Na veertig jaar vriendschap vroegen onze beste vrienden ons om drie dagen per week mantelzorg te doen
Ik heb afgelopen dinsdag een pan hutspot gemaakt voor vier personen en hem daarna in mijn eentje opgegeten.
Dat klinkt misschien onbenullig, maar ik stond daar in de keuken met die veel te grote pan en ineens dacht ik: dit was dus de dinsdag waarop we eigenlijk bij Henk en Marijke zouden zijn. Els zou de administratie met Marijke doornemen en ik zou Henk naar de neuroloog in Hilversum rijden. Uiteindelijk had Marijke gebeld dat Henk een slechte nacht had gehad en niet mee wilde. Of niet kón, dat wist ze zelf ook niet meer. Ze klonk alsof ze al uren niet had geslapen.
Henk en Marijke kennen we sinds 1987. Wij woonden toen net in een huurflat in Amersfoort-Schothorst, zij twee deuren verderop. We waren allemaal rond de dertig, hadden weinig geld en deden alsof dat geen probleem was. Zaterdagen op een kleedje bij het Valleikanaal met een koelbox van de Aldi. Kerst bij elkaar omdat niemand een grote eettafel had. Toen onze dochter Noor veel te vroeg werd geboren, paste Marijke zonder vragen op onze oudste. Toen Henk zijn baan bij de drukkerij verloor, heb ik hem bij mijn bedrijf binnengekregen als magazijnplanner.
Zo ging het altijd. Niet met grote woorden. Gewoon: als er iets was, dan stond je er.
Vorig jaar zomer begon Henk rare dingen te vergeten. Eerst het alarm van zijn auto, toen afspraken. Hij is 66, dus we zeiden allemaal dat het leeftijd was, of stress. Maar hij werd ook sneller boos. Tijdens een etentje bij ons schreeuwde hij ineens tegen Els omdat zij vroeg of hij nog wijn wilde. Hij schrok er zelf van en werd daarna stil. Een paar maanden later kwamen de onderzoeken. De artsen gebruiken woorden die Marijke steeds half herhaalt en dan weer vergeet: cognitieve achteruitgang, nader onderzoek, mogelijk een vorm van dementie. Het is nog niet helemaal duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat Henk niet meer zelfstandig alles overziet.
Marijke doet sindsdien vrijwel alles. Boodschappen, medicatie, post, bellen met de huisarts, afspraken onthouden, zorgen dat hij eet. Hun zoon woont in Groningen en komt heus wel, maar hij heeft een gezin en een baan in de zorg. Hun dochter zit midden in een scheiding in Rotterdam. Die belt vaak, zegt Marijke, maar bellen ruimt geen vaatwasser uit en haalt niemand op van de poli.
In januari zaten we bij hen aan de keukentafel. Henk lag boven te slapen. Marijke had een schrift voor zich met lijstjes die over elkaar heen waren geschreven. Ze vroeg eerst of we af en toe iets konden koken. Dat vonden Els en ik geen punt. We maakten een rooster: maandag en donderdag een maaltijd brengen, en ik zou rijden als er een afspraak was waar Marijke niet alleen mee wilde.
Alleen werd ‘af en toe’ al snel iets anders.
Marijke vroeg of Els drie ochtenden per week kon komen, omdat de post bleef liggen en zij bang was fouten te maken met rekeningen. Of ik Henk op woensdag mee kon nemen voor een wandeling, want dan kon zij even slapen. En of we voortaan ook bij afspraken wilden zitten, omdat ze de uitleg van de arts niet allemaal onthield. Ze zei het niet dwingend. Juist dat maakte het moeilijk. Ze zei steeds: ‘Alleen als het kan, hoor.’
Maar als je tegenover iemand zit die je al bijna veertig jaar kent en die zichtbaar vermagerd is, dan betekent ‘alleen als het kan’ helemaal niets. Dan hoor je vooral dat ze niemand anders heeft.
Els en ik zijn 64 en 65. Ik ben afgelopen najaar gestopt met werken. Els was al twee jaar eerder uit het onderwijs. We hebben er lang naartoe geleefd. Geen enorme luxe, maar wel plannen. Zes weken met de camper door Frankrijk en Noord-Spanje in mei. Els volgt op woensdagochtend keramiek in het buurthuis. Ik ben net begonnen met een cursus Italiaans, vooral omdat we ooit een maand naar Sicilië willen. We hadden eindelijk geen agenda meer die door werk, ouders of kinderen werd bepaald.
