij legde zijn pen neer.
‘Anja, ik ben 67. Ik heb mijn hele leven in agenda’s van anderen geleefd. Mag ik nu alsjeblieft een keer doen waar ik zin in heb?’
Dat kon ik moeilijk tegenspreken. Want ik snapte hem. Ik ben zelf ook niet onschuldig. Ik vind die dinsdagen fijn, maar soms ga ik erheen omdat het dinsdag is, niet omdat ik per se zin heb om te horen dat Joost weer boos is op zijn energieleverancier.
Toch bleef het knagen. Niet omdat Henk wegbleef, maar omdat hij deed alsof er geen verschil was tussen een afspraak bij de tandarts verzetten en mensen die al bijna veertig jaar om elkaar heen leven.
Afgelopen zondag hadden we een brunch bij Kees en Marjan. Henk was niet mee; hij had een excursie naar de Betuwe. Ik ging alleen, met een schaal krentenbollen die ik onderweg nog bij de bakker haalde omdat ik vergeten was iets te maken.
Na de koffie zei Kees dat ze iets wilden bespreken. Hij keek naar zijn servet terwijl hij dat zei. Daar kreeg ik al een naar gevoel van.
Ellen zei: ‘We willen de dinsdagavond gewoon weer vast maken. Zonder steeds te wachten of Henk misschien nog aansluit.’
‘Dat doen jullie toch al?’ vroeg ik.
Marjan zuchtte. ‘Ja, maar jij vraagt altijd of het voor Henk ook uitkomt. En daarna verandert het weer.’
Toen kwam het voorstel: Henk niet meer standaard meenemen in de planning. Als hij een keer wil komen, kan hij zelf vragen of het uitkomt. Niet andersom.
Ik weet nog dat ik naar de kruimels op mijn bord keek en dacht: dit zijn mensen die ik al langer ken dan sommige van mijn familie. En ze hadden het over mijn man alsof hij een lastige collega was die uit een rooster gehaald moest worden.
Ik zei dat ik het begreep. Dat was laf, denk ik. Of eerlijk. Ik weet het nog steeds niet.
Toen ik thuiskwam, stond Henk achter het huis een emmer met snoeigereedschap schoon te maken. Hij was opgewekt. Hij had die dag een oude appelboom gered die volgens hem al jaren verkeerd was geknot.
Ik vertelde hem wat er was gezegd. Hij bleef met zijn hand op een snoeischaar staan.
‘Mooi,’ zei hij na een tijdje. ‘Dan hoef ik ook niet meer het gevoel te hebben dat ik me moet verantwoorden.’
Daar werd ik zo kwaad van dat ik mijn jas nog aanhield terwijl ik tegen hem begon te praten. Ik zei dat het niet alleen om hem ging. Dat ik niet elke dinsdag bij mensen wil zitten die vinden dat ik mijn man moet “temmen”, maar ook niet thuis wil blijven omdat hij toevallig ergens tussen de pruimenbomen staat.
Hij zei: ‘Ga toch gewoon.’
Alsof dat de eenvoudige oplossing was.
Morgen is het dinsdag. In de appgroep staat dat we bij Ellen en Joost zijn, half acht, en er staat geen vraagteken meer achter Henks naam. Henk gaat twee dagen naar Limburg voor een cursus. Hij heeft me gevraagd of ik zijn regenjas nog wil wassen.
Ik ga waarschijnlijk gewoon naar Ellen. Ik neem een fles wijn mee en ik zal normaal doen, denk ik. Maar ik weet niet of ik nog degene wil zijn die alles gladstrijkt. Misschien moet die groep maar eens merken hoe het is als ik niet steeds iedereen bij elkaar probeer te houden.
En misschien merkt Henk ooit dat vrijheid ook betekent dat mensen ophouden met op je te wachten.