Mijn beste vriend zei dat ik toch niets beters te doen had, en sindsdien ligt zijn klipper stil zonder mij

De afgelopen drie zaterdagen ben ik niet naar de werf geweest. Dat klinkt misschien kinderachtig na veertig jaar vriendschap, maar ik krijg het gewoon niet voor elkaar om langs die loods in Zaandam te fietsen alsof er niets aan de hand is.

Herman en ik kennen elkaar sinds 1983. We lagen in een zeilkamp bij Heeg in een lekkende tent naast elkaar. Hij had altijd te veel spullen mee, ik altijd te weinig. Hij kon een kaart lezen, ik kon een buitenboordmotor uit elkaar halen zonder daarna schroeven over te houden. Dat is eigenlijk nooit veranderd.

We zeilden jarenlang iedere woensdagavond op de Kaag als het weer een beetje meezat. Eerst met een geleende Valk, later met zijn kleine kajuitboot. Onze vrouwen gingen soms mee, later de kinderen ook. Toen zijn Karin overleed, vijf jaar geleden nu, ben ik degene geweest die zijn boot winterklaar maakte omdat Herman twee maanden nergens zin in had. Niet omdat dat moest. Omdat je dat doet voor je vriend.

Dus toen hij vorig najaar vertelde dat hij gebruik ging maken van die regeling bij zijn werk en eerder zou stoppen, was ik oprecht blij voor hem. Hij had veertig jaar bij dezelfde installateur gewerkt. Altijd storingsdiensten, altijd bereikbaar. Hij zei dat hij eindelijk iets groots wilde doen.

Een week later stuurde hij me een link van Marktplaats. Een oude stalen klipper uit 1928, zestien meter, in beroerde staat maar volgens Herman ‘met een geweldige lijn’. Hij lag in Harlingen en de eigenaar wilde er vanaf. De motor deed het niet, het dek was op sommige plekken zacht en binnen rook het naar oude diesel en vocht.

Ik zei nog: ‘Her, dat is geen bootje om een beetje aan te rommelen.’

Hij lachte. ‘Daar heb ik jou toch voor?’

Ik lachte mee. Dat was onze manier. Hij was degene van de plannen, ik was degene die zei wat technisch wel en niet kon. Ik ben vorig jaar 63 geworden en werk nog drie dagen per week bij een klein bedrijf in Purmerend dat industriële pompen onderhoudt. Ik hoef niet door, financieel niet, maar ik vind het werk nog prima. En eerlijk gezegd vind ik het ook fijn om niet elke dag thuis op de bank te zitten.

De eerste maanden waren leuk. Echt leuk. We reden op vrijdag naar Harlingen, sliepen soms aan boord met een elektrisch kacheltje dat het net aan deed, aten patat uit zo’n bakje op de kade. Herman had een map gekocht met tabbladen: casco, motor, elektra, interieur. Hij werd er helemaal gelukkig van.

Ik hielp met het opnemen van het staal, regelde een kennis die kon lassen en maakte een lijst van wat er aan de motor moest gebeuren. Herman betaalde materiaal zonder moeilijk te doen. Hij kocht koffie, broodjes, soms een kratje bier voor na afloop. Ik dacht: mooi project, mooie afleiding voor hem ook.

Alleen begon het ongemerkt te schuiven.

Eerst appte hij op maandag: ‘Kun jij woensdagavond even meekijken naar de dynamo?’ Daarna: ‘Vrijdag moet je eigenlijk wel mee, die man van de werf komt dan.’ Vervolgens ging hij ervan uit dat ik op zaterdag en zondag kwam, ook als ik dat niet had gezegd.

Als ik om tien uur arriveerde, keek hij op zijn horloge en zei hij: ‘Ik dacht dat je er om negen uur zou zijn.’ Niet boos, meer alsof het een feit was dat ik te laat was voor een afspraak die we nooit gemaakt hadden.

Hij zette klussen op een whiteboard in de kajuit. Bij sommige stond mijn naam. ‘Bastiaan: leidingwerk stuurboord.’ ‘Bastiaan: motorfundatie nameten.’ Eerst vond ik het overdreven georganiseerd, maar ik zei niets. Herman had na Karin altijd behoefte gehad aan lijstjes. Daar moest ik een beetje rekening mee houden, vond ik.

Maar ik merkte dat ik thuis steeds vaker zei dat ik ‘naar de boot moest’, alsof ik ergens in dienst was. Mijn vriendin Els merkte het eerder dan ik. We wonen niet samen, maar ik ben meestal van zaterdagavond tot maandagochtend bij haar in Alkmaar.

Op een zondag wilde ik met haar naar haar dochter in Hoorn, die net een baby had gekregen. Herman belde om half negen.