Na dat gesprek bij Marijke reed Els zwijgend naar huis. Bij de rotonde bij Hoevelaken zei ze: ‘Als we hier ja op zeggen, is dit niet tijdelijk.’
Ik werd boos op haar, wat eigenlijk laf was. Ik zei dat je niet kunt gaan rekenen in uren als je vrienden het zo zwaar hebben. Zij keek me aan en zei: ‘Nee, maar je kunt ook niet doen alsof wij niet bestaan.’
Die zin bleef hangen, juist omdat ik wist dat ze gelijk had.
We hebben het toch geprobeerd. Twee weken lang. Els ging op maandag, woensdag en vrijdag. Ik reed Henk naar de huisarts, haalde medicijnen op en heb een middag met Marijke gebeld met de bank omdat Henk een automatische incasso had stopgezet die hij niet herkende. Henk vond het vernederend dat ik naast hem zat toen de praktijkondersteuner vragen stelde. Een keer noemde hij mij een bemoeial. Vijf minuten later vroeg hij of ik nog koffie wilde.
Thuis waren Els en ik ineens kortaf tegen elkaar. Niet eens vanwege Henk. Gewoon omdat we voortdurend aan het schuiven waren. Keramiek werd afgezegd. Mijn Italiaans ook. De camperreis voelde belachelijk egoïstisch zodra we hem bespraken, dus bespraken we hem maar niet.
De breuk kwam niet met geschreeuw. Marijke belde op een zondagavond. Ze zei dat ze een schema had gemaakt, zodat iedereen wist waar hij aan toe was. Op dinsdag en donderdag zouden wij er van negen tot drie zijn. Op zaterdag wilde ze graag dat we Henk een paar uur meenamen, ‘desnoods gewoon naar jullie huis’. Dan kon zij schoonmaken en boodschappen doen.
Els zei heel rustig dat dit te veel was. Dat we best wilden blijven helpen, maar niet op een vaste manier die op zorg leek. Er viel een stilte waarin ik de televisie bij Marijke op de achtergrond hoorde.
Toen zei ze: ‘Maar wie zijn jullie als vrienden als jullie ons nu in de steek laten?’
Ik zag Els wit wegtrekken. Ik nam de telefoon over en zei iets doms over dat wij ook ouder werden en geen professionele hulpverleners waren. Marijke begon te huilen. Niet hard. Dat maakte het erger. Ze zei: ‘Dus ik moet het maar uitzoeken.’
De volgende ochtend belde Els de huisartspraktijk van Marijke, niet om achter haar rug om iets te regelen, maar omdat Marijke zelf had gezegd dat ze niet meer wist waar ze moest beginnen. De praktijkondersteuner vertelde dat er een wijkverpleegkundige kon meedenken en dat Marijke contact kon opnemen met het Wmo-loket van de gemeente. Later kwam er iemand langs voor een gesprek. Er wordt nu gekeken naar dagbesteding voor Henk en ondersteuning thuis. Het gaat langzaam, natuurlijk. Alles gaat langzaam als je al op je tandvlees loopt.
Marijke is nog steeds afstandelijk tegen ons. Als ik app of er boodschappen nodig zijn, krijg ik soms pas de volgende dag ‘nee bedankt’. Henk belde vorige week wel om te vragen of ik naar voetbal had gekeken. Hij wist halverwege het gesprek niet meer wie er gewonnen had, maar hij wist nog wel dat we vroeger samen naar FC Utrecht gingen.
We gaan volgende maand waarschijnlijk toch met de camper weg. Niet zes weken, maar drie. Els heeft haar cursus weer opgepakt. Ik ook, al heb ik vorige les ‘dove si trova la stazione’ drie keer verkeerd uitgesproken.
Donderdag brengen we eten bij Henk en Marijke. Geen schema, geen hele dag. Gewoon een pan pasta en een uurtje aan tafel, als Henk wakker is. Ik weet niet of dat genoeg is. Ik weet alleen dat ik niet meer geloof dat je iemand helpt door zelf langzaam uit beeld te verdwijnen.