‘Waar blijf je? Die pakkingen zijn binnen.’

Ik zei dat ik vandaag niet kwam.

Hij was even stil. Toen zei hij: ‘Maar we zouden die koelwaterpomp doen.’

‘Dat dacht jij misschien. Ik heb dat niet afgesproken.’

Hij zuchtte op zo’n manier die me direct kwaad maakte. ‘Nou ja, laat maar. Dan loopt alles weer uit.’

Ik heb die middag bij Els aan tafel gezeten met een slapende baby op mijn arm, maar in mijn hoofd was ik nog steeds bij die klipper. Ik voelde me schuldig, en daar schaamde ik me vooral voor. Alsof ik Herman in de steek liet door één zondag niet te komen.

Het echte gedoe kwam in februari. Herman had een planning gemaakt waarbij de boot in juni naar een werf bij Leiden zou varen voor het schilderwerk. Dat was op zich al ambitieus, want er zat nog geen fatsoenlijke motor in. Hij had blijkbaar tegen die werf gezegd dat ik het technische deel trok.

Niet gevraagd. Gewoon gezegd.

Ik kwam op een donderdagmiddag, had vrij genomen van mijn werk omdat hij bleef aandringen, en hij legde een stapel offertes voor me neer.

‘Deze moet jij even vergelijken. En ik heb die monteur uit Enkhuizen gezegd dat jij zaterdag beschikbaar bent.’

Ik weet nog dat ik mijn jas niet eens had uitgedaan. Er drupte regen vanaf mijn mouw op de vloer.

Ik zei: ‘Herman, we moeten hier even normaal over praten.’

Hij keek me aan alsof ik iets ingewikkelds ging vertellen over de motor.

Ik legde uit dat ik hem graag help, maar niet iedere week op afroep kan komen. Dat ik ook mijn werk heb, Els, mijn eigen dingen. En dat als hij wil dat ik structureel twee of drie dagen per week verantwoordelijk ben voor zo’n project, we daar afspraken over moeten maken. Een vaste dag, duidelijke uren. En ja, misschien ook een vergoeding. Niet omdat ik rijk wilde worden van mijn beste vriend, maar omdat dit geen paar handjes helpen meer was.

Hij werd rood in zijn gezicht. Niet meteen luid, dat kwam later.

‘Een vergoeding?’ zei hij. ‘Dus nu ga jij mij een rekening sturen omdat we samen aan een boot werken?’

‘We werken niet samen aan een boot, Herman. Het is jouw boot.’

Dat kwam harder uit dan ik had bedoeld.

Hij liep naar de trap, pakte een stuk isolatiemateriaal op en legde het weer neer. Hij deed dat vaker als hij niet wist wat hij moest zeggen.

‘Ik dacht dat jij dit ook wilde,’ zei hij uiteindelijk.

‘Dat wilde ik ook. Maar niet op deze manier.’

Toen zei hij het. Misschien uit boosheid, misschien omdat hij echt niet doorhad hoe het klonk.

‘Bastiaan, jij hebt toch niets beters te doen met je tijd?’

Ik ben niet gaan schreeuwen. Dat zou misschien makkelijker zijn geweest. Ik heb alleen mijn jas dichtgeritst en gezegd dat ik naar huis ging.

Hij riep me nog na dat ik niet zo moest overdrijven. Buiten waaide het hard over het water en ik kon mijn fietssleutel niet meteen vinden. Ik stond daar veel te lang met mijn handen in mijn zakken.

Sindsdien hebben we alleen praktische appjes gehad. Hij vroeg vorige week waar ik de meetklok had gelaten. Ik antwoordde: ‘In de blauwe kist, denk ik.’ Hij stuurde geen dankjewel.

Van een andere zeilvriend hoorde ik dat de motor nog steeds niet loopt en dat Herman de planning heeft moeten afzeggen. Daar voel ik geen plezier bij. Eerder iets wat op schuld lijkt, maar ook niet helemaal. Hij heeft veel geld in die boot gestoken. Ik weet hoe eenzaam zijn huis soms is sinds Karin er niet meer is. Misschien is die klipper meer dan een project voor hem. Misschien had ik dat eerder moeten zien.

Maar ik ben ook geen invulling van zijn dagen.

Els zegt dat ik hem moet bellen. Mijn broer zegt dat Herman eerst maar eens excuses moet maken. Zelf heb ik zondag mijn eigen kleine zeilboot uit de winterstalling gehaald. Alleen. De lijnen zaten vastgeroest en ik heb een uur lopen klooien met een sluiting die waarschijnlijk gewoon vervangen moet worden.

Normaal zou ik Herman daar een foto van sturen, met iets flauws erbij. Nu heb ik mijn telefoon weer in mijn jaszak gedaan en ben ik verder gegaan